GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 16 juni 2016 Zaaknummer : 200.187.198/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/306345 / JE RK 15-1998 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.G. Matze, tegen Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna te noemen: de GI. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader), advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2015. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016, heeft de moeder, zoals verduidelijkt ter zitting van het hof, verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen [minderjarige 1] betreft. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op [geboortedatum] 2016, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. Het hof heeft deze zaak om doelmatigheidsredenen gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 200.185.309/01. In beide zaken zal afzonderlijk worden beslist. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Matze; - de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] ; - de vader, bijgestaan door mr. Schijvenaars. 2.3.1. Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] uitgenodigd haar mening kenbaar te maken. Bij bericht van 29 maart 2016 heeft de pleegmoeder van [minderjarige 1] het hof - zakelijk weergegeven - laten weten dat [minderjarige 1] niet in staat is zich ter zake een mening te vormen. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, op grond waarvan - zoals hierna onder 3.9.4. weergegeven - is gebleken dat het verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin op zichzelf beschouwd door de moeder niet wordt betwist, heeft het hof, gezien met name ook de beperkte mogelijkheden en geringe belastbaarheid van [minderjarige 1] , in het belang van [minderjarige 1] met instemming van alle belanghebbenden er van afgezien [minderjarige 1] ter zake te horen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 december 2015; het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 8 april 2016; de brief met bijlage van de GI d.d. 2 mei 2016. 3De beoordeling 3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ) geboren. 3.2. [minderjarige 1] staat sinds 19 december 2013 onder toezicht van de GI. 3.3. [minderjarige 1] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 28 april 2015 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. 3.4. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 19 december 2016 alsmede de aan de GI verleende machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs verlengd met ingang van 19 december 2015 tot uiterlijk 19 december 2016. 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ter zitting heeft zij haar grief inhoudende dat [minderjarige 1] ten onrechte niet is gehoord, ingetrokken, evenals haar in het beroepschrift geformuleerde verzoek om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. 3.6. De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan. [minderjarige 1] is in verband met haar schoolgang naar Kentalis in een gastgezin, thans het pleeggezin, geplaatst, maar uit niets is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het verleden heeft de moeder bewezen dat zij heel goed in staat om de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 1] zelf op zich te nemen. Bij de moeder thuis voelt [minderjarige 1] zich veilig en is zij niet gespannen. De toon van de gezinsrapportage van Intervence is onjuist. Het rapport suggereert dat er tussen de ouders geen communicatie mogelijk is en dat [minderjarige 1] daaronder lijdt en tussen de kampen in staat. De werkelijkheid is veel gecompliceerder. (Pas) na een cursus ‘huiselijk geweld’ en contact met Stichting Zijweg heeft de moeder zich gerealiseerd dat zij en de kinderen jarenlang hebben verkeerd in een situatie van huiselijk geweld en machtsvertoon van de vader. De moeder is doodsbang voor de vader, die naar buiten toe mooi weer speelt. Daarnaast staan er een aantal feitelijke onjuistheden in het rapport. Zo zijn de aanbevelingen van Auris de Kring in het belang van [minderjarige 1] niet opgevolgd omdat de vader dat tegenhield en zijn niet de ouders maar is de vader overbeschermend ten opzichte van [minderjarige 1] . Intervence lijkt alles wat de moeder doet in een negatief daglicht te zetten. De moeder probeert op rustige wijze met de vader te communiceren. Zij spreekt niet slecht over de vader tegen [minderjarige 1] . In aanvulling op het vorenstaande voert de moeder ter zitting aan dat er weliswaar sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , maar dat deze niet door de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewend, nu [minderjarige 1] ten tijde van de (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.