GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.177.526/01 arrest van 25 oktober 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg, tegen: 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2] , beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. D.H. de Wilde te Zoetermeer, op het bij exploot van dagvaarding van 22 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter te Tilburg van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 29 april 2015 tussen appellant – [appellant] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerden - [geïntimeerde 1] - als eisers in conventie, verweerders in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3534480 CV EXPL 14-8400) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 21 januari 2015. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 22 juli 2015; - de memorie van grieven van [appellant] van 8 december 2015 met producties; - de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] van 16 februari 2016 met producties; - de akte van [appellant] van 29 maart 2016 met producties; - de antwoordakte van [geïntimeerde 1] van 26 april 2016. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1 Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende. [appellant] heeft op enig moment een huurovereenkomst gesloten met de heer [verhuurder] (verder: [verhuurder] ), waarbij [verhuurder] de op dat moment aan hem in eigendom toebehorende onroerende zaak aan het [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het pand) tegen betaling van een maandelijks verschuldigde huurprijs van € 100,= in gebruik heeft gegeven aan [appellant] . Deze huurovereenkomst is nooit schriftelijk vastgelegd. Bij brief van 4 april 2014 heeft [verhuurder] de huur van het pand opgezegd. Deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Zoals reeds mondeling besproken, zeg ik u per 1 juni 2014 de huur op. Het gehuurde dient dan geheel leeg en ontruimd opgeleverd te worden aan mij. Bij het aangaan van de huur, zijn wij nadrukkelijk overeengekomen dat u de opslagruimte zonder gas/water/elektra (of aansluitingen daarvan) aan het [adres 1] te [woonplaats] tegen een zeer lage huursom mocht huren, op voorwaarde dat u alle medewerking zou verlenen wanneer het pand verkocht zou worden. Nu ik het object kan verkopen, wil u aan deze afspraak herinneren. [appellant] heeft hierop bij brief van 15 mei 2014 onder meer geantwoord dat hij niet akkoord met de huuropzegging aangezien de huurovereenkomst betrekking heeft op een woonhuis en winkelruimte en derhalve niet op een opslagruimte, en dat hij daarom het pand niet zal ontruimen en verlaten. Verder schrijft [appellant] in deze brief onder meer: Voorts is bij het aangaan van de mondelinge huurovereenkomst tussen u en mij, ondergetekende, inzake het pand [adres 1] te [woonplaats] , welke pand bestaande uit woonhuis en winkelruimte, nadrukkelijk overeengekomen en bepaald dat u het pand geheel zal opknappen en onderhouden en ervoor zorg zal dragen dat op korte termijn het pand aan de verplichte nutsvoorzieningen gas, water en electra worden aangesloten en zolang al deze nog niet zijn uitgevoerd huurt u deze tegen een lagere huursom. Tevens is bij het aangaan van de huurovereenkomst (…) geen afspraken gemaakt over medewerking verlenen indien het pand zal worden verkocht. Hierbij was er helemaal geen sprake geweest van huur als opslagruimte. Geïntimeerde sub 1 heeft bij brief van 21 augustus 2014 aan [appellant] onder meer het volgende geschreven: De afgelopen twee maanden heb ik meerdere malen contact met jou gehad over het pand aan het [adres 1] . Aanleiding is dat mijn vrouw en ik het pand medio juni 2014 hebben gekocht van de heer [verhuurder] . Bij mijn persoonlijke bezoeken aan jouw woonadres [adres 2] hebben wij het gehad over de tussen jou en de heer [verhuurder] gemaakte afspraken. Ik heb jou herinnerd aan de afspraak dat je het pand mocht gebruiken als stallingsruimte tegen een zeer lage huursom van 100 euro, onder de voorwaarde dat alle medewerking zou verlenen waanneer het pand verkocht zou worden. (…) Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden maak jij thans onrechtmatig gebruik van het pand. Ik stel je nu voor de laatste maal in de gelegenheid om het pand te ontruimen en wel uiterlijk op 30 september 2014 onder overlegging van de sleutels van het pand. Mocht je geen gevolg aan deze brief geven, dan zal ik juridische stappen ondernemen en de kosten daarvan op jou verhalen. Bij e-mail van 27 augustus 2014 heeft [appellant] laten weten dat hij daaraan geen uitvoering zal geven. Bij dagvaarding van 16 oktober 2014 heeft [geïntimeerde 1] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. 4.2 In deze procedure stelt [geïntimeerde 1] dat [appellant] het pand alleen als opslagruimte van [verhuurder] heeft gehuurd en dat deze de huur rechtsgeldig tegen 1 juni 2014 aan [appellant] heeft opgezegd. Sindsdien maakt [appellant] volgens [geïntimeerde 1] onrechtmatig gebruik van het pand. Het pand is aan [geïntimeerde 1] verkocht en bij akte van 13 juni 2014 geleverd. Op grond daarvan vorderde [geïntimeerde 1] in eerste aanleg in conventie, samengevat, een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [appellant] rechtsgeldig door [verhuurder] is opgezegd; veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het pand en tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 900,=; subsidiair ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het pand, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [appellant] heeft deze vorderingen bestreden. Hij betwist dat [geïntimeerde 1] eigenaar is geworden van het pand en dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. Deze betreft volgens hem de huur van een woonruimte met winkelruimte en opslag en niet alleen opslagruimte. Aan het pand dienen volgens [appellant] herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden. In reconventie vorderde [appellant] op grond daarvan, samengevat, hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan het dak, het zinkwerk en de constructie bij de afgebroken schoorsteen, op verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten. [geïntimeerde 1] heeft deze vordering op zijn beurt bestreden. 4.3 Bij tussenvonnis van 21 januari 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 6 maart 2015 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 22 juli 2015 heeft de kantonrechter de primaire vorderingen van [geïntimeerde 1] in conventie (vrijwel) geheel toegewezen en de vordering van [appellant] in reconventie afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. 4.4 De kantonrechter is er in het eindvonnis van 22 juli 2015 van uitgegaan dat de eigenaar van het pand met uitsluiting van derden bevoegd is tot verhuur ervan (r.o. 3.2). Dit is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof hiervan uitgaat. 4.5 De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat [geïntimeerde 1] sinds 13 juni 2014 als (enig) eigenaar van het pand heeft te gelden (r.o. 3.5). Uit de bescheiden die in eerste aanleg door [geïntimeerde 1] zijn overgelegd heeft de kantonrechter opgemaakt dat het pand op 13 juni 2014 aan geïntimeerde sub 2 in eigendom is geleverd. De kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat geïntimeerden in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, maar ook niet dat tussen hen geen huwelijksgoederengemeenschap bestaat. Het verweer van [appellant] dat geïntimeerden geen eigenaar van het pand zijn en daarom niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen (dan wel dat dit geldt voor geïntimeerde sub 1) heeft de kantonrechter verworpen. Met de producties die [geïntimeerde 1] in hoger beroep heeft overgelegd (nrs. 20-22) wordt afdoende bevestigd dat geïntimeerden zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, dat het pand bij akte van 13 juni 2014 aan geïntimeerde sub 2 is geleverd, zodat zij sinds die datum eigenaar van het pand zijn. Hoewel daartoe in de gelegenheid heeft [appellant] de juistheid van deze producties niet betwist. De grieven 1 en 2 van [appellant] die hierop betrekking hebben, worden verworpen. 4.6 De grieven 3 tot en met 11 betreffen het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis van 22 juli 2015 over de kwalificatie van de huurovereenkomst tussen [appellant] en [verhuurder] als huurovereenkomst inzake bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en de rechtsgeldigheid van de opzegging daarvan door [verhuurder] bij brief van 4 april 2014 (r.o. 3.6 - 14). 4.7 [geïntimeerde 1] heeft in de procedure consistent het standpunt ingenomen dat [verhuurder] het pand uitsluitend als opslagruimte heeft verhuurd aan [appellant] , zodat de huurovereenkomst rechtsgeldig kon worden opgezegd op de wijze waarop [verhuurder] dit heeft gedaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [geïntimeerde 1] onder meer gewezen op de tekst van de opzeggingsbrief van [verhuurder] , hiervoor in 4.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.