GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.157.082/01 arrest van 29 maart 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant jr.] , advocaat: mr. M.J. van de Laar te Eindhoven, tegen [Advocaten] Advocaten N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [Advocaten] , advocaat: mr. R.A.M.L. van Oeijen te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 30 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juli 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant jr.] als gedaagde (en de Stichting Dutch Porsche Racing Team – verder te noemen: de stichting – en [medegedaagde sr.] – verder te noemen: [medegedaagde sr.] – als medegedaagden) en [Advocaten] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2758005 en rolnr. 14-1524) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met vier grieven; de memorie van antwoord met één productie; de akte van [appellant jr.] ; de antwoordakte van [Advocaten] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof merkt op dat de in het productieoverzicht van de eerste aanleg genoemde brief aan de rechtbank dd. 5 juni 2014 ontbreekt. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [Advocaten] , in de persoon van mr. B. Poort, heeft juridische werkzaamheden verricht in een civiele procedure bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] enerzijds en [appellant jr.] , [medegedaagde sr.] en de Stichting anderzijds. In die procedure is mr. Poort aangemerkt als procesadvocaat, ook voor [appellant jr.] 3.1.2. In de akte in hoger beroep erkent [appellant jr.] het volgende: (…) Appellant is ook slechts twee keer bij geïntimeerde geweest en alstoen is hem medegedeeld dat geïntimeerde het verweer namens appellant er wel bij zou doen, het dossier moest toch worden doorgenomen. Appellant behoefde slechts eenmaal € 2.000,- te betalen (…) 3.2. In de onderhavige procedure vordert [Advocaten] van [appellant jr.] , [medegedaagde sr.] en de stichting - hoofdelijk - betaling van de door haar verzonden facturen ter zake van de verrichte werkzaamheden. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen - ten aanzien van [medegedaagde sr.] en de stichting bij verstek - en het bedrag van € 7.746,81 met wettelijke rente, buitengerechtelijke-, proces- en nakosten toegewezen, hoofdelijk te voldoen. Het gaat daarbij om facturen gericht aan de stichting uit de periode 29 april 2013 tot 26 augustus 2013 voor een totaal bedrag van € 7.746,81 inclusief btw (punt 1 inl. dagv.), waarbij rekening wordt gehouden met een betaling van € 1.500,-. 3.3. De kantonrechter overwoog onder meer (rov. 3.5): De kantonrechter is van oordeel dat ook [appellant jr.] als opdrachtgever dient te worden aangemerkt. Een medewerker van [Advocaten] is in de processtukken steeds als advocaat van [appellant jr.] vermeld. Daarnaast staat vast dat [appellant jr.] bij besprekingen met de advocaat aanwezig is geweest. Ter zitting heeft [appellant jr.] ook erkend dat een medewerker van [Advocaten] namens hem heeft opgetreden bij de terechtzitting van 3 juni 2013 waar hij zelf ook als partij aanwezig was. Tenslotte heeft [appellant jr.] erkend dat hij niet heeft gereageerd op de brief van [Advocaten] waarin de opdracht aan hem is bevestigd. Deze feiten rechtvaardigen de conclusie dat ook [appellant jr.] als opdrachtgever dient te worden aangemerkt. Het verweer van [appellant jr.] dat de medewerker van [Advocaten] niet namens hem kon optreden omdat hij voor een toevoeging in aanmerking kwam, wordt verworpen en kan aan voormelde conclusie derhalve niet afdoen. Ook het verweer dat [medegedaagde sr.] verklaard heeft de kosten van juridische bijstand voor zijn rekening te zullen nemen, kan niet tot een ander oordeel leiden. 3.4. [appellant jr.] heeft dit vonnis bestreden met vier grieven: - in grief 1 bestrijdt hij dat er sprake is van hoofdelijkheid en dat hij aansprakelijk is voor de schuld; - grief 2 heeft betrekking op de hoogte van de vordering, primair omdat slechts beperkte werkzaamheden voor hem zijn uitgevoerd en subsidiair omdat teveel in rekening is gebracht; - in grief 3 betoogt hij dat met [Advocaten] is overeengekomen dat [medegedaagde sr.] de kosten -van de juridische bijstand zou voldoen; - grief 4 heeft betrekking op de buitengerechtelijke kosten. 3.5. De grieven 1, 2 primair en 3 3.5.1. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.5.2. Gelet op de hiervoor in rov. 3.1.2 geciteerde erkenning is de conclusie van de kantonrechter, als zou [appellant jr.] als opdrachtgever moeten worden aangemerkt, juist. Er bestaat derhalve tussen partijen een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Daarmee is evenwel de inhoud van die overeenkomst nog niet gegeven, want mogelijk is, zoals in de grieven wordt aangevoerd 1. dat [appellant jr.] niet (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de gehele schuld maar dat hij slechts deels aansprakelijk (althans draagplichtig) is, namelijk alleen voor zover de werkzaamheden betrekking hebben op hetgeen ten behoeve van hem is verricht, of een ander gedeelte; 2. dat afgesproken is dat, hoewel ten behoeve van hem werkzaamheden zijn verricht, alleen [medegedaagde sr.] en de Stichting daarvoor aansprakelijk zouden zijn, althans draagplichtig. De kantonrechter heeft deze aspecten niet beoordeeld, zodat de grieven in zoverre slagen. 3.5.3. Het hof neemt eerst het bepaalde in artikel 6:6 lid 1 BW in overweging, namelijk dat wanneer een prestatie (hier: het betalen van de advocaat) door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, zij ieder voor een gelijk gedeelte (hier: eenderde deel) verbonden zijn, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling (hier: afspraak) voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. [Advocaten] heeft geen wettelijke bepaling of gewoonte aangewezen waaruit de hoofdelijk zou kunnen volgen. Het hof merkt hierbij nog op dat een verdeling van de kosten naar gedeeltes dat elk van hen in de onderlinge verhouding aangaat, artikel 6:10 e.v. BW, (zoals [appellant jr.] kennelijk voorstaat) betrekking heeft op zijn verhouding tot [medegedaagde sr.] en de Stichting en derhalve geen betrekking heeft op hun verhouding tot [Advocaten] . Die verhouding kan alleen in aanmerking worden genomen indien een daartoe strekkende afspraak is gemaakt met [Advocaten] . 3.5.4. [Advocaten] voert aan dat sprake is geweest van een gezamenlijke overeenkomst van opdracht (en dat [appellant jr.] en zijn vader ook gezamenlijk aanwezig zijn geweest bij besprekingen) en dat hierdoor sprake is van hoofdelijkheid. Van hoofdelijkheid is echter eerst sprake, artikel 6:6 lid 2 BW, als de prestatie (hier: tot betalen) ondeelbaar is - hetgeen niet het geval is -, of uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld (hier: die tot betaling) ieder voor het geheel aansprakelijk zijn. [Advocaten] heeft ook hier geen wettelijke bepaling of gewoonte aangewezen waaruit de hoofdelijkheid zou kunnen volgen. Uit de enkele omstandigheid dat sprake is geweest van een gezamenlijk opdracht – zo al juist – volgt de hoofdelijkheid derhalve nog niet. Hetzelfde geldt voor hun gezamenlijke aanwezigheid (na het sluiten van de overeenkomst van opdracht). Het is bovendien zeer goed denkbaar dat bij een gezamenlijke opdracht ieder der schuldenaren zijn of haar eigen deel zal betalen, of dat een of meer in het geheel niets betalen omdat hij/zij in aanmerking komen voor toevoeging. Het hof merkt op dat [Advocaten] in de opdrachtbevestiging er geen melding van heeft gemaakt dat [appellant jr.] afzag van gefinancierde rechtshulp. 3.5.5. Het komt bij het bepalen van de vraag of sprake is van hoofdelijkheid, dan wel van de hoogte van ieders deel, derhalve aan op de uitleg van de overeenkomst. Het hof stelt daarbij voorop dat de vaststelling van hetgeen partijen zijn overeengekomen geschiedt aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltexnorm); daarbij speelt de redelijkheid en billijkheid een rol. 3.5.6. Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van hoofdelijkheid stelt [Advocaten] dat zij bij brief dd. 29 november 2012 (prod. 8, zij het dat de achterkant van blad 1, waarop de algemene voorwaarden staan afgedrukt, niet overgelegd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.