GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.159.499/01 arrest van 3 maart 2015 in de zaak van Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL, gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, hierna aan te duiden als “Woonbedrijf”, advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als “[geïntimeerde]”, advocaat: mr. H.J.M. Smelt te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2014, gewezen tussen Woonbedrijf als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/285406/KG ZA 14-674) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en 11 producties; de memorie van antwoord. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.
- In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [geïntimeerde] woont sinds 3 februari 2007 in de zelfstandige woning aan de [pand] te [plaats] op grond van een daartoe met Woonbedrijf gesloten huurovereenkomst. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden zelfstandige woonruimte van 1 november 2004 van Woonbedrijf van toepassing. De huurprijs voor de woning bedroeg ten tijde van de dagvaarding in hoger beroep € 647,74 per maand. Het hof gaat ervan uit dat het in de appeldagvaarding genoemde bedrag van € 674,74 per maand berust op een vergissing. Bij vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 2 oktober 2014 is [geïntimeerde] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag wegens huurachterstand, is de huurovereenkomst ontbonden en is de ontruiming bevolen van het gehuurde. Dit vonnis is uitvoerbaar verklaard bij voorraad. [geïntimeerde] is in verzet gekomen tegen dit vonnis. Woonbedrijf heeft de ontruiming van de woning aangezegd tegen 30 oktober 2014, waarna [geïntimeerde] Woonbedrijf heeft gedagvaard in kort geding, de onderhavige procedure. Woonbedrijf heeft vervolgens de ontruiming opgeschort. 3.
- In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 oktober
- Woonbedrijf heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.
- In het vonnis van 29 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant de executie van het verstekvonnis van 2 oktober 2014 geschorst totdat hierover in de verzetprocedure onherroepelijk is beslist, dit onder de ontbindende voorwaarde dat [geïntimeerde] in de toekomst de huur niet (tijdig) betaalt. 3.4.
- Het hof oordeelt thans als volgt. Uit ambtshalve ingewonnen informatie is het hof gebleken dat in de verzetzaak op korte termijn (op 12 maart 2015) vonnis is bepaald. Niet gebleken is dat het belang van Woonbedrijf bij een beslissing in het kort geding dermate spoedeisend is dat niet kan worden afgewacht hoe het oordeel van de kantonrechter in de verzetzaak zal luiden. Het hof acht het bovendien onwenselijk, wanneer binnen zeer korte tijd twee verschillende instanties een uitspraak doen over een geschil dat mede de ontruiming van een woning betreft, waarbij niet valt uit te sluiten dat de beslissingen niet op elkaar aansluiten. 3.4.
- Het hof zal de zaak daarom verwijzen naar na te melden rolzitting, teneinde partijen de gelegenheid te bieden het in de verzetzaak te wijzen vonnis in het geding te brengen en zich uit te laten over de consequenties die zij voor het onderhavige executiegeschil aan dat vonnis verbinden. Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden. 4De uitspraak Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2015 voor akte aan de zijde van beide partijen met het hiervoor in r.o. 3.4.
- vermelde doel; houdt elke verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, R.J.M. Cremers en I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart
- griffier rolraadsheer