GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Kenmerk 15/00812 10 november 2016 uitspraak van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 14/2648 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 7 februari 2014 over het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.850. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 26 maart 2014, de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen voormelde uitspraak op bezwaar bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij mondelinge uitspraak van 17 april 2015 (waarvan het proces-verbaal op 24 april 2015 is verzonden) heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 mei 2015, aangevuld bij brief van [datum 2] 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Beide partijen hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Hierop heeft het Hof – op de voet van voornoemde artikelen – bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten en het onderzoek gesloten. 2Tussen partijen vaststaande feiten. 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt, nu partijen daarover in hoger beroep niet hebben geklaagd. “2.1. Belanghebbende, geboren op [datum 1] 1960, woont volgens de gemeentelijke basisregistratie Personen vanaf [datum 2] 2006 op het adres [a-straat] 95 te [woonplaats] . In 2011 heeft hij een Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 26.178 genoten van VKM Limburg te Hasselt. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar geen werkzaamheden verricht. 2.2. Belanghebbende heeft op 9 juli 2012 op elektronische wijze aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2011 gedaan. In de aangifte heeft belanghebbende € 20.727 aan inkomsten uit vroegere arbeid zonder Nederlandse loonheffing, inkomsten uit eigen woning van € 973 en een aftrekbedrag geringe eigenwoningschuld van € 973 aangegeven. Belanghebbende heeft in zijn aangifte aangegeven dat hij het gehele jaar niet verplicht verzekerd is voor de AOW/Anw en AWBZ/Zvw. 2.3. Met dagtekening 7 februari 2014 is de aanslag IB/PVV vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op een bedrag van € 12.850 (€ 20.727 inkomen met een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 7.877). Het bedrag van de aanslag is een te betalen bedrag van € 1.503 (inclusief € 82 heffingsrente). Het premie-inkomen is eveneens vastgesteld op € 12.850. De berekende premie volksverzekeringen AOW/Anw is € 2.441. 2.4. Belanghebbende heeft, bij beschikking van 3 oktober 2012, vanaf 11 september 2012 van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW en de Anw en de AKW gekregen. Belanghebbende heeft op 19 december 2013 een verzoek gedaan om met terugwerkende kracht ontheffing te verkrijgen. Dat verzoek is door de SVB bij beschikking van 9 januari 2014 afgewezen.” 2.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep een attest overgelegd (gedateerd 26 mei 2015) van de Christelijke Mutualiteit. Het heeft, voor zover van belang, de volgende inhoud. “Ondergetekende (…) verklaart dat: op naam van betrokkene een arbeidsongeschiktheid (+ 66%) werd geregistreerd: van 12-01-1995 tot heden en verder Bovengenoemde is + 66% invalide RIZIV erkend vanaf 12-01-1996 (volgnummer RIZIV [nummer] ). bovengenoemde volgende uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ontvangen heeft: [Hof: volgt samengevat een tabel met perioden in 2011 en in die perioden uitgekeerde bedragen] Totaal Bruto: 313 dagen 21471,18 EUR Pensioen: -743,95 EUR = een vermindering van 2,49 euro op het dagbedrag van de ziekteuitkeringen Totaal Netto: 20727,23 EUR” 3Geschil in hoger beroep Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of aan belanghebbende terecht de onderhavige aanslag IB/PVV 2011 is opgelegd; het gaat in het bijzonder om de vraag of belanghebbende premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW). Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil in haar uitspraak het volgende overwogen: “2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de onderhavige aanslag IB/PVV 2011 is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende premieplichtig is voor de AOW, Anw en AKW. 2.6. Belanghebbende beantwoordt de onder 2.5 genoemde vragen ontkennend en stelt zich daartoe - kort samengevat - op het standpunt dat hij in 2011 niet premieplichtig was, omdat hij in 2011 recht had op een vrijstelling van deze premieplicht nu hij sinds 1996 in België premie volksverzekeringen heeft betaald door inhouding daarvan. Het feit dat hij deze vrijstelling niet tijdig - dat wil zeggen met de juiste ingangsdatum - heeft geformaliseerd, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij door een bipolaire stoornis niet tijdig in staat is geweest bij de SVB vrijstelling aan te vragen 2.7. De regels voor de toedeling van de sociale verzekeringsplicht binnen de Europese Unie zijn voor het onderhavige jaar vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie 29 april 2004 (hierna: de Verordening). Aangezien belanghebbende in Nederland woont en uit België een arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet is de Verordening op grond van artikel 2 op belanghebbende van toepassing. Belanghebbende woont in Nederland en heeft geen werkzaamheden verricht. Hij ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit België en in het onderhavige jaar is geen ontheffing van de volksverzekeringen op hem van toepassing. Belanghebbende is dan op grond van artikel 11, eerste lid en artikel 11, derde lid, aanhef en onderdeel e van de Verordening onderworpen aan de sociale verzekeringsbepalingen van Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nederland in het onderhavige jaar op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a van de AOW en de vergelijkbare bepalingen in de overige volksverzekeringswetten terecht sociale verzekeringspremies berekend over het wereldinkomen van belanghebbende. 2.8. Het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB) bepaalt in artikel 22 dat ingezetenen die ook een buitenlandse wettelijke of bovenwettelijke sociale zekerheidsuitkering ontvangen op verzoek ontheffing kunnen krijgen voor de Nederlandse premieplicht. Vast staat dat belanghebbende eerst vanaf 11 september 2012 een dergelijke ontheffing heeft gekregen. Voor het onderhavige jaar is die ontheffing dan niet van toepassing. 2.9. Belanghebbende stelt voorts dat het feit dat hij de vrijstelling niet met de juiste ingangsdatum heeft geformaliseerd niet aan hem kan worden tegengeworpen. Op grond van artikel 22, derde lid, van het BUB kan de SVB deze ontheffing eerder verlenen indien de toepassing van het tweede lid leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. De SVB heeft het verzoek van belanghebbende daartoe afgewezen. Tegen dit besluit staat bezwaar en beroep open. De beoordeling daarvan is echter niet toegewezen aan de belastingrechter zodat die daarover geen oordeel kan geven. 2.10. Artikel 3.109 in verbinding met artikel 3.16, negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat als een belastingplichtige premieplichtig is voor de volksverzekeringen, door hem betaalde vergelijkbare premies voor buitenlandse verzekeringen bij de berekening van het belastbaar inkomen in aanmerking worden genomen. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in België premie volksverzekeringen heeft betaald. Het renseignement over de arbeidsongeschiktheidsuitkering maakt van geen inhouding melding en ook overigens is geen bewijs van betaling of inhouding over gelegd. 2.11. Gelet op het voorgaande is belanghebbende terecht premieplichtig voor de AOW, Anw en AKW. Het gelijk is dan aan de zijde van de inspecteur en het beroep is daarom ongegrond verklaard. 2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Verzekeringsplicht 5.1. Belanghebbende bestrijdt de uitspraak van de rechtbank omdat hij, naar hij stelt, al sinds 1996 premieheffing volksverzekeringen betaalt in België. Ten bewijze legt hij in hoger beroep een attest over van de Christelijke Mutualiteit te Hasselt, waarvan de inhoud hierboven onder de feiten is opgenomen. 5.2. Voorzover belanghebbende met zijn standpunt dat hij in België premies volksverzekeringen betaalt, zou bedoelen dat hij in dat land onderworpen is aan de socialeverzekeringswetgeving en niet in Nederland, geldt het volgende. De rechtbank heeft in onderdeel 2.7 terecht overwogen dat de vraag in welk land belanghebbende sociaal verzekerd is, moet worden beantwoord aan de hand van de toewijzingsregels van Verordening nr. 883/2004 (hierna: de Verordening). De relevante bepalingen uit de Verordening luiden als volgt. “Titel II Vaststelling van de toepasselijke wetgeving Artikel 11 Algemene regels 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. 2. (…) 3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16: geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert; geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat; geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat; geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.