GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.162.918/01 arrest van 25 oktober 2016 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. F.A. van den Heuvel te Helmond, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof te Helmond, op het bij exploot van dagvaarding van 7 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 oktober 2014, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/276228/HA ZA 14-215) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord; de akte van [appellante] met productie; de antwoordakte uitlating van [geïntimeerde] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellante] en [geïntimeerde] zijn met elkaar gehuwd op 16 oktober 1998 te Helmond. Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. [appellante] heeft op 17 september 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Bij beschikking van 28 maart 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 12 juni 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Helmond. 3.1.2. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap met benoeming van een notaris en onzijdige personen. 3.1.3. Partijen zijn er niet in geslaagd in onderling overleg tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap te komen. 3.1.4. [appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard. In conventie vordert zij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen op de wijze zoals door haar verzocht en omschreven, althans dat de rechtbank zelf met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid een verdeling vaststelt die naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming is met de belangen van beide partijen en met het algemeen belang. 3.1.5. [geïntimeerde] voert verweer tegen de vordering in conventie. In reconventie vordert hij primair de wijze van verdeling vast te stellen op de door hem aangegeven wijze en subsidiair dat de rechtbank zelf de verdeling vaststelt op de wijze als de rechtbank het meest passend lijkt. 3.1.6. In het tussenvonnis van 14 mei 2014 heeft de rechtbank een comparitie na antwoord gelast. Tijdens deze comparitie hebben partijen een schikking bereikt. De inhoud van deze schikking heeft de rechtbank opgenomen in haar vonnis van 8 oktober 2014. Deze schikking behelst – voor zover in hoger beroep relevant – het volgende. “4.11 (…) Na debat tussen partijen hebben partijen ter comparitie overeenstemming bereikt en afgesproken -dat de vordering die de man op de vrouw heeft wegens betaalde rentelasten en premiebetalingen en wegens teveel betaalde kinderalimentatie moet worden vastgesteld op € 8.500,00. -dat deze vordering maandelijks, te beginnen met 1 juli 2014 en eindigend 1 januari 2018, met € 200,00 zal worden verminderd, welk laatstgenoemd bedrag de man aan de vrouw zal kwijtschelden waarmee de man voldoet aan een door hem gevoelde natuurlijke verbintenis om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de minderjarige kinderen van partijen; -dat de vrouw gerechtigd is te allen tijde het nog openstaande bedrag van de schuld aan de man ineens te voldoen. Partijen hebben daarmee ook de tussen hen gerezen geschillen over de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie beëindigd. De vrouw erkent dat de man in ieder geval zolang de vordering niet ten volle is voldaan geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen. De vrouw ziet om die reden af van het instellen van (verdere) rechtsmaatregelen jegens de man hierover en zal reeds door haar ingestelde procedures intrekken. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.” 3.2.1. [appellante] heeft tijdig hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. 3.2.2. [appellante] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vordering die [geïntimeerde] op [appellante] heeft wegens betaalde rentelasten en premiebetalingen en wegens te veel betaalde kinderalimentatie moet worden vastgesteld op € 6.270,16, nog te verminderen met de door [appellante] voldane premie voor de opstalverzekering. 3.2.3. De grief bestrijdt slechts de vaststelling door de rechtbank in rov. 4.11 van de hoogte van de vordering van [geïntimeerde] op [appellante] vanwege betaalde rentelasten, premiebetalingen en te veel betaalde kinderalimentatie vanwege een onjuiste berekeningswijze. [appellante] beroept zich ter onderbouwing van haar grief op haar geestesgesteldheid. 3.2.4. Eerst bij akte heeft [appellante] een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] zoals bedoeld in art. 3:44 BW, door te stellen dat de schikking tot stand is gekomen in een situatie waarin [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden, omdat hij bekend was met de geestesgesteldheid van [appellante] . Nog daargelaten of dit beroep op misbruik van omstandigheden in strijd is met de twee-conclusieregel, is deze stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd door [appellante] . Aan een inhoudelijke beoordeling ter zake komt het hof dan ook niet toe. 3.3 [geïntimeerde] heeft de grief waarin [appellante] een beroep doet op haar geestesgesteldheid gemotiveerd bestreden. Hierna zal bij de bespreking van de grief blijken in hoeverre de vordering van [appellante] toewijsbaar is. 3.4. Het hof begrijpt uit de gedingstukken dat [appellante] een beroep doet op art. 3:34 BW. Dit artikel is onlosmakelijk verbonden met de artt. 3:33 en 3:35 BW. Deze artikelen bepalen het volgende. “Artikel 33 Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Artikel 34 1. Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien. 2. Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig. Artikel 35 Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.” 3.5. Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop dat de schikking die ter zitting tussen partijen is bereikt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst tussen partijen. In hoger beroep stelt [appellante] dat een gedeelte van die overeenkomst (de afspraken tussen partijen over de rentebetalingen, premiebetalingen en terugbetalingen van te veel ontvangen kinderalimentatie) onder invloed van een geestelijke stoornis tot stand is gekomen en daardoor voor wat betreft de inhoud niet juist is. Naar het oordeel van het hof dient [appellante] , teneinde de overeenkomst tussen partijen (gedeeltelijk) te kunnen vernietigen, gelet op het bepaalde in art. 3:34 BW, te bewijzen dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.