GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 28 april 2016 Zaaknummer : 200.183.573/01 Zaaknummer eerste aanleg : 4418462 EJ VERZ 15-556 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. Y. van der Linden te Helmond, tegen [textielfabriek] Netherlands B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna aan te duiden als [textielfabriek] , advocaat: mr. E. Brenninkmeijer te Helmond. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 15 oktober 2015. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift, tevens houdende een wijziging/vermeerdering van het verzoek, met een productie en het procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 8 januari 2016; het verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie op 16 februari 2016; een productie van de zijde van [appellant] , ingekomen ter griffie op 11 maart 2016; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 oktober 2015; - de op 18 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Van der Linden; - mr. Brenninkmeijer; - de heer [veiligheidskundige in dienst van geintimeerde] , veiligheidskundige in dienst van [textielfabriek] . 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1963, is per 1 november 2011 bij (de rechtsvoorganger van) [textielfabriek] in dienst getreden in de functie van heftruckchauffeur. Zijn laatstelijk genoten loon bedraagt € 2.099,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Bij brief van 27 juli 2015 is [appellant] door [textielfabriek] op staande voet ontslagen. 3.2.1. [appellant] heeft, samengevat, bij inleidend verzoekschrift (primair) verzocht dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt (met nevenverzoeken tot loonbetaling en tewerkstelling en subsidiaire verzoeken). 3.2.2. [textielfabriek] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft zelfstandig verzocht dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [appellant] op de kortst mogelijke termijn ontbindt op grond van artikel 7:671b lid 1 BW en artikel 7:669 lid 2 en 3 sub e en/of g en/of h van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) indien en voor zover het ontslag op staande voet door de kantonrechter wordt vernietigd. 3.3. In de beschikking van 15 oktober 2015 heeft de kantonrechter – kort gezegd en voor zover nu van belang – met betrekking tot het verzoek van [appellant] tot vernietiging van het ontslag op staande voet, [textielfabriek] een bewijsopdracht gegeven. Met betrekking tot het zelfstandige verzoek van [textielfabriek] heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2015 ontbonden voor zover deze nog bestaat. 3.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: primair: te oordelen dat de kantonrechter de (voorwaardelijke) ontbinding ten onrechte heeft toegewezen en [textielfabriek] te veroordelen om met terugwerkende kracht tot 1 december 2015 – of een door het hof te bepalen andere datum – de arbeidsovereenkomst met [appellant] te herstellen onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als vóór 1 december 2015 op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag, althans een door het hof te bepalen bedrag, met een maximum van € 100.000,00 voor elke dag dat [textielfabriek] , na 5 dagen na het wijzen van de beschikking, niet voldoet aan de beschikking; subsidiair: te oordelen dat de kantonrechter de (voorwaardelijke) ontbinding ten onrechte heeft toegewezen en [textielfabriek] te veroordelen tot het voldoen van een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto; meer subsidiair: - zo de arbeidsovereenkomst volgens het hof terecht (voorwaardelijk) is ontbonden, aan [appellant] een transitievergoeding toe te kennen van € 4.177,00 bruto en een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto, dan wel een door het hof te bepalen bedrag; - zo de arbeidsovereenkomst volgens het hof terecht (voorwaardelijk) is ontbonden, aan [appellant] te verstrekken een salarisspecificatie, waarin de betaling van de transitievergoeding en de billijke vergoeding is verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een door het hof te bepalen bedrag, met een maximum van € 10.000,00, voor elke dag dat [textielfabriek] , na 5 dagen na het wijzen van de beschikking, niet voldoet aan de beschikking; - zo de arbeidsovereenkomst volgens het hof terecht (voorwaardelijk) is ontbonden, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking; primair, subsidiair en meer subsidiair: [textielfabriek] te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen. 3.4.2. [appellant] heeft vijf gronden voor het hoger beroep aangevoerd. Alle gronden hebben betrekking op dat deel van de bestreden beschikking waarmee de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk heeft ontbonden. [textielfabriek] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Mogelijkheid voorwaardelijke ontbinding 3.5. Het hof overweegt allereerst het volgende. In het onderhavige geschil is de vraag aan de orde of na de wijzigingen inzake het ontslagrecht die met de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2015 hebben plaatsgehad, er nog ruimte bestaat voor een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Met zijn eerste beroepsgrond wijst [appellant] erop dat deze mogelijkheid niet meer past in het systeem van de WWZ en niet meer past bij de bedoeling van de WWZ om het ontslagrecht te vereenvoudigen. 3.6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 oktober 1983 (Nijman/X, ECLI:NL:HR:1983:AG4670, NJ 1984, 296) het volgende overwogen: “Het onderhavige geval wordt daardoor gekenmerkt dat het effect van het door de werkgever aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet, onzeker is, nu de werknemer binnen de in art. 9 lid 2 BBA 1945 genoemde termijn de nietigheid van het ontslag, als opleverende een handeling in strijd met artikel 6 lid 1 heeft ingeroepen. Het kan geruime tijd duren voordat op dit punt bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak zekerheid is verkregen. Derhalve mag ervan worden uitgegaan dat de werkgever er in het algemeen een gerechtvaardigd belang bij heeft om in zodanig geval voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 1639w te vragen, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door het aan de werknemer op staande voet gegeven ontslag. Geen rechtsregel verzet zich tegen een dergelijke gang van zaken en aan de toewijsbaarheid van een zodanig verzoek tot ontbinding staan in het bijzonder niet in de weg omstandigheden als de Rb. blijkens het hierboven (3.3) overwogene op het oog had. Immers ook bij het zich voordoen van dergelijke omstandigheden strookt een zodanige gang van zaken met aard en strekking van de in artikel 1639w geregelde procedure, die is gericht op een spoedige beslissing, waaraan ook in een geval als het onderhavige behoefte is. De kans op ‘tegenstrijdige beslissingen’ – waarmee de Rb. doelt op de omstandigheid dat het oordeel van de Ktr. omtrent de aanwezigheid van gewichtige redenen de ontslagrechter niet bindt – levert onvoldoende grond op voor het aanvaarden van de door de Rb. aangenomen beperking, gezien het verschil in aard van de beide procedures, welk verschil meebrengt dat de vaststelling en weging van de feiten niet op dezelfde wijze geschiedt.”. 3.7. In de literatuur wordt wel bepleit dat met de inwerkingtreding van de WWZ de door de Hoge Raad in dit arrest genoemde argumenten om een verzoek als het onderhavige toelaatbaar te achten, niet meer opgaan. Ook [appellant] heeft dat standpunt ingenomen. Het hof is van oordeel dat het mogelijk is om in een situatie als hier aan de orde, waarin de kantonrechter nog geen oordeel heeft gegeven over het verzoek tot vernietiging van de opzegging in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW (ontslag op staande voet), ontbinding te verzoeken van de arbeidsovereenkomst, voor het geval de opzegging door de kantonrechter wordt vernietigd. Daartoe is het volgende redengevend. 3.8. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat met de WWZ is beoogd een einde te maken aan de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst te ontbinden in een situatie als de onderhavige. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de WWZ beoogt sneller duidelijkheid te geven over de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet. Daartoe is de termijn waarbinnen de werknemer dient op te komen tegen een ontslag op staande voet verkort van zes maanden naar twee maanden. Voorts dient de rechter het verzoek tot vernietiging van de opzegging binnen vier weken in behandeling dient te nemen. Dit alles betekent echter niet zonder meer dat de werkgever binnen afzienbare tijd een definitief oordeel heeft over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet, omdat, net als voorheen, in veel gevallen bewijslevering zal moeten plaatsvinden. 3.9. In dit geval is het ontslag op staande voet op 27 juli 2015 gegeven. Dat betekent dat [textielfabriek] al ruim negen maanden onzekerheid heeft over de vraag of het ontslag op staande voet stand gaat houden en zij het risico loopt dat zij nog zeker negen maanden loon dient te betalen. Daarin ligt het belang van [textielfabriek] bij haar verzoek. 3.10. Weliswaar is vanwege de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie een beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet meer definitief, zoals de beslissing op grond van het tot 1 juli 2015 geldende artikel 7:685 BW dat wel was (uitzonderingen daargelaten), maar ook in hoger beroep wordt het belang van voortvarend procederen onderkend en daarmee wordt rekening gehouden (zie Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven). 3.11. Het hof heeft daarbij onder ogen gezien dat art. 7:680a BW de mogelijkheid biedt om de loonaanspraak als gevolg van een vernietiging van de opzegging te matigen. Wanneer ervan uitgegaan dient te worden dat, in geval van vernietiging van de opzegging, de loonvordering van [appellant] zal worden gematigd, dan zou dat kunnen leiden tot de slotsom dat [textielfabriek] onvoldoende belang heeft bij het onderhavige verzoek. Het hof gaat er echter vanuit dat matiging op grond van artikel 7:680a BW gezien de tekst van dat artikel nog steeds slechts mogelijk is indien toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden (vgl. o.m. HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7347). Vanwege de redactie van artikel 7:680a BW is het overigens de vraag of deze bepaling betrekking kan hebben op de periode tussen de datum waarop de kantonrechter de opzegging vernietigt en de beslissing daarover in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat er te veel onzekerheid is over de vraag of een loonvordering van een werknemer na een ontslag op staande voet zodanig kan worden gematigd, dat een werkgever geen of onvoldoende belang meer heeft bij een verzoek als hier aan de orde. Het hof ziet in het argument van loonmatiging dus onvoldoende reden om ervan uit te gaan dat [textielfabriek] geen belang heeft bij het onderhavige verzoek. Ook over de risicoverdeling van artikel 7:628 BW bestaat onduidelijkheid (daarmee doelt het hof op de vraag voor wiens risico het komt dat de arbeid niet is verricht en of op grond van de uitkomst daarvan de werkgever al dan niet gehouden is tot loondoorbetaling). Vooralsnog gaat het hof ervan uit dat er geen wijziging is gekomen in de risicoverdeling in een situatie als hier aan de orde, te weten de situatie dat, indien de kantonrechter de opzegging zal vernietigen, [textielfabriek] in beginsel gehouden is het loon alsnog te betalen aan [appellant] tot de datum van voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 3.12. [appellant] heeft onder meer gesteld dat zijn belangen zich verzetten tegen het verzoek van [textielfabriek] . Het hof onderkent dat de belangen van [appellant] tegengesteld zijn aan die van [textielfabriek] , maar dat heeft niet tot gevolg dat [textielfabriek] geen belang heeft bij het onderhavige verzoek. Kennelijk ziet [appellant] over het hoofd dat het bij de beoordeling van de vraag of [textielfabriek] ontvankelijk geacht moet worden in haar verzoek, gaat om de vraag of [textielfabriek] voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het belang van [textielfabriek] en niet om een afweging van het belang van [textielfabriek] tegenover de belangen van [appellant] . 3.13. Het hof ziet in dat het aanvaarden van de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding leidt tot een extra procedure. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de regering was om te vereenvoudigen en te dejuridiseren. Het hof acht deze doelstellingen echter niet doorslaggevend en van minder gewicht dan het belang van een werkgever om de arbeidsovereenkomst te kunnen laten ontbinden voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt. Daarbij benadrukt het hof dat het gaat om een situatie waarin de kantonrechter nog geen definitief oordeel heeft gegeven over het verzoek tot vernietiging van de opzegging wegens een dringende reden. Denkbaar is dat een opzegging wegens een dringende reden door de kantonrechter wordt vernietigd, maar dat de omstandigheden die aan dat ontslag op staande voet ten grondslag liggen wel voldoende zijn voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook is denkbaar dat het ontslag op staande voet geen stand houdt, omdat bijvoorbeeld niet is voldaan aan de onverwijldheidseis. Niet goed valt in te zien waarom een werkgever in dergelijke situaties niet, nadat de werknemer een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet, de mogelijkheid zou mogen hebben om een einde van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen door een ontbinding voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt. Aangezien de eisen die aan een ontslag op staande voet gesteld worden streng zijn, is denkbaar dat de keuze van een werkgever om de werknemer op staande voet te ontslaan wel begrijpelijk is, maar toch niet te rechtvaardigen valt, maar dat de reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.