GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 8 september 2016 Zaaknummer : 200.189.982/01 Zaaknummer eerste aanleg : 4651262 \ EJ VERZ 15-763 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven, tegen [verweerster] Industrial Components B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [verweerster] , advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 9 februari 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 20 april 2016; het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis, met producties, ingekomen ter griffie op 6 juni 2016; het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 16 juni 2016; een V6-formulier van [appellant] met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2016; de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 januari 2016; - de op 8 juli 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Drykoningen; - de heer [directeur verweerster 1] en mevrouw [directeur verweerster 2] , beiden directeur van [verweerster] , bijgestaan door mr. Nieuwenhuizen; - de ter zitting door beide advocaten overgelegde pleitaantekeningen. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling In het principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1966, is op 2 april 1990 in dienst getreden bij [verweerster] als commercieel en technisch binnendienst medewerker. De laatste functie die [appellant] heeft vervuld is die van marketing- en salesmanager, met een salaris van € 7.498,79 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is het arbeidsvoorwaardenreglement van [verweerster] van toepassing. Artikel 8 van dit reglement luidt als volgt:“8. GEHEIMHOUDING a. Gedurende en na het beëindigen van het dienstverband zal de werknemer volstrekte geheimhouding betrachten omtrent hetgeen in de uitoefening van zijn functie ter vertrouwelijke kennis komt of is gekomen in verband met de bedrijfsaangelegenheden van werkgever en/of van zijn opdrachtgevers, zoals bijvoorbeeld bijzonderheden betreffende procedures, contracten, marketingplannen, databestanden, etcetera. Dit op straffe van verbeurte aan werkgever een ineens opvorderbare boete zonder sommatie of ingebrekestelling van € 450,- onverminderd werknemers gebondenheid tot betaling van een volledige schadevergoeding te dezer zaak, indien deze meer dan gemeld boetebedrag mocht belopen. Het niet nakomen van deze geheimhoudingsplicht vormt, in geval van een nog lopend dienstverband, een dringende reden tot ontslag op staande voet. b. Onder vertrouwelijke kennis wordt begrepen: kennis waarvan werknemer de vertrouwelijkheid begrijpt of dient te begrijpen. Bovendien dient werknemer alle redelijk te achten maatregelen te treffen om te voorkomen dat personen, die geen kennis behoren te dragen van bedrijfsaangelegenheden als hiervoor bedoeld, de gelegenheid zou worden geboden van bedrijfsaangelegenheden kennis te nemen. c. Bij beëindiging van het dienstverband dient de werknemer alle documenten en bescheiden die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zijn berusting heeft gekregen, ongevraagd of onverwijld bij de werkgever in te leveren, ook al zijn ze gesteld of getekend op papier of andere informatiedragers van de werknemer of aan de werknemer persoonlijk geadresseerd.” 3. Artikel 17.3.2. sub a en c van het arbeidsvoorwaardenreglement van [verweerster] luidt als volgt:“17.3.2. Richtlijnen voor internet- en e-mail gebruik a. Zorg ervoor dat vertrouwelijke informatie betreffende werkgever, klanten van werkgever of werknemers wordt beschermd. (…) c. Zorg dat vertrouwelijke informatie voor anderen ontoegankelijk is opgeslagen in de computer.” 4. Op 9 november 2015 heeft de heer [directeur verweerster 1] , directeur van [verweerster] , de volgende e-mail aan [appellant] verzonden:“ [appellant] , Onlangs zijn er 3 orders van Accell Hunland niet aangekomen bij de orderinvoer van productie. Volgens Accell Hunland waren deze wel per e-mail verstuurd, ter attentie van jou. [directeur verweerster 2] heeft je daar per e-mail op gewezen op 11 en 27 oktober 2015. Je hebt aan [directeur verweerster 2] gemeld (per e-mail op maandag 2-11) dat deze e-mails niet in je mailbox stonden, met de vraag of deze wel aan jou waren verstuurd. We hebben Cleverit gevraagd om dit na te gaan. Zij hebben bevestigd dat deze mails (3 in totaal) in jouw mailbox zijn afgeleverd, 1 mail op 23-9 en 2 mails op 7-10. Daarbij hebben zij ook gezien dat er op 2 en 3 november jl. een 20-tal mailtjes door jou zijn verstuurd aan je privé mail adres (…) Je weet dat dit niet toegestaan is binnen ons bedrijf. Tijdens de procedure en de rechtbank zitting van het ontslag van (…), waarbij je zelf als leidinggevende betrokken bent geweest, is dit nota bene aan de orde geweest. Je was over het feit dat (…) dit had gedaan zelfs hoogst verontwaardigd. Je hebt tijdens het gesprek met [directeur verweerster 2] en mij op vrijdag 6 november aangegeven dat er door jou geen informatie over klanten, projecten (kortom commerciëel gevoelige informatie) naar je privé gestuurd is. Je hebt ook aangegeven uitsluitend e-mails naar je privé adres gestuurd te hebben ter verdediging van je eigen positie in het geval van een juridische procedure, daarbij refererend aan de gesprekken die tot nu toe gevoerd zijn met [vertegenwoordiger verweerster] en ondergetekende aangaande je stijl van communiceren en leidinggeven. We hebben afgesproken dat we dit met jouw toestemming gaan controleren.” 5) [verweerster] heeft vervolgens nader onderzoek laten verrichten. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat [appellant] in totaal 2.455 prijscalculaties op een usb-stick heeft gezet:- op 10 februari 2015 1.226 prijscalculaties;- op 18 augustus 2015 597 prijscalculaties;- op 27 augustus 2015 397 prijscalculaties;- op 28 augustus 2015 235 prijscalculaties.Ook bleek uit dit onderzoek dat [appellant] sinds december 2014 diverse sollicitaties heeft verricht. 3.2.1. In de onderhavige procedure heeft [verweerster] in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op een zo kort mogelijke termijn, kosten rechtens. 3.2.2. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek gedaan. [appellant] heeft, samengevat, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzocht bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en om toekenning van een transitievergoeding van € 91.777,- bruto en een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] van € 75.000,- bruto op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW, beide vergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. 3.3. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang, de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 maart 2016 en [verweerster] veroordeeld om aan [appellant] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,- bruto. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] voor het overige afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 3.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep, tot het alsnog toewijzen van zijn verzoek tot toekenning van een transitievergoeding van € 91.777,- bruto en tot toekenning van een billijke vergoeding van € 75.000,- op grond van artikel 7:683 lid 3 BW. 3.4.2. [verweerster] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de grieven. Zij heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd en verzocht de beschikking waarvan hoger beroep te vernietigen voor zover daarbij aan [appellant] een billijke vergoeding is toegekend van € 25.000,- bruto, met veroordeling van [appellant] om aan [verweerster] terug te betalen al hetgeen [verweerster] ter uitvoering van die beschikking aan [appellant] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft [verweerster] in het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep haar verzoek vermeerderd in die zin dat zij in hoger beroep tevens verzoekt [appellant] te veroordelen om de pincode van de door hem ingeleverde iPad aan [verweerster] bekend te maken, op straffe van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] deze eisvermeerdering vervolgens ingetrokken. [appellant] heeft hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Het vermeerderde verzoek van [verweerster] behoeft derhalve geen bespreking en beoordeling. 3.5. [appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten. 3.6. Voordat de grieven worden besproken overweegt het hof als volgt. De kantonrechter heeft [verweerster] in het dictum veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto (r.o. 6.3 van de beschikking waarvan beroep). Partijen gaan er in hoger beroep van uit dat hiermee is bedoeld om aan [appellant] een transitievergoeding (en niet een billijke vergoeding) van € 25.000,- toe te kennen en dat het verzoek van [appellant] tot toekenning van een billijke vergoeding (en niet het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding) is afgewezen. Het hof overweegt dat het dictum in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen moet worden gelezen en dat de door partijen voorgestane uitleg juist is.. Dit volgt met name uit r.o. 5.8. en 5.9. van de beschikking. In r.o. 5.8. staat dat een transitievergoeding van € 25.000,- bruto wordt toegekend en in r.o. 5.9. is overwogen dat geen aanleiding gezien wordt om aan [appellant] een billijke vergoeding toe te kennen. In navolging van partijen zal het hof het dictum van de bestreden beschikking zodanig lezen dat daarin [verweerster] veroordeeld wordt om aan [appellant] een transitievergoeding van € 25.000,- bruto te betalen en dat het verzoek van [appellant] tot toekenning van een billijke vergoeding is afgewezen. in principaal hoger beroep 3.7. De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij richten zich, samengevat, tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door bedrijfsgevoelige informatie, zoals prijscalculaties, op een usb-stick te zetten en mee te nemen (grieven I tot en met IV). Hierbij is volgens [appellant] ten onrechte meegewogen dat hij niet heeft gereageerd op e-mails van Accell Hunland (grieven V en VI). Nu geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten is de uitzonderingsbepaling van artikel 7:673 lid 7 lid c BW niet van toepassing en maakt hij aanspraak op de gehele transitievergoeding van € 91.777,- bruto (grieven VII en IX). Daarbij komt dat de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van verwijtbaarheid, ten onrechte is ontbonden. Herstel is niet wenselijk omdat [appellant] een nieuw dienstverband heeft. Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding van € 75.000,- op grond van artikel 7:683 lid 3 BW (grieven VIII en IX). billijke vergoeding (artikel 7:683 lid 3 BW) 3.8. Het hof stelt voorop dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden op de door [verweerster] primair aangevoerde grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW, inhoudende dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van [verweerster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Aan die beslissing liggen meerdere verwijten ten grondslag die aan [appellant] zijn gemaakt en die de kantonrechter heeft beschouwd als terechte verwijten. [appellant] heeft in hoger beroep betoogd dat van verwijtbaar handelen of nalaten aan zijn kant geen sprake is. Hij heeft evenwel ook aangegeven dat de verhoudingen tussen hem en de directie van [verweerster] zijn verslechterd sinds de huidige directeuren hun vader als directeur hebben opgevolgd. Dat was voor hem reden sinds december 2014 te solliciteren naar een andere baan. De verslechterde verhouding heeft al eerder tot een conflict tussen partijen geleid, resulterende in een officiële waarschuwing van [verweerster] aan hem op 13 oktober 2015. Doordat vervolgens het huidige conflict is ontstaan, is naar het oordeel van het hof de arbeidsverhouding tussen partijen onherstelbaar beschadigd. Zoals is gebleken ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, hebben partijen geen vertrouwen meer in elkaar (vergelijk verweerschrift in hoger beroep, punt 37). Het hof is van oordeel dat dit in ieder geval een grond oplevert om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van de door [verweerster] in eerste aanleg subsidiair aangevoerde grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW, te weten een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van [appellant] tot betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW toe te kennen. Het hof merkt nog op dat de ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen op meer ziet dan de feiten die [verweerster] ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [appellant] . De conclusie is dat de grieven VIII en IX in zoverre falen. ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten (artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW) 3.9. Het gaat in dit principaal hoger beroep daarom alleen nog om de vraag of het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] zoals bedoeld in artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW. Indien dit het geval is, dan heeft [appellant] geen recht op een (volledige) transitievergoeding, zoals [verweerster] heeft betoogd. 3.10. Het hof overweegt als volgt. De werknemer wiens dienstverband na ten minste 24 maanden door de werkgever wordt beëindigd, heeft ingevolge artikel 7:673 BW in beginsel van rechtswege aanspraak op een transitievergoeding. De werkgever is aan de werknemer geen transitievergoeding verschuldigd, zo volgt uit lid 7 aanhef en onder c van artikel 7:673 BW, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. In de memorie van toelichting op de Wwz zijn de volgende voorbeelden gegeven van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer waarin de transitievergoeding niet, of waarin een lagere transitievergoeding verschuldigd is: - “de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt; - de situatie waarin de werknemer in strijd met de eigen in de praktijk toegepaste en voor de werknemer kenbare gedragsregels van de organisatie van de werkgever, geld leent uit de bedrijfskas en zulks leidt tot een vertrouwensbreuk; - de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte, herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat; - de situatie waarin de werknemer veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op zijn werk verschijnt, hierdoor de bedrijfsvoering wordt belemmerd en de werkgever de werknemer hierop tevergeefs heeft aangesproken; - de situatie waarin de werknemer op oneigenlijke wijze heeft geprobeerd zijn productiecijfers gunstiger voor te stellen en hij hierdoor het vertrouwen van de werkgever ernstig heeft beschaamd.” zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 39-40). De wetgever heeft derhalve voor ogen gestaan dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden en dat niet snel mag worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. 3.11. Volgens [verweerster] is sprake van ernstig verwijtbaar handelen en/of laten van [appellant] omdat hij, kort gezegd: niet heeft gereageerd op e-mails (inkooporders) van Accell Hunland van 23 september 2015 en 7 oktober 2015 (verzoekschrift punt 7-9); zakelijke e-mails naar zijn privé-emailadres heeft verzonden (verzoekschrift punt 21); over een periode van ruim vijf maanden 2.455 calculaties (commercieel gevoelige bedrijfsinformatie) op een usb-stick heeft gezet (verzoekschrift punten 22 en 30); een sollicitatiegesprek onder werktijd heeft gevoerd, zonder dit te registreren als privé-uren of verlof (verzoekschrift punt 34). [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.12. Ten aanzien van verwijt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.