GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek Registratienummer: 200.183.944/01 Datum uitspraak: 13 januari 2016 BESLISSING op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaken met zaaknummers 14/00555, 14/00556 en 14/00557 van [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker tegen de inspecteur van de Belastingdienst, hierna te noemen: de Inspecteur, strekkende tot wraking van mr. A.J. Kromhout (hierna te noemen: mr. Kromhout) 1Het procesverloop Bij brief van 7 januari 2016, binnengekomen op 8 januari 2016, is door verzoeker het wrakingsverzoek gedaan. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 13 januari 2016 behandeld, alwaar verzoeker, vergezeld van zijn vader, is verschenen en gehoord. Bij die gelegenheid heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht. Mr. Kromhout heeft schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten en geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord. Mr. Kromhout heeft wel gebruik gemaakt van de gelegenheid schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek. Een afschrift van deze schriftelijke reactie is ter zitting aan verzoeker verstrekt. De zitting is enige tijd geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de reactie. Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de voorzitter het onderzoek gesloten. Na beraad in raadkamer heeft de wrakingskamer aanstonds mondeling deze uitspraak gedaan. Van de zitting van de wrakingskamer is een proces-verbaal opgemaakt. 2Het standpunt van verzoeker Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Mr. Kromhout heeft als raadsheer-commissaris (hierna: RC) een regiezitting gehouden. Tijdens die regiezitting is gebleken dat tussen partijen geen geschil bestaat over de zogenoemde geluidsopnamen. De Inspecteur heeft de geluidsopnamen laten vallen onder de geheimhouding; verzoeker heeft zich daar niet tegen verzet en de Inspecteur heeft gesteld dat de geluidsopnamen geen rol spelen in zijn verweer en dat hij deze ook niet beluisterd heeft. De RC heeft geoordeeld dat de CD-rom, bevattende de geluidsopnamen, een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb betreft en heeft de Inspecteur verzocht die in het geding te brengen, hetgeen laatstgenoemde heeft gedaan. Dat besluit heeft zwaar ingebroken op de procespositie die partijen in alle vrijheid hadden ingenomen en de procespositie van verzoeker ten opzichte van de Inspecteur is daarbij aanzienlijk verslechterd. Verzoeker stelt dat mr. Kromhout zijn processuele bevoegdheden te buiten is gegaan door de Inspecteur te verplichten de CD-rom, die beide partijen binnen hun ingenomen procespositie niet aanmerken als “op de zaak betrekking hebbend”, in te brengen. Mr. Kromhout heeft daarmee de schijn van partijdigheid over zich afgeroepen. Op 15 januari 2016 is een onderzoek ter zitting voor de meervoudige Belastingkamer gepland. Het is verzoeker gebleken dat de Inspecteur geen invulling heeft gegeven aan zijn recht dat voortvloeit uit artikel 8:58 van de Awb, te weten het indienen van nadere stukken tot tien dagen voor de zitting. Verzoeker wenst binnen het kader van zijn verdediging voorafgaand aan de zitting te weten over welke stukken de Inspecteur beschikt en of verzoeker over dezelfde stukken beschikt. De Inspecteur had daar een standpunt over moeten innemen en dit moeten mededelen aan de Belastingkamer. De Inspecteur weigert te bevestigen dat verzoeker over dezelfde stukken beschikt. Mr. Kromhout had daar op toe moeten zien; het staat hem binnen de invulling van zijn taken niet vrij zaken die van essentieel belang zijn binnen de voorbereiding van de verdediging van de burger te laten liggen tot de zitting van de meervoudige Belastingkamer. Ook om deze reden heeft mr. Kromhout daarmee de schijn van partijdigheid over zich afgeroepen. 3Het standpunt van mr. Kromhout Kort samengevat heeft mr. Kromhout in zijn schriftelijke reactie het volgende aangevoerd. Mr. Kromhout stelt voorop dat de meervoudige Belastingkamer niet is gebonden aan de door de RC genomen beslissingen. Mocht de meervoudige Belastingkamer de beslissingen van de RC overnemen en verzoeker in het ongelijk stellen, dan kan verzoeker deze beslissingen in cassatie bij de Hoge Raad aan de orde stellen. Mr. Kromhout is van mening dat niet vaststaat dat beide partijen hebben gewild dat de CD‑rom niet tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb wordt gerekend. Mr. Kromhout wijst voorts op het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1182). Mr. Kromhout stelt dat is aangegeven dat, zoals te doen gebruikelijk, geen tussenbeslissing wordt gegeven met betrekking tot de vraag of de Inspecteur voorafgaand aan de zitting nog stukken mag indienen. Ter zitting van de meervoudige Belastingkamer kan verzoeker nog bepleiten waarom bepaalde stukken als zijnde tardief dienen te worden beschouwd en kan hij een verzoek om aanhouding doen indien hij zich in een processueel nadelige positie vindt gemanoeuvreerd. Mr. Kromhout concludeert dat er in alle redelijkheid niet tot een schijn van vooringenomenheid kan worden geconcludeerd. 4De beoordeling 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.