GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.151.078/01 arrest van 16 augustus 2016 in de zaak van [eiser in de herroepingsprocedure] , wonende te [woonplaats] , eiser in de herroepingsprocedure, hierna aan te duiden als [eiser in de herroepingsprocedure] , advocaat: mr. P.C. Schouten te Breda, tegen Inbev Nederland N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in de herroepingsprocedure, hierna aan te duiden als Inbev, advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum, bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2014 (abusievelijk gericht tegen Inbev Nederland B.V.) heeft [eiser in de herroepingsprocedure] herroeping gevorderd van het op 25 maart 2014 tussen partijen onder zaaknummer HD 200.133.590/01 gewezen arrest van dit hof. 1Het geding Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 10 oktober 2012, 13 maart 2013 en 19 juni 2013 tussen eiser in de herroepingsprocedure – [eiser in de herroepingsprocedure] – als gedaagde en gedaagde in de herroepingsprocedure – Inbev als eiseres. Voor het geding in hoger beroep verwijst het hof naar voornoemd arrest van dit hof. 2Het geding in de herroepingsprocedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van het hoger beroep. 3De beoordeling 3.1. [eiser in de herroepingsprocedure] vordert het arrest van 25 maart 2014 tussen [eiser in de herroepingsprocedure] en Inbev gewezen te herroepen en het geding te heropenen in de stand die het hof gerade acht. 3.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Tussen Inbev als verhuurder en D’n Heilige Antonius V.O.F. (hierna de vof) als huurder heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot (een gedeelte van) het pand aan de [pand] te [vestigingsplaats] ten behoeve van de exploitatie van een café. De vof werd bij die overeenkomst vertegenwoordigd door haar vennoten [eiser in de herroepingsprocedure] en [vennoot 2] . Daarnaast heeft [eiser in de herroepingsprocedure] op 4 februari 2009 een offerte van Inbev, gedateerd op 16 december 2008, voor akkoord getekend. In de offerte staan allerlei bedragen aan kortingen en bonussen vermeld. In de offerteovereenkomst is door Inbev een tweetal leningen verstrekt ten bedrage van € 21.663,- en € 4.853,-. Daarop is gedeeltelijk afgelost. 3.3. Op vordering van Inbev heeft de kantonrechter [eiser in de herroepingsprocedure] bij vonnis van 19 juni 2013 veroordeeld tot betaling aan Inbev van € 14.728,90 ter zake van de leningen, te vermeerderen met de incassokosten en wettelijke rente. In het door [eiser in de herroepingsprocedure] ingestelde hoger beroep heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter bij arrest van 25 maart 2014 bekrachtigd onder niet-ontvankelijkverklaring van [eiser in de herroepingsprocedure] in zijn subsidiaire vordering in hoger beroep, gegrond op dwaling. 3.4. Aan zijn vordering tot herroeping legt [eiser in de herroepingsprocedure] ten grondslag dat het arrest van dit hof berust op stukken waarvan de valsheid na het arrest is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, althans dat het berust op het bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd. [eiser in de herroepingsprocedure] voert daartoe aan dat Inbev tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard dat de bonussen vanaf 2010 zijn uitbetaald aan de vof, terwijl Inbev bij brief van 25 maart 2014 – de dag van het wijzen van het arrest van dit hof – heeft verklaard dat de bonussen vanaf 2010 zijn geboekt ten behoeve van D’n Heiligen Antonius B.V. (hierna: de bv). Op grond van deze (nieuwe) informatie dient te worden geconcludeerd dat tussen Inbev en de bv een overeenkomst moet bestaan over (overgang van ) de bonussen en kortingen naar de bv. Ook blijkt hieruit dat de toezegging van Inbev de bonussen en kortingen over 2010 tot en met 2013 in mindering te brengen op het door [eiser in de herroepingsprocedure] verschuldigde niet gestand wordt gedaan: er is een te hoge vordering toegewezen, aldus nog steeds [eiser in de herroepingsprocedure] . 3.5. Inbev heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd komt dat verweer er op neer dat de ter zitting gedane verklaring over de uitbetaling van de bonussen over de jaren 2010, 2011 en 2012 achteraf niet juist bleek te zijn maar dat van bedrog geen sprake is nu de mededeling ter zitting niet opzettelijk vals of onjuist is gedaan. Van valse stukken is evenmin sprake. Ook als het hof ter zitting juist zou zijn geïnformeerd over de uitbetaling van de bonussen, dan had dit niet geresulteerd in een ander oordeel van het hof nu dat oordeel niet (uitsluitend) op de uitbetaling van de bonussen is gebaseerd. 3.6. Op grond van artikel 382 Rv kan een arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien aan één van de in dat artikel limitatief opgesomde gronden voor herroeping is voldaan: a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd; b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of c. de partij die na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. 3.7. Ingevolge artikel 383 lid 1 Rv dient het rechtsmiddel te worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Die termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (25 juni 2014). [eiser in de herroepingsprocedure] is bij faxbrief van 25 maart 2014, 16:26 uur, bekend geworden met de grond voor herroeping en heeft op 16 juni 2014 zijn vordering tot herroeping bij dit hof ingesteld bij dagvaarding. Hoewel de herroeping is ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan, dient het hof – gelet op de aanvang van de termijn bedoeld in artikel 383 lid 1 Rv – te onderzoeken of de vordering niet voortijdig is ingesteld en – bij positieve beantwoording – of dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. Tot 25 juni 2014 kon immers nog beroep in cassatie worden ingesteld. Het hof merkt op dat de dagvaardingstermijn samenloopt met de cassatietermijn nu de gestelde herroepingsgronden door [eiser in de herroepingsprocedure] werden ontdekt op de dag dat het hof (eind)arrest wees. 3.7.1. Met de termijn van artikel 383 Rv is niet meer beoogd dan aan te geven tot welk tijdstip de vordering tot herroeping uiterlijk kan worden aangewend. Uit de memorie van toelichting volgt dat, zolang een gewoon rechtsmiddel mogelijk is, de weg van het buitengewone rechtsmiddel van herroeping niet openstaat. De bepaling is volgens de toelichting in het leven geroepen om te voorkomen dat de termijn ten dele samenloopt met de termijn voor het stellen van hoger beroep in gevallen waarin de herroepingsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.