GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.162.142/01 arrest van 2 augustus 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M. Kokx te Eindhoven, tegen Samenwerkingsstichting Voortgezet Onderwijs Regio Venlo, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als OGVO, advocaat: mr. C.M.H.M. van Oijen te Limburg, op het bij exploot van dagvaarding van 28 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 oktober 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en OGVO als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2692658 CV EXPL 14-428) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met een productie en een eiswijziging; de memorie van antwoord. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] is van 15 november 1999 tot 1 oktober 2012 bij OGVO in dienst geweest als docent B. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2012 beëindigd. De in dat kader gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een op 27 juni 2012 gedateerde vaststellingsovereenkomst. 3.1.2. In artikel 3 van die vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald: “3.1. Indien werknemer per 1 oktober 2012 nog geen nieuwe inkomsten elders heeft verworven, ontstaat op basis van de CAO-VO, bij gelijkblijvende regelgeving, aanspraak op een bovenwettelijke en aansluitende werkloosheidsuitkering (WOVO). Het recht hierop ontstaat gelijktijdig met de aanspraak op een WW-uitkering op 1 oktober 2012. De uitkering bedraagt conform de thans vigerende regelgeving 78% van het laatstgenoten inkomen gedurende het eerste jaar en 70% vanaf het tweede jaar. Gedurende de uitkeringsperiode bedraagt de pensioenopbouw 37,5%. 3.2. Binnen één maand na de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal werkgever een eindafrekening opmaken en betalen terzake vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en bindingstoelage. 3.3. Aan de werknemer wordt een vergoeding toegekend ter hoogte van € 20.000,-. Werknemer kan deze vergoeding, alsmede een evt. beschikbaar komend bedrag als bedoeld in artikel 2.3, naar eigen inzicht besteden, bijvoorbeeld ten behoeve van (een combinatie van): - bijstorting in de pensioenvoorziening via de werkgever, althans voor zover toegestaan op grond van fiscale regelgeving en het pensioenreglement; - doorbetaling van salaris; - uitbetaling van een bedrag ineens; - storting bij een verzekeraar of bankinstelling.”. 3.1.3. OGVO is per 1 juni 2013 gestopt met het afdragen van pensioenpremies aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). 3.2. [appellant] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat OGVO wordt veroordeeld tot afdracht van pensioenpremies vanaf 1 januari 2013 tot 1 mei 2016 (de eerste dag van de maand waarin [appellant] 65 jaar wordt) op straffe van verbeurte van dwangsommen. Daaraan heeft hij de stelling ten grondslag gelegd dat hij dit met OGVO is overeengekomen en dat dit blijkt uit artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst. OGVO heeft zich tegen die vordering verweerd. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. 3.3. [appellant] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof gaat ervan uit dat de vermelding dat de dagvaarding op 28 november 2015 is betekend aan OGVO, berust op een kennelijke verschrijving. De betekening zal hebben plaatsgevonden op 28 november 2014, aangezien de betekende dagvaarding al op 8 december 2014 door de griffie van het hof is ontvangen. [appellant] heeft onder aanvoering van zes grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Voorts heeft hij gevorderd dat OGVO wordt veroordeeld - om binnen 10 dagen na betekening van het te wijzen arrest de vanaf 1 juni 2013 verschuldigde pensioenpremies af te dragen aan het ABP te Heerlen, op straffe van betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien OGVO in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen; - om de tot 1 mei 2016 nog verschuldigde pensioenpremies op de gebruikelijk wijze en tijdstippen af te dragen aan het ABP te Heerlen, op straffe van betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien OGVO in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen; - tot betaling van een bedrag groot € 300,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van OGVO in de kosten van het geding in beide instanties, het salaris van de gemachtigde van [appellant] en het griffierecht daaronder begrepen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De eis is verminderd ten opzichte van de eis in eerste aanleg. OGVO heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 3.4. In eerste aanleg verschilden partijen kennelijk nog van mening over de vraag of OGVO ook na 1 december 2012 pensioenpremies voor [appellant] verschuldigd was aan het ABP. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat dit geval was en dat in ieder geval tot 1 juni 2013 pensioenpremies door OGVO afgedragen moesten worden. Dit is ook gebeurd (zie r.o. 3.1.3). Laatstgenoemde datum houdt verband met het bereiken van de leeftijd van 62 jaar door [appellant] . Volgens OGVO heeft zij geen verplichting meer tot premieafdracht vanaf die leeftijd. Het gaat in hoger beroep dus om de vraag of OGVO ook pensioenpremies verschuldigd is nadat [appellant] 62 jaar is geworden. Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] in hoger beroep aldus, dat hij ook na 1 juni 2013 recht heeft op premieafdracht, omdat hij dit met OGVO is overeengekomen, namelijk tot 1 mei 2016 (de maand waarin hij 65 jaar wordt). Dat blijkt volgens [appellant] uit de tekst van artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat OGVO zich daartoe inderdaad heeft verbonden. Daartoe is het volgende redengevend. 3.5. In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 3.1 bepaald: “Gedurende de uitkeringsperiode bedraagt de pensioenopbouw 37,5%.”. In de daaraan voorafgaande passage wordt melding gemaakt van “bovenwettelijke en aansluitende werkloosheidsuitkering (WOVO)” en van “de aanspraak op een WW-uitkering op 1 oktober 2012”. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst volgt dus dat OGVO pensioenpremies dient af te dragen zolang [appellant] een uitkering ontvangt. OGVO heeft niet gesteld, en dat blijkt ook nergens uit, dat [appellant] slechts tot de leeftijd van 62 jaar recht heeft op een WW-uitkering. OGVO heeft wel in eerste aanleg aangevoerd dat de WOVO niet langer duurt dan de leeftijd van 62 jaar, maar dat blijkt nergens uit en in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst wordt voor wat betreft de pensioenafdracht aansluiting gezocht bij ‘de uitkeringsperiode’ zonder onderscheid te maken in WW of WOVO. 3.6. In eerste aanleg heeft OGVO over deze passage in de vaststellingsovereenkomst het volgende opgemerkt: “De verwijzing naar de pensioenopbouw gedurende de uitkeringsperiode werd in de overeenkomst opgenomen om geen misverstand over de pensioenopbouw te laten ontstaan. Gedurende de periode dat de werknemer een WW- en WOVO uitkering ontvangt is de werkgever (die eigen risicodrager
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.