GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.161.526/01 arrest van 16 februari 2016 in de zaak van Transcargo B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als: Transcargo, advocaat: mr. S.L. Emons te Maastricht, tegen de vennootschap naar buitenlands recht Transinter S.A.S., gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als: Transinter, advocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 9 juli 2014 tussen Transcargo als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Transinter als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 375802 \ EJ VERZ 10-1637) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel; de memorie van antwoord in incidenteel appel. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Transcargo is een expediteur. Op 18 oktober 2012 heeft zij, in opdracht en voor rekening van een klant in [plaats] , Transinter in [vestigingsplaats] , Frankrijk, een lading van 180 lege metalen rekken in ontvangst laten nemen voor vervoer over de weg van [vestigingsplaats] naar [plaats] . 3.1.2. In België is de vrachtwagen van Transinter staande gehouden door de politie en heeft de chauffeur wegens overbelading een boete gekregen van € 1.995,--. De chauffeur is vervolgens teruggekeerd naar [plaats] , Frankrijk. 3.1.3. Transinter heeft vervolgens aan Transcargo te kennen gegeven slechts bereid te zijn de lading naar [plaats] te brengen wanneer Transcargo zou instaan voor de boete voor de overbelading en zij de kosten voor de terugkeer naar [plaats] , de kosten voor het transport van [plaats] naar [plaats] , de kosten voor wachttijd en de kosten voor de opslag van (een gedeelte van) de lading zou betalen. Transcargo heeft dat geweigerd, waarna Transinter een beroep heeft gedaan op haar retentierecht. Transcargo heeft Transinter daarop schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt door de handelwijze van Transinter. 3.2. Op grond van de stelling dat Transinter ten onrechte een retentierecht uitoefent op de lading, heeft Transcargo in de inleidende dagvaarding van 26 maart 2013 de veroordeling gevorderd van Transinter om: - op straffe van verbeurte van een dwangsom de lading vrij te geven; - aan haar de gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 6.705.05 met de wettelijke rente te betalen. 3.3. Transinter heeft verweer gevoerd tegen de vordering en heeft in reconventie de veroordeling gevorderd van Transcargo tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.295,--, althans van een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Transcargo heeft verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie. 3.5. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen. Hij heeft daartoe onder meer overwogen dat ingevolge de EEX-Verordening in beginsel het gerecht van de woonplaats van Transinter bevoegd is, dat een alternatieve bevoegdheid op grond van de algemene voorwaarden van Transcargo niet vast staat en dat voor zover het verweer van Transinter niet zonder meer zou zien op de bevoegdheid van de kantonrechter, uit artikel 108 Rv volgt dat de kantonrechter gehouden is zijn (relatieve) bevoegdheid ambtshalve te toetsen. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.6. Transcargo is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft drie grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de zaak voor (verdere) behandeling terugverwijst naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, subsidiair naar de zittingsplaats Maastricht. 3.7. Transinter heeft geantwoord op de grieven en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof Transcargo in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart, althans haar vorderingen afwijst. In incidenteel hoger beroep heeft Transinter geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling vernietigt en Transcargo veroordeelt in de proceskosten van de eerste aanleg. 3.8. Met haar grieven komt Transcargo op tegen de onbevoegdverklaring door de kantonrechter. Kort gezegd stelt Transcargo zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat primair op grond van een rechtskeuze ex artikel 23 EEX-Vo, subsidiair op grond van artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Vo en meer subsidiair op grond van artikel 31 CMR de kantonrechter te Roermond, dan wel de kantonrechter te Maastricht, bevoegd is van de vordering kennis te nemen. 3.9. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat in een zaak met internationale aspecten als hier aan de orde (Transinter is gevestigd in Frankrijk), de rechter ambtshalve moet beoordelen of hij – de Nederlandse rechter – rechtsmacht heeft (zie onder meer Hoge Raad 17 april 2015 inzake Northern River Shipping Company c. Kompas Overseas Inc., ECLI:NL:HR:2015:1077). Als de rechter van oordeel is dat hem geen rechtsmacht toekomt, moet hij zich ambtshalve onbevoegd verklaren. 3.10. Bij de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt is uitgangspunt dat de vestigingsplaatsen van partijen zijn gelegen in verschillende EU-lidstaten, dat de vordering in eerste aanleg is ingesteld vóór 10 januari 2015 en ook de dagvaarding in hoger beroep vóór die datum is uitgebracht (zie artikel 66 lid 1 van de herschikte EEX-Vo/Brussel-I bis Vo, 1215/2012/EU). Daarom dient de rechterlijke bevoegdheid in beginsel beoordeeld te worden aan de hand van de EEX-Vo (oud), tenzij op grond van het bepaalde in artikel 71 EEX-Vo (oud) de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR van toepassing is. Het hof constateert dat Transinter niet heeft betwist dat op de vervoerovereenkomst van partijen de CMR van toepassing is. Dat betekent dat de hiervoor bedoelde uitzondering opgeld doet en dat de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 31 CMR (vergelijk HvJ 4 september 2014, C-157/13 inzake Nickel & Goeldner Spedition GmbH c. Kintra UAB, ECLI:EU:C:2014:2145). 3.11. Artikel 31 lid 1 CMR luidt als volgt: "Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.