GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.161.603/01 arrest van 19 april 2016 in de zaak van 1 [Holding] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] ), 2. [DC] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 3. [Logistics] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden als [Holding] c.s., en ieder afzonderlijk als respectievelijk [Holding] , [DC] en [Logistics] , advocaat: mr. W.O. Groustra te Amsterdam, tegen [Bouwbedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. D. te Jong te Zeist, op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 13 februari 2013 en 17 september 2014, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [Holding] c.s. als gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/249576 / HA ZA 12-615) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3. De beoordeling De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [geïntimeerde] is een bouw- en aannemingsbedrijf, gevestigd te [vestigingsplaats 2] . [Holding] (voorheen: [Beheer] B.V.), [DC] en [Logistics] zijn aan elkaar gelieerde vennootschappen die zich bezig houden met de dienstverlening op het gebied van transport, opslag en distributie van met name rekwisieten en decorstukken ten behoeve van toneel- en theatergezelschappen. De vennootschappen worden bestuurd door de heer [bestuurder appellanten] (hierna: [bestuurder appellanten] ). [Holding] en [Logistics] hebben in 2009-2010 het plan opgevat om een bedrijfshal (warehouse) te bouwen te [plaats] , als logistiek centrum ten behoeve van de op- en overslag van goederen. Dit onderdeel van het bedrijf zou worden ondergebracht in (de op dat moment nog op te richten vennootschap) [DC] . [bestuurder appellanten] heeft voor de uitvoering van de bouwplannen diverse aannemers benaderd. Hij is in dat kader bijgestaan door de heer [medewerker Logistics] (die tot oktober 2012 als project- en logistiek medewerkers in dienst was van [Logistics] , die daarna enige tijd elders werkzaam is geweest en die inmiddels werkzaam is in dienst van de eveneens tot de [appellant] -groep behorende vennootschap [bestuurder appellanten] Theater B.V.; hierna: [medewerker Logistics] ). De contacten met deze aannemers hebben niet geleid tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst. Vanaf juni 2010 hebben [bestuurder appellanten] en [medewerker Logistics] over de bouwplannen overleg gevoerd met [geïntimeerde] . Deze is in haar contacten met [bestuurder appellanten] en [medewerker Logistics] steeds vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [bestuurder geïntimeerde] (hierna: [bestuurder geïntimeerde] ). Op 23 september 2010 heeft ‘[e-mail medewerker Logistics]’ namens [Logistics] een e-mail (prod. 19 cva) gestuurd aan [bestuurder geïntimeerde] , die, voor zover van belang, als volgt luidt: ‘hierbij alvast de naam mbt de aanvraag van de offertes: [DC] B.V. (…) [postcode] [vestigingsplaats 1] Dit is de naam welke we vanaf nu gaan hanteren. Let op, de bv is nog niet beschreven, dus officieel in [het hof leest: is] het nog [DC] B.V. i.o. (in oprichting). Maar dan kunnen we de offerte aanvragen op naam van deze bv. (…)’. Op 21 oktober 2010 heeft [bestuurder geïntimeerde] namens [geïntimeerde] een e-mail (prod. 18 cva) gestuurd aan ‘[e-mail medewerker Logistics]’, met het onderwerp ‘prijzen’. Bij de e-mail was een bijlage gevoegd die als volgt luidt: ‘div. prijzen 1 werkvoorbereiding € 50,00 per uur 2 uitvoerder op de bouw € 48,00 per uur AK 3% AK over nevenaannemers 2% W&R 3,5% Verlichting en bouwstroom € 9.125,00 Schoonmaken keten ed € 135,00 per wk Wc unit € 3.459,00 onderbouw complete begroting’. [bestuurder appellanten] en [bestuurder geïntimeerde] hebben in of vlak na oktober 2010 overeenstemming bereikt over de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de bouw van een bedrijfshal groot 3.250 m2. Dit onderdeel van de bouwplannen is door partijen aangeduid als fase 1. Aanvankelijk was het de bedoeling van [Holding] c.s. en [geïntimeerde] dat laatstgenoemde ook de fases 2 en 3 (neerkomend op verdere uitbreidingen van de bedrijfshal) zou uitvoeren. Uiteindelijk is besloten dat de verdere uitvoering van de fases 2 en 3 niet meer door [geïntimeerde] zou geschieden. [Holding] c.s. zou [geïntimeerde] voorzien van het ontwerp en de technische uitwerking/tekeningen. Deze werden ten behoeve van [Holding] c.s. verzorgd door een ingenieursbureau ( [ingenieursbureau] B.V.), een tekenbureau ( [tekenbureau] ) en een constructeur ( [constructeur] B.V.). [geïntimeerde] ’ werkzaamheden zouden met name betrekking hebben op het grond-, hei- en betonwerk. Inzake andere werkzaamheden, zoals het installatiewerk, de beplating en het aanbrengen van de verdiepingsvloer, was [Holding] c.s. voornemens om te contracteren met derden-aannemers. Partijen hebben de onderling gemaakte afspraken niet vastgelegd in een schriftelijke aannemingsovereenkomst. Evenmin is voor het geheel van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden een vaste prijs of een richtprijs afgesproken. Op 22 november 2010 is [DC] opgericht (prod. 43 cva). Vanaf april 2011 heeft [geïntimeerde] werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de bouw van de bedrijfshal. [geïntimeerde] is daarmee gestopt in november 2011. [geïntimeerde] heeft vanaf 24 juni 2011 voor de door haar verrichte werkzaamheden een bedrag van in totaal € 696.297,85 gefactureerd aan [DC] . Begin december 2011 had [DC] op deze facturen in totaal een bedrag van € 321.389,86 aan [geïntimeerde] betaald. De vanaf eind november 2011 door [geïntimeerde] gefactureerde bedragen heeft [Holding] c.s. onbetaald gelaten. Bij brief van 2 december 2011 (prod. 5 akte overlegging producties), door [geïntimeerde] ontvangen op 3 december 2011, heeft [bestuurder appellanten] namens [DC] aan [geïntimeerde] meegedeeld: ‘(…) U heeft ons een vijftal facturen toegezonden welke wij u retour zenden wegens diverse onduidelijkheden. Wij zouden graag met u een gesprek aangaan met als doel deze onduidelijkheden uit de weg te nemen. Wegens het gebouwd heden deels in gebruik genomen is, verzoeken wij u geen werkzaamheden meer uit te voeren tot nader bericht van onze zijde. Wij verzoeken u dan ook om met ons in contact te treden voor het maken van een afspraak. (…)’ [geïntimeerde] heeft op 3 december 2011 door middel van aan de bedrijfshal bevestigde plakkaten kenbaar gemaakt dat zij haar retentierecht uitoefende op de bedrijfshal en heeft de bedrijfshal daartoe ontoegankelijk gemaakt (door sloten te vervangen) en geblokkeerd (met betonblokken). Bij e-mail van 4 december 2011 (prod. 6 akte overlegging producties zijdens [geïntimeerde] ) heeft [geïntimeerde] het volgende geschreven aan ‘[appellant] , t.a.v. de heer [medewerker Logistics]’: ‘Door ons zijn inmiddels aan u diverse facturen gezonden waarvan de betalingstermijn is verstreken en/of waarvan u de gefactureerde werkzaamheden ten onrechte niet worden erkend. Gelet hierop sommeer ik u dan ook om binnen drie dagen na heden tot betaling van de openstaande bedragen over te gaan. (…) Voorts wijs ik u er op dat onze werkzaamheden per 3 december jl. zijn opgeschort en ter verzekering van onze rechten vanaf 3 december jl. om 9.00 uur het retentierecht op het gebouw en het terrein wordt uitgeoefend totdat integrale betaling heeft plaatsgevonden. (…)’. [Holding] c.s. heeft zich op 4 of 5 december 2011 toegang verschaft tot de bedrijfshal, die sindsdien door [Holding] c.s. wordt gebruikt. Een oplevering van het door [geïntimeerde] verrichte werk heeft nimmer plaatsgevonden. [Holding] c.s. heeft op 26 maart 2012 een bedrag van € 175.000,- betaald aan [geïntimeerde] , waarna [geïntimeerde] een inmiddels aanhangig gemaakt kort geding tegen [Holding] c.s. heeft ingetrokken. Nadat in eerste aanleg vonnis is gewezen, heeft [appellant] c.s. nog een bedrag van € 185.000,- betaald aan [geïntimeerde] . De eerste aanleg 3.2.1. In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg, na vermeerdering van eis, in conventie gevorderd: primair: de hoofdelijke veroordeling van [Holding] c.s. tot betaling van € 202.729,34 aan openstaande facturen, € 8.992,03 aan wettelijke handelsrente tot 31 mei 2012, de wettelijke handelsrente over € 197.282,75 vanaf 31 mei 2012 alsmede de wettelijke handelsrente over € 5.446,59 vanaf 4 juli 2012 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 10.202,76, subsidiair: de hoofdelijke veroordeling van [Holding] c.s. tot betaling van € 140.646,81 aan openstaande facturen, € 62.082,53 wegens ongerechtvaardigde verrijking, de wettelijke handelsrente over de te laat betaalde facturen, de wettelijke rente over € 62.082,53 vanaf de dag van de comparitie, buitengerechtelijke incassokosten ad € 10.202,76, en - zowel primair als subsidiair: veroordeling van [Holding] c.s. tot afgifte, op straffe van verbeurte van een dwangsom, van een aantal in het petitum van de dagvaarding omschreven zaken binnen twee weken na vonnisdatum, met hoofdelijke veroordeling [appellant] c.s. in de proceskosten. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat en voor zover nog van belang, ten grondslag gelegd dat [Holding] c.s. de gevorderde hoofdsommen verschuldigd is als vergoeding voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft verricht ter uitvoering van de onderling gesloten aannemingsovereenkomst (dan wel, voor een deel en subsidiair, op grond van ongerechtvaardigde verrijking). 3.2.3. [Holding] c.s. heeft verweer gevoerd. [DC] heeft vervolgens een eis in reconventie ingesteld. [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord in reconventie. 3.3.1. Bij tussenvonnis van 13 februari 2013 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat uitsluitend [DC] als opdrachtgever van [geïntimeerde] kan worden aangemerkt en dat de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [Beheer] en [Logistics] , voor zover gebaseerd op het niet-nakomen van een met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst, dienen te worden afgewezen. 3.3.2. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 21 juni 1968 (NJ 1968, 290) meebrengt dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van haar stelling dat partijen de door haar gestelde prijsafspraak hebben gemaakt en dat, indien [geïntimeerde] niet slaagt in dat bewijs, [DC] de door haar gestelde prijsafspraken zal dienen te bewijzen. Om redenen van proces-economie heeft de rechtbank besloten om de bewijsopdrachten aan partijen gelijktijdig te verstrekken. 3.3.3. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rechtbank in het tussenvonnis [geïntimeerde] heeft opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde] en [DC] zijn overeengekomen dat: [geïntimeerde] ook het grondwerk ten behoeve van fase 2 en 3 van de bouw van de bedrijfshal zou uitvoeren, dan wel dat [DC] voordeel heeft gehad van deze door [geïntimeerde] uitgevoerde grondwerkzaamheden; [geïntimeerde] per ton afgevoerde grond € 8,- in rekening zou brengen bij [DC] ; [geïntimeerde] beton van het type C 20/25-XC3-S3 zou leveren voor € 75,-/m³, en bij levering van een hogere of andere kwaliteit dan de basiskwaliteit beton een toeslag zou worden berekend conform de offerte van Haboton van 30 mei 2011 (prod. 20 dagvaarding iea). 3.3.4. [DC] is daarnaast opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde] en [DC] zijn overeengekomen dat: [geïntimeerde] geen opslagpercentage bij [DC] in rekening zou brengen; [geïntimeerde] het grondwerk voor fase 1 zou uitvoeren bestaande uit het aanbrengen van een puinbed van 750 m³ (25 cm diep over een lengte van 100 x 30 meter), tegen een prijs van € 8,- per m³, in totaal € 6.000,- exclusief B.T.W.; [geïntimeerde] het voor het werk benodigde beton zou inkopen voor maximaal € 70,- per m³; de door [geïntimeerde] in rekening te brengen loonkosten niet meer mochten bedragen dan € 40,- per uur voor een voorman en € 30,- per uur voor een bouwvakker; de kosten voor het kantoor (in de bedrijfshal) niet meer zouden bedragen dan € 10.000,- (€ 5.000,- aan werkzaamheden en € 5.000,- aan materiaal). 3.3.5. Bij eindvonnis van 17 september 2014 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat: [geïntimeerde] erin is geslaagd te bewijzen dat haar door [DC] ook is opgedragen het grondwerk voor fase 2 en 3 en de afvoer van de daarbij vrijkomende grond; [geïntimeerde] voor het overige niet is geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs; [DC] in het geheel niet is geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs. 3.3.6. Bij datzelfde eindvonnis heeft de rechtbank vervolgens: in conventie: [DC] veroordeeld tot betaling van € 182.539,77 (vermeerderd met de wettelijke handelsrente van af 4 juli 2012) en € 4.000,- aan buitengerechtelijke kosten te betalen aan [geïntimeerde] , onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, in reconventie: de vorderingen afgewezen, met veroordeling [DC] in de proceskosten. 3.3.7. Bij aanvullend vonnis van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank de in het eindvonnis opgenomen veroordelingen tot het doen van betalingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De omvang van het hoger beroep 3.4.1. [Holding] c.s. heeft in hoger beroep grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd dat het hof, onder vernietiging van de beroepen vonnissen: 1. primair de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, althans subsidiair de bewijsopdrachten aan [DC] zal vernietigen en [geïntimeerde] met het bewijs ter zake zal belasten overeenkomstig het gestelde in de memorie van grieven en anderzijds zal bepalen dat [DC] in het door haar te leveren bewijs is geslaagd, althans [DC] zal toelaten tot het leveren van nader bewijs; 2. [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling aan [DC] van de door [DC] uit hoofde van het eindvonnis aan [geïntimeerde] betaald sommen, inclusief proceskosten en rente; 3. [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren ter zake de tegen [Holding] en [Logistics] ingestelde vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. In het geschil tussen [Holding] / [Logistics] en [geïntimeerde] : 3.4.2. In de memorie van grieven is in de eerste plaats een ongenummerde grief aangevoerd ‘zijdens [Holding] BV en [Logistics] BV’ en dus niet zijdens [DC] , die het hof als eerste zal behandelen. De grief heeft betrekking op de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [Holding] en [Logistics] in r.o. 4.4. van het tussenvonnis, zoals bevestigd in het dictum van het eindvonnis. Volgens [Holding] en [Logistics] had [geïntimeerde] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en had [geïntimeerde] tevens in de kosten moeten worden veroordeeld. Dit standpunt is onjuist. Voor een niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats in gevallen waarin de rechter op processuele gronden niet toekomt aan een behandeling van de zaak ten principale (zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226). 3.4.3. Gelet op de samenhang tussen de zaken en op het feit dat partijen door dezelfde advocaten zijn bijgestaan, terwijl aan deze kwestie geen afzonderlijke conclusies zijn gewijd, heeft de rechtbank kennelijk - en terecht - voor een afzonderlijke kostenveroordeling geen grond gezien. Ook het hof zal geen afzonderlijke kostenbeslissing geven. In het geschil tussen [DC] en [geïntimeerde] : 3.4.4. In de memorie van grieven worden vervolgens, kennelijk alleen door [DC] , 10 genummerde grieven aangevoerd tegen de beroepen vonnissen. Grief 4 heeft betrekking op de omvang van het overeengekomen grondwerk. De grieven 1 tot en met 3 en 5 tot en met 8 hebben betrekking op de (al dan niet) tussen partijen gemaakte prijsafspraken. Deze grieven hebben gemeen dat zij betrekking hebben op door de rechtbank genomen bewijsbeslissingen. Een drietal grieven betreft meer in het bijzonder de bewijslastverdeling (de grieven 1, 4 en 8). Een zevental grieven betreft (ook) de bewijswaardering (de grieven 2-8). Grief 7 houdt, in verband met het bezwaar tegen de bewijswaardering ter zake de aanspraak op opslagen, de uitdrukkelijke herhaling van een bewijsaanbod in. Datzelfde doet grief 9, naar aanleiding van het verwijt dat de rechtbank ten onrechte aan een stelling [appellant] c.s. inzake het wekelijks factureren is voorbijgegaan. Alleen grief 10 betreft beslissingen van de rechtbank die niet zijn te herleiden tot het bewijs(recht). De grief betreft, voor zover het hof prijsafspraken niet aanwezig acht, de tussen partijen geldende redelijke prijs in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW. In aansluiting op al deze grieven worden vorderingen ingesteld die uitsluitend betrekking hebben op de rechtsrelatie tussen [DC] en [geïntimeerde] en op de processuele positie van beiden (zie r.o. 3.4.1. onder 1) en 2) ). Het hof concludeert dat het hoger beroep in zoverre uitsluitend door [DC] is ingesteld. 3.4.5. Hierop sluit aan dat geen grieven zijn gericht tegen de beslissing in het tussenvonnis (zie r.o. 4.3.) dat uitsluitend [DC] heeft te gelden als de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] . Geen grieven zijn voorts gericht tegen de beslissing in het eindvonnis tot afwijzing van de door [DC] ingestelde vordering in reconventie. Het hof zal beide beslissingen daarom tot uitgangspunt nemen. Dit geldt ook voor de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van [geïntimeerde] ’ vordering in conventie tot afgifte van zaken, nu [geïntimeerde] geen (al dan niet incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. 3.4.6. [DC] laat aan de grieven een uitgebreide toelichting vooraf gaan, waarin zij onder meer aangeeft onder welke voorwaarden zij met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd en wat zij met deze voorwaarden wilde bereiken, en waarin zij ter zake bewijs aanbiedt (mvg nr. 10). [DC] wijst erop dat de rechtbank niet met zoveel woorden inzake het ‘totaalpakket’ aan voorwaarden heeft beslist. Het hof constateert dat dit geheel van de (naar wordt gesteld) met [geïntimeerde] gemaakte afspraken een centrale rol speelt in de stellingen [DC] . Gelet hierop en mede gelet op het ter zake door laatstgenoemde gedane bewijsaanbod leest het hof in de desbetreffende onderdelen van de toelichting - zoals ook [geïntimeerde] dat gelet op het gevoerde verweer in de mva heeft gedaan - de grief (hierna: grief 11) dat de rechtbank [DC] ten onrechte niet heeft toegelaten te bewijzen onder welk geheel aan voorwaarden zij met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd. 3.4.7. Bij pleidooi heeft [DC] aangevoerd dat hetgeen de rechtbank heeft overwogen aangaande artikel 6:89 BW niet in stand kan blijven. [geïntimeerde] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat het door [DC] aangevoerde in haar ogen een nieuwe grief is. Dit standpunt is onjuist, omdat hetgeen [DC] tijdens het pleidooi heeft aangevoerd inzake de klachttermijn ex artikel 6:89 BW voortbouwt op het dienaangaande gestelde in de memorie van grieven (nr. 109). Het hof zal het door [DC] in verband met artikel 6:89 BW aangevoerde aanmerken als een afzonderlijke grief (hierna: grief 6a), inhoudende dat de rechtbank (met name in het tussenvonnis van 13 februari 2013, zie r.o. 4.9.) ten onrechte heeft geoordeeld dat [DC] te laat heeft geklaagd over het niet-wekelijks factureren en aan dat oordeel rechtsgevolgen ten nadele [DC] heeft verbonden. Uitgangspunten bij de beoordeling 3.5.1. Alvorens de grieven te behandelen, wijst het hof erop dat [DC] zichzelf op enkele plaatsen in de processtukken aanduidt als ‘hoofdaannemer’ en [geïntimeerde] als ‘onderaannemer’ (zie onder meer de mvg nr. 9). Het hof begrijpt dat [DC] zichzelf als ‘hoofdaannemer’ aanduidt, om daarmee aan te geven dat zij als ‘eigenbouwer’ is opgetreden (met alle fiscale voordelen van dien) en dat zij [geïntimeerde] als ‘onderaannemer’ aanduidt, om daarmee te onderstrepen dat niet [geïntimeerde] , maar [DC] (in de persoon van [medewerker Logistics] ) de werkzaamheden van [geïntimeerde] en van de diverse andere aannemers - als nevenaannemers - zou coördineren. Deze laatste kwestie zal nog nader aan de orde komen, omdat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat aan haar in elk geval een deel van de bouwcoördinatie was opgedragen, zodat zij aanspraak kan maken op een extra vergoeding daarvoor, welke laatste stelling door [DC] wordt betwist. De rechtsrelatie tussen [DC] en [geïntimeerde] moet hoe dan ook worden gekwalificeerd als een aannemingsovereenkomst, met [DC] als opdrachtgever en [geïntimeerde] als aannemer. 3.5.2. Tussen partijen staat vast dat zij bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst voor het geheel van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden niet een vaste prijs of een richtprijs in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW zijn overeengekomen. Dit betekent dat [geïntimeerde] , op grond van dezelfde wettelijke bepaling, in ruil voor de door hem verrichte werkzaamheden, aanspraak kan maken op een redelijke prijs, tenzij komt vast te staan dat partijen voor afzonderlijke onderdelen van de werkzaamheden tot prijsafspraken zijn gekomen. 3.5.3. Zoals hierna zal blijken, verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag óf zij prijsafspraken voor afzonderlijke prestaties hebben gemaakt en zo ja, welke dat zijn. In verband met de stelplicht en de bewijslast ter zake stelt het hof voorop dat de partij die zich op een door haar gestelde prijsafspraak beroept, ten einde te betogen dat deze afspraak moet worden toegepast en niet het bepaalde in artikel 7:752 lid 1 BW inzake de redelijke prijs, de bewijslast van de prijsafspraak draagt; zie HR 21 juni 1968, NJ 1968, 290. De uitleg die [DC] aan dit arrest geeft in haar memorie van grieven (zie de nrs. 76 e.v.) wordt door het hof niet gedeeld. Indien geen van partijen slaagt in het opgedragen bewijs moet - voor zover vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten en het overeengekomen werk is uitgevoerd - in dat geval de hiervoor genoemde redelijke prijs worden bepaald. Bespreking van de grieven 3.6. Het hof zal hierna allereerst de grieven bespreken die betrekking hebben op de bewijslastverdeling en/of die uitmonden in (de herhaling van) een bewijsaanbod. Dit betekent dat onmiddellijk hierna aan de orde komen de grieven 1, 7, 8, 9 en 11. De overige grieven, die hoofdzakelijk betrekking op de waardering van het bewijs inzake de prijsafspraken en voorts op het belang van de klachtplicht ex artikel 6:89 BW en de redelijke prijs in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW, zal het hof bespreken als de bewijslevering is voltooid. 3.7.1. Zoals eerder, in r.o. 3.4.6., overwogen gaat het hof ervan uit dat [DC] als grief 11 aanvoert dat de rechtbank [DC] ten onrechte niet heeft toegelaten te bewijzen dat zij met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd onder specifieke voorwaarden. 3.7.2. [DC] heeft in dit verband als volgt gesteld. [DC] (althans haar rechtsvoorgangers [Beheer] en [Logistics] ) wilde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.