GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 6 oktober 2016 Zaaknummer : 200.196.712/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02 317161 / JE RK 16-1094 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Almata te [verblijfplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. M.P. Friperson, tegen de gecertificeerde instelling Stichting Intervence, gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings en- kantoorplaats] , verweerster, hierna te noemen: de GI. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 juni 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2016, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI af te wijzen, althans toe te wijzen voor de duur van drie maanden. 2.2. Er is geen verweerschrift ingekomen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellante] , bijgestaan door mr. Friperson; - de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] . De moeder is door het hof als toehoorder bijzondere toegang verleend tot de zitting. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlage van de GI d.d. 31 augustus 2016. 3De beoordeling 3.1. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2012 is [appellante] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , onder voogdij gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland, welke maatregel wordt uitgevoerd door de GI. 3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [appellante] met ingang van 30 juni 2016 tot uiterlijk 30 december 2016 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. 3.3. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.4. [appellante] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat gezien de aard en duur van de zorgen een termijn van drie maanden niet toereikend is. De gedragswetenschapper heeft met betrekking tot de termijn van de machtiging geadviseerd om na drie maanden te bekijken of de gesloten plaatsing nog noodzakelijk is. Hieruit volgt niet zonder meer dat de gedragswetenschapper heeft ingestemd met gesloten plaatsing voor een termijn langer dan drie maanden. Mede vanwege de duur van de afgegeven machtiging wordt er thans niet voortvarend gehandeld. Het beperken van de duur van de machtiging zou wellicht voor extra druk op de ketel zorgen. [appellante] zit thans enkele maanden gesloten. Zij vindt het vreselijk. Zij zal zich niet meer onttrekken aan de hulpverlening. 3.5. De GI voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. In Almata wordt de vrijheid van [appellante] stapsgewijs uitgebreid. Gekeken wordt of zij voldoende kan groeien in het maken van eigen keuzes. School en therapie zijn daarbij belangrijk. Daarnaast moet het contact met de moeder vorm gaan krijgen. Drie maanden is te kort voor de stappen die nog gezet moeten worden. [appellante] heeft nog begeleiding/bescherming nodig. 3.6. Het hof overweegt het volgende. 3.6.1. Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [appellante] een zelfstandig recht van hoger beroep toe. 3.6.2. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: - er bij [appellante] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en - de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellante] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.6.3. Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.