GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 5 maart 2015 Zaaknummer: F 200.151.847/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/167855 / FA RK 11-1698 in de zaak in hoger beroep van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. B. Damen, tegen [de man] , wonende te [woonplaats], verweerder, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. C.H.C. Hocks. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 26 maart 2014. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te beslissen dat uitsluitend de moeder het gezag over de minderjarige [minderjarige] zal uitoefenen en ten aanzien van de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] dat de speciale vakantieregeling wordt teruggedraaid en dat elke daartoe bestemde omgangsdag niet start om 10.00 uur, maar om 12.00 uur. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2014, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans haar deze ontzeggen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord: partijen, bijgestaan door hun advocaten; de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw. [vertegenwoordiger van de raad]. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 februari 2014; - het v-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 12 januari 2015; - de ter zitting door de advocaat van de vader overgelegde pleitnota. 3De beoordeling 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats]. De vader heeft [minderjarige] erkend. 3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de moeder en de vader voortaan gezamenlijk het gezag zullen uitoefenen over [minderjarige]. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de vader in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken [minderjarige] als volgt bij zich zal hebben: - één weekend per veertien dagen en wel: o op vrijdag van 12.45 uur tot 18.30 uur (na het eten), waarbij de vader met [minderjarige] naar de zwemles gaat; o op zaterdag van 10.00 uur tot 18.30 uur (na het eten); o op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur in de tussenliggende week, derhalve eenmaal per veertien dagen, op donderdag na school tot 18.30 uur (na het eten); in de korte vakanties van één week gedurende twee extra dagen van 10.00 uur tot 18.30 uur (zonder overnachting); in de vakanties van twee weken en in de zomervakantie elke week gedurende twee extra dagen van 10.00 uur tot 18.30 uur; elke tweede feestdag van 10.00 uur tot 18.30 uur. 3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert ze, kort samengevat, aan dat de communicatie tussen partijen dermate slecht is dat er sprake is van een situatie als bedoeld in 1:253c lid 2 BW, namelijk dat er sprake is van het klem- of verlorenbeginsel dan wel dat het verlenen van gezag aan de vader niet in het belang van [minderjarige] is. Anders dan de vader telkenmale heeft beloofd, en waarop hij al expliciet is gewezen, blijft de vader vrijwel alleen communiceren door middel van sms’jes of communiceert hij in het geheel niet. Sinds de zitting in februari 2014 hebben partijen slechts één of tweemaal inhoudelijk met elkaar gesproken. Verder stelt de moeder dat de vader de nadruk legde op uitgekleed gezag (gezag “light”) en dat de rechtbank om onduidelijke redenen toch het volledige gezag (mede) bij de vader heeft neergelegd. Indien het dan toch tot gezag zou moeten komen, verzoekt de moeder te bepalen dat de vader wordt belast met uitgekleed gezag over [minderjarige]. De moeder concludeert dat partijen, met name de vader, al jaren niet of nauwelijks communiceren en dat niet te verwachten valt dat hierin op korte termijn verandering zal komen. De moeder voert voorts aan dat de vader [minderjarige] belast met “grote mensen problemen”, hetgeen leidt tot verwarring, onrust en onzekerheid bij [minderjarige]. Rode draad is dat de vader niet of nauwelijks communiceert, zijn eigen plan trekt, ook waar het gaat om het halen en brengen van [minderjarige], en zich weinig tot niets gelegen laat liggen aan de belangen van [minderjarige]. 3.4. In zijn verweerschrift betwist de vader de stellingen van de moeder. Volgens hem is de communicatie tussen partijen niet zo slecht als de moeder thans doet voorkomen. De vader heeft drie jaar niet of nauwelijks contact gehad met de moeder en [minderjarige] en de communicatie met de moeder is thans beperkt tot een minimum, omdat deze nog op gang moet komen. Nu [minderjarige] weer regelmatig bij de vader verblijft en de ouders hierdoor gedwongen worden weer met elkaar te communiceren is er sprake van opstartproblemen. Van beide partijen kan niet worden verwacht dat die communicatie meteen zonder problemen verloopt. De vader betwist nadrukkelijk dat hij [minderjarige] uit de auto zou zetten na een omgangsmoment. [minderjarige] wordt naar haar moeder begeleid en de vader geeft kort aan wat ze samen hebben gedaan. De zorgregeling, zoals die is vastgelegd in de bestreden beschikking, is door partijen mondeling overeengekomen en is niet gebaseerd op een beslissing van de rechtbank. De moeder kan zich dan ook enkel beroepen op één der vernietigingsgronden om de overeenkomst die partijen hebben gesloten aan te tasten. Geen van deze gronden is in de onderhavige zaak aan de orde. Verder voert de vader aan dat er geen reden is om de zorgregeling te wijzigen. De vader erkent dat hij drie keer te laat is verschenen om [minderjarige] op te halen. Hij heeft echter alle drie de keren tijdig afgebeld en is niet zonder geldige reden weggebleven. De moeder is slecht bereikbaar voor de vader. Zij heeft een aparte telefoon waar enkel de vader haar op kan bereiken en zij zet deze telefoon kort voor en tijdens de contactmomenten aan. Buiten deze momenten is de moeder niet bereikbaar voor de vader. De vader betwist nadrukkelijk de lezing van de moeder omtrent het verloop van de zorgregeling. Voorts merkt de vader op dat de contactmomenten twee keer zijn verkort, omdat [minderjarige] aangaf niet mee te willen met de vader. 3.5. Ten aanzien van de kwestie van het gezag heeft de raad ter zitting van het hof verklaard dat, hoewel de onderlinge communicatie tussen de ouders zorgelijk is te noemen, er geenszins is gebleken dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem of verloren is geraakt tussen de ouders. Het hof overweegt het volgende. Gezag 3.6.1. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:(sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.