GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.178.285/01 arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.J. de Witte te Amersfoort, tegen De Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als de Congregatie, advocaat: mr. R.P. Baetens te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 29 september 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 11 februari 2015 en 15 juli 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Congregatie als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/284682 HA ZA 14-506) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord met een productie. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] heeft van 22 december 1964 tot 27 juni 1970 in Huize [sint] te [plaats] verbleven. 3.1.2. Van 1990 tot 1993 is [appellant] onder behandeling geweest van psychiater [psychiater] voor klachten passend bij een posttraumatische stressstoornis. 3.1.3. In 1993 is [appellant] tijdelijk in de WAO gekomen vanwege 100% arbeidsongeschiktheid. 3.1.4. Van december 2007 tot november 2008 is [appellant] wederom onder behandeling geweest van psychiater [psychiater] voor klachten passend bij een posttraumatische stressstoornis. 3.1.5. De psychiater schrijft over de twee behandelperiodes in een brief van 14 november 2010 onder meer het volgende: “Als oorzaak van dit syndroom kwam tijdens de behandeling naar voren de gebeurtenissen tijdens zijn verblijf in het jongensinternaat Huize [sint] in [plaats] (bij [plaats] ). In die periode van zijn leven (van zijn 11e tot en met zijn 17e levensjaar) was er sprake van langdurige ernstige mishandeling, evenals seksueel misbruik. (..)” 3.1.6. In 2007 heeft [appellant] tevens een reumatoloog bezocht in verband met chronische pijnklachten van nek, schouder en rug als gevolg van een posttraumatische stressstoornis. 3.1.7. Op 1 november 2009 is [appellant] definitief in de WAO terechtgekomen vanwege psychische klachten. 3.1.8. In een brief van 22 april 2010 heeft [appellant] de Congregatie aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden (im)materiële schade. 3.1.9. In een klaagschrift van eind december 2010 heeft [appellant] een klacht ingediend ter zake seksueel misbruik en lichamelijke mishandeling bij de Klachten commissie voor seksueel misbruik in de R.-K. Kerk van de Stichting Beheer en Toezicht i.z. Seksueel Misbruik in de R.-K. Kerk in Nederland. 3.1.10. In een verweerschrift gedateerd 4 maart 2011 stelt de Congregatie onder meer dat verwijten van fysieke mishandeling of andere feiten dan seksueel misbruik niet kunnen worden beoordeeld en van advies worden voorzien, nu de procedure uitsluitend is bestemd voor klachten wegens gepleegd seksueel misbruik binnen de Katholieke Kerk. 3.1.11. In een advies van 14 november 2011 heeft voornoemde commissie de Provinciaal Overste van de Congregatie geadviseerd de klacht gegrond te verklaren. 3.1.12. De Provinciaal Overste van de Congregatie, de [provinciaal overste] , heeft het onder rov. 3.1.11 vermelde advies overgenomen en de klacht gegrond verklaard. In een brief van 16 december 2011 heeft hij [appellant] onder meer het volgende bericht: “U weet dat de aangeklaagde overleden is. Dat betekent dat ik jegens de aangeklaagde geen maatregelen meer kan nemen en ook niet namens hem uitspraken kan doen. Maar ik aanvaard natuurlijk wel, vanuit mijn positie, de kerkelijke verantwoordelijkheid. Dat betekent ook dat ik u erop wijs, dat een gegrond bevonden klacht u het recht geeft op financiële compensatie conform de daarvoor in het leven geroepen compensatieprocedure.” 3.1.13. Met een aanvraagformulier voor compensatie na seksueel misbruik van minderjarigen in de R.-K. Kerk Nederland gedateerd 9 december 2011 heeft [appellant] compensatie aangevraagd. 3.1.14. In een uitspraak van 27 juni 2012 heeft de compensatiecommissie de Congregatie geadviseerd aan [appellant] een bedrag te betalen van € 25.000,=. Ten aanzien van het bedrag is onder 4.1 en 4.2. van de uitspraak, voor zover van belang, het volgende overwogen: “4.1 De Compensatieregeling kent, zoals de toelichting bij de Compensatieregeling omschrijft, een tegemoetkoming naar billijkheid in de schade ontslaan door seksueel misbruik. In een aantal gevallen zal de compensatie de schade dekken, in een aantal gevallen zal dat niet zo zijn. De in deze regeling omschreven compensatie heeft het karakter van smartengeld ter erkenning van het jegens verzoeker gepleegde seksueel misbruik en ter genoegdoening van het geschokte rechtsgevoel. Het is bedoeld om gedeeltelijke materiële vergoeding te bieden ter verzachting van het gedurende vele jaren ondergane psychisch leed, de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. (..) 4.2 (..) Ten overvloede geeft de Commissie verweerder in overweging om met verzoeker in onderhandeling te treden om te komen tot aanvullende financiële compensatie op grond van de fysieke mishandeling die jegens verzoeker heeft plaatsgevonden.” 3.1.15. Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 13 december 2012 heeft [appellant] de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om, kort gezegd, de toedracht van het door hem gestelde schadetoebrengend handelen (fysieke mishandelingen in Huize [sint] door leden van de Congregatie en het nalaten door hen om maatregelen te treffen om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen of te beperken) vast te stellen. 3.1.16. Bij beschikking van 27 maart 2013 heeft de rechtbank gelast dat een voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden. Als getuigen zijn vervolgens gehoord: [appellant] zelf, mevrouw [getuige 1] , de heren [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en mevrouw [getuige 8] . 3.2. De onderhavige procedure is ingeleid met een verzoek van [appellant] tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv. Daarbij verzocht [appellant] de rechtbank Zeeland-West-Brabant: 1. te beslissen dat de Congregatie volledig aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de seksuele en fysieke mishandeling aan de zijde van [appellant] ; 2. de kosten van [appellant] te begroten op grond van hetgeen [appellant] heeft aangegeven bij punt 43 van zijn verzoekschrift en te beslissen dat de Congregatie in de begrote kosten van dit deelgeschil wordt veroordeeld; 3. een datum te bepalen waarop dit verzoekschrift wordt behandeld en de daarop te geven beslissing aan verweerder dient te worden toegezonden. 3.3. De Congregatie heeft een verweerschrift ingediend inzake het verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv. De Congregatie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] de deelgeschilprocedure onnodig en/of onterecht heeft opgeworpen. Primair omdat [appellant] de bekende en reeds opgeworpen en primair te beantwoorden kwestie van de verjaring heeft genegeerd en zich heeft geconcentreerd op een vraag, die niet relevant is, indien sprake is van een voltooide verjaring van enige rechtsvordering (zo die rechtsvordering al ooit heeft bestaan). Subsidiair is de Congregatie van mening dat deze kwestie zich niet voor een inhoudelijke beoordeling in een deelgeschil leent, omdat het verzochte te veelomvattend is, immers uitvoerige nadere bewijsvoering zou vergen. 3.4. De rechtbank heeft het verzoekschrift behandeld op 2 juli 2014. Blijkens het proces-verbaal van die behandeling heeft de rechter met partijen besproken in hoeverre de vordering van [appellant] zich leent voor een beslissing in een deelgeschil. Daarbij heeft [appellant] aangegeven dat hij de onderhavige procedure in de vorm van een bodemprocedure zou willen voortzetten. De Congregatie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in een dergelijke omzetting. Nadat partijen zich daarover uitgelaten hadden, heeft de rechter aangegeven zo spoedig mogelijk een beslissing te zullen nemen. 3.5. Bij beschikking van 9 juli 2014 heeft de rechtbank bevolen dat de onderhavige deelgeschilprocedure wordt voortgezet volgens de regels van een dagvaardingsprocedure, en bevolen dat de zaak op de rol wordt geplaatst voor het nemen van een akte tevens conclusie van repliek aan de zijde van [appellant] . 3.6. Vervolgens heeft [appellant] een ‘akte omzetting verzoekschrift in dagvaarding ex art. 69 Rv’ genomen. [appellant] vermeldt daarin dat hij het verzoekschrift heeft aangepast aan de toepasselijke procesregels waarbij tevens de formele vereisten voor een dagvaarding in acht zijn genomen. De betekende dagvaarding heeft hij bij deze akte overgelegd als productie. Gezien het petitum van deze dagvaarding vorderde [appellant] in eerste aanleg, verkort weergegeven: 1. te verklaren voor recht dat de Congregatie aansprakelijk is voor de gevolgen van de mishandelingen gedurende zijn verblijf op Huize [sint] ; 2. de Congregatie te veroordelen alle door hem geleden en nog te lijden schade vermeerderd met wettelijke rente aan hem te vergoeden; 3. de Congregatie te veroordelen tot betaling van de (na)kosten van dit geding, waaronder de taxe betaald in het kader van het voorlopig getuigenverhoor, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.7. Daarna heeft [appellant] een conclusie van repliek, tevens bevattende incidentele vordering ex artikel 843a Rv genomen. De vordering ex artikel 843a Rv strekt ertoe dat de rechtbank de Congregatie beveelt afschriften te verstrekken van de bescheiden als vermeld onder punt 8.7 van deze conclusie. Het gaat dan specifiek om de volgende documenten: - het interne rapport van de Commissie [commissie] waarin alle onderzoeksgegevens en resultaten zijn vermeld; - de notulen van het bestuur waar getuige [getuige 6] over spreekt waaruit de Commissie op zijn minst ‘hints’ heeft waargenomen die wezen op geweld binnen Huize [sint] ; - de verslagen waar getuige [getuige 6] over spreekt waarin overleden broeders werden herdacht en waaruit ook bleek dat zij snel overgingen tot fysiek geweld. 3.8. Daarop heeft de Congregatie een conclusie van dupliek tevens antwoord in het incident genomen. Deze conclusie strekt tot afwijzing van zowel de hoofdvordering als de incidentele vordering. 3.9. Bij het bestreden vonnis van 11 februari 2015 heeft de rechtbank de incidentele vordering afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het vereiste van rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv niet is voldaan. 3.10. Bij het bestreden vonnis van 15 juli 2015 heeft de rechtbank de hiervoor onder rov. 3.6 bij 1 tot en met 3 weergegeven vorderingen afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank het beroep op verjaring van de Congregatie gehonoreerd. Daartoe heeft de rechtbank samengevat het volgende overwogen. 3.10.1. Over de toepasselijke verjaringstermijn heeft de rechtbank vooropgesteld dat voor schadevergoedingsvorderingen op grond van onrechtmatige daad naar oud recht de algemene termijn van 30 jaar gold. Tussen partijen is niet in geschil dat deze termijn van toepassing was en bij de invoering van het Nieuw BW op 1 januari 1992 nog niet was verstreken. De termijn heeft immers op zijn laatst een aanvang genomen op 27 juni 1970 (einde verblijf van [appellant] in Huize [sint] ). Evenmin is in geschil dat de termijn op grond van artikel 3:310 lid 1 BW werd bekort tot 20 jaar en vervolgens op grond van de uitgestelde werking van artikel 73 Ow werd voltooid op 1 januari 1993. Dit betekent dat, gelet op de aansprakelijkheidsstelling die in 2010 plaatsvond, in beginsel terecht een beroep op verjaring is gedaan en bespreking van de korte (subjectieve) verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW onbesproken kan blijven. Aldus – steeds – de rechtbank. 3.10.2. Vervolgens heeft de rechtbank de stelling van [appellant] besproken dat uit de gedragingen en verklaringen van de Congregatie moet worden geconcludeerd dat zij afstand heeft gedaan van verjaring (artikel 3:322 lid 2 BW). De rechtbank heeft geoordeeld dat op de website van de Congregatie, waarnaar [appellant] heeft verwezen, geen verklaring valt te lezen waarin laatstgenoemde afstand doet van haar recht om een beroep te doen op verjaring. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit dat de Congregatie in het kader van de kerkelijke klachtenprocedure inzake seksueel misbruik afstand heeft gedaan van haar recht om zich op verjaring te beroepen en in de kerkelijke klachtenprocedure voor hulp, erkenning en genoegdoening voor geweld tegen minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk evenmin een beroep wordt gedaan op verjaring, niet de conclusie rechtvaardigt dat de Congregatie ook in een civiele procedure als de onderhavige afstand van het recht om een beroep op verjaring te doen heeft gedaan. Ten slotte heeft de rechtbank ten aanzien van de door [appellant] gestelde toezegging door pater [provinciaal overste] geoordeeld dat deze toezegging betrekking heeft op schadevergoeding via de kerkelijke klachtenprocedure en dat aldus onvoldoende is komen vast te staan dat het een toezegging betrof inhoudende dat zijn volledige schade zou worden vergoed. Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank het beroep op afstand van verjaring verworpen. 3.10.3. Daarna is de rechtbank ingegaan op de vraag of er op grond van artikel 6 EVRM aanleiding bestaat om de lange absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. 3.10.4. Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW) heeft de rechtbank de gezichtspuntencatalogus die door de Hoge Raad is geformuleerd in zijn arrest [partijen] (ECLI:NL:HR:2000:AA5635) toegepast. Deze gezichtspunten luiden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.