← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2016:5164

Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001963-15 Uitspraak : 21 november 2016 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-879323-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1987] , thans verblijvende in het Huis van Bewaring De Vecht te Nieuwersluis. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van moord (feit 1) en valsheid in geschrift (feit 2) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist over een onder verdachte in beslag genomen goed. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende: verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest; de teruggave aan verdachte zal gelasten van het in beslag genomen goed. De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat: 1.zij op of omstreeks 27 februari 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(

  1. s)met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(
  2. s)(meermalen) een of meer kogel(
  3. s)in de richting van die [slachtoffer] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] door een of meer van die kogel(
  4. s)is getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(
  5. en)op of omstreeks 27 februari 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(
  6. en)met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(
  7. s)(meermalen) een of meer kogel(
  8. s)in de richting van [slachtoffer] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] door een of meer kogel(
  9. s)is getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 november 2013 tot en met 27 februari 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, al dan niet door tussenkomst van een of meer ander(en), door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten: ˗ het in het vooruitzicht stellen van een (groot) geldbedrag, en/of ˗ een of meer goed(eren), en/of ˗ het verzorgen/verstrekken van een of meer vuurwapen(
  10. s)en/of telefoon(s), en/of ˗ het verstrekken van (telefonische) informatie in verband met een voorverkenning, en/of ˗ het verstrekken van (telefonische) informatie omtrent de (reis)bewegingen en/of verblijfplaats(
  11. en)van die [slachtoffer] , en/of ˗ het verstrekken van andere voor de moord relevante informatie over die [slachtoffer] , opzettelijk heeft uitgelokt. meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere perso(o)n(
  12. en)op of omstreeks 27 februari 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(
  13. s)met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(
  14. s)(meermalen) een of meer kogel(
  15. s)in de richting van die [slachtoffer] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] door een of meer kogel(
  16. s)is getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 november 2013 tot en met 27 februari 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door (telkens) opzettelijk: ˗ (telefonische) contacten te zoeken en/of te onderhouden met een of meer mededader(
  17. s)en/of ˗ inlichtingen te (doen) verstrekken in verband met een voorverkenning en/of ˗ inlichtingen te (doen) verstrekken omtrent de (reis)bewegingen en/of de verblijfplaats(
  18. en)van [slachtoffer] en/of ˗ een of meer betaling(
  19. en)te (doen) verrichten aan een of meer mededader(s). 2. zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 18 november 2013 te Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een aanvraagformulier DELA LeefdoorPlan (aanvraag levensverzekering) en/of een DELA LeefdoorPlan gezondheidsverklaring, zijnde (telkens) (een) geschrift(
  20. en)dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid: ˗ het aanvraagformulier DELA LeefdoorPlan (ten behoeve van een aanvraag voor een levensverzekering van 250.000 euro) op of omstreeks 9 november 2013 ondertekend als zijnde [slachtoffer] en/of ˗ de DELA LeefdoorPlan gezondheidsverklaring op of omstreeks 20 oktober 2013 ondertekend als zijnde [slachtoffer] , (telkens) met het oogmerk om voormeld(
  21. e)geschrift(
  22. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in haar verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. primair zij op 27 februari 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in de richting van die [slachtoffer] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer] door meer van die kogels is getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2.zij in de periode van 9 november 2013 tot en met 13 november 2013 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk een aanvraagformulier DELA LeefdoorPlan (aanvraag levensverzekering), zijnde een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid: ˗ het aanvraagformulier DELA LeefdoorPlan (ten behoeve van een aanvraag voor een levensverzekering van 250.000 euro) op of omstreeks 9 november 2013 ondertekend als zijnde [slachtoffer] , met het oogmerk om voormeld geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof grondt dat oordeel op onderstaande bewijsmiddelen. Feit 1 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen: Op 13 maart 2014, werd door mij een geluidsfragment teruggeluisterd welke door de Regionale Meldkamer te Eindhoven was veiliggesteld. Het geluidsfragment betreft een gesprek tussen de meldkamer en een meldster. De melding werd gedaan op 27 februari 2014 om 21.24 uur. MK = meldkamer M = meldster “MK: Meldkamer ambulancedienst, wat is precieze het adres van het noodgeval? M: [plaats 1] 31, euh.. Hij is geschoten. MK: Welke gemeente? M: Eindhoven. MK: Welke straat? M: [plaats 1] . MK: Wat is er precies gebeurd? M: Euh ik hoorde net geknal enne.. ja, de vriend van de buurvrouw, is geschoten net. MK: Waar is hij precies geschoten? M: In de rug, buik, euh. MK: Luister. Hij is in zijn rug en in zijn buik geschoten zegt u? M: Ja, ja, ja. Wel tien keer ofzo geschoten zegt hij. MK: Waar is de schutter, weet je dat? M: Ik hoorde net een motor, brommerfietser ofzo wegrijden dus euh.” Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen: Op 27 februari 2014, omstreeks 21:25 uur kreeg ik, verbalisant, de melding dat er iemand beschoten was op de [plaats 1] te Eindhoven. Terwijl ik de [plaats 1] opreed, zag ik ter hoogte van pandnummer 29, personen staan die mij wenkten. Nadat ik uit het dienstvoertuig stapte, begaf ik me naar het pand [plaats 1] 29. Voor de voordeur van pandnummer 29 zag ik een persoon op de grond liggen met naast hem een blonde vrouw die later de vriendin van het slachtoffer bleek te zijn. Ik zag dat de persoon op de grond bebloed was rondom zijn heup en zijn armen en dat er een deken op hem lag rondom zijn middel. Ik zag het slachtoffer de mij ambtshalve bekende [slachtoffer] was. Ik hoorde de blonde vrouw zeggen: ˗ "Ze hebben op hem geschoten toen hij uit zijn auto stapte". ˗ "Hij komt net van het sporten". ˗ "Hij zegt dat ze tien keer op hem geschoten hebben". Links van het dienstvoertuig stonden diverse voertuigen geparkeerd. Later trof ik hulzen aan, aan de passagierszijde van het dienstvoertuig en bloedsporen vanaf het dienstvoertuig richting het pand waar het slachtoffer lag. Ik heb de verbalisant van de Forensische Technische Dienst hierop gewezen. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Op 27 februari 2014 werden wij naar het Catharina ziekenhuis in Eindhoven gestuurd. Aldaar stond een verbalisant een slachtoffer te bewaken die even daarvoor binnen was gebracht naar aanleiding van een schietincident. Het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , lag op dat moment op de operatiekamer. Op 28 februari 2014 vernamen wij van het medische personeel dat het slachtoffer was overleden. Op 28 februari 2014 te 2.55 uur werd door ons, verbalisanten, het stoffelijk overschot in beslag genomen. Een proces-verbaal van gerechtelijke sectie van verbalisant [verbalisant 5] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 1 maart 2014 heb ik, verbalisant werkzaam bij de Forensische Opsporing de forensische sectie bijgewoond van het slachtoffer [slachtoffer] . De sectie werd verricht door [arts-patholoog NFI] , als arts-patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Er werden tijdens de sectie drie projectielen uit het lichaam verwijderd en aan mij overgedragen. Deze drie projectielen werden door mij in Eindhoven overgedragen aan forensisch coördinator [verbalisant 11] werkzaam bij de Forensische Opsporing van de politie Oost-Brabant. Een deskundigenrapport met opschrift “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” opgesteld door [arts-patholoog NFI] , arts en patholoog verbonden aan het NFI voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van voornoemde deskundige: Zaakgegevens Datum sectie: 1 maart 2014 1Overledene Naam: [slachtoffer] De overledene is overleden in het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven op 28 februari 2014 omstreeks 02.41 uur. 2Verkregen informatie Volgens verkregen informatie van de verbalisant en het voorhanden schouwverslag zou [slachtoffer] op straat zijn beschoten op 27 februari 2014. Hij zou naar het ziekenhuis zijn vervoerd, waarbij hij bij binnenkomst nog aanspreekbaar zou zijn. In het ziekenhuis zou middels onderzoek (echo van de buik) veel bloed in de buik zijn gezien. Omdat hij snel achteruit zou zijn gegaan, zou geen CT-scan meer zijn verricht, maar zou hij gelijk zijn geopereerd. Op diverse manieren zou zijn geprobeerd zijn bloeding te stelpen. Er zou nog geprobeerd zijn met een ballonpomp de bloeddruk op peil te houden, echter dit had geen baat. [slachtoffer] bleef veel bloed verliezen en overleed. 3Vraagstelling In opdracht van de rechter-commissaris in 's-Hertogenbosch werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken. 5Resultaten Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken. A. Uitwendig 4. Er waren in totaal 11 huidperforaties (A t/m K). Alle huidperforaties gingen met bloeduitstorting gepaard. De perforaties waren als volgt: Letsel Plaats en omschrijving letsel A Aan de buik links was een ronde huidperforatie met een diameter van circa 0,5 cm (mogelijk inschot). B Aan de buik links-zijwaarts laag was een iets onregelmatige huidperforatie met een diameter van circa 0,6 cm (mogelijk uitschot). C Links laag aan de rug was een ronde huidperforatie van circa 0,5 cm (mogelijk inschot). D Hoog aan het linkerbovenbeen links zijwaarts, op de overgang naar de flank, was een ronde huidperforatie met een diameter van circa 0,5 cm (mogelijk inschot). E Aan de linkerbil was een ronde huidperforatie van circa 0,5 cm (inschot). F Aan de strekzijde van de linkerbovenarm was een ronde huidperforatie van circa 0,5 cm (inschot). G Zijwaarts aan de linkeronderarm was een huidperforatie van circa 0,5 cm waarvan de vorm door de aanwezigheid van bloed niet goed beoordeeld kon worden. H Aan de buigzijde van de linkeronderarm was een huidperforatie van circa 0,5 cm waarvan de vorm door de aanwezigheid van bloed niet goed beoordeeld kon worden. I Hoog aan het rechterbovenbeen zijwaarts was een iets rafelige huidperforatie van circa 0,5 cm (mogelijk uitschot). J Aan de binnenzijde van het rechterbovenbeen was een ronde huidperforatie van circa 0,5 cm (mogelijk inschot). K Rechts zijwaarts op de overgang van de borstkas naar de buik was een iets langwerpige onregelmatige huidperforatie van circa 1 x 0,5 cm (mogelijk uitschot). 5. Aan de borstkas rechts zijwaarts was een paarse huidverkleuring door onderhuidse bloeduitstorting waarbij over intacte huid een projectiel (genoemd kogel 2) voelbaar was. B. Inwendig 1. Er waren in totaal zeven schotkanalen te herleiden (alle met bloeduitstortingen gepaard), waarvan de richting (het verloop) van enkele vermoedelijk was. De richting is bepaald aan het gestrekte lichaam. A. In relatie met letsel A, letsel D, letsel K en projectiel, genoemd kogel 2, waren door de buikholte twee schotkanalen. Kogel 2 en letsel K waren dicht bij elkaar gelegen en er was overlap van de twee schotkanalen mogelijk. Hierdoor kon niet bepaald worden of het inschot in relatie stond met letsel A of letsel D. Tevens kon dan ook niet bepaald worden of het doorschot via letsel K, in relatie stond met letsel A of letsel D. In relatie met deze schotkanalen was uitgebreide bloeduitstorting in de weke delen van de buik. In de ader en slagader van de rechternier waren verscheuringen en er was een doorschot aan de lever. In relatie met letsel D was het linkerheupbeen geraakt. B. In relatie met letsel C en B was er een doorschot aan de linkerflank door de weke delen van buikwand. Alleen weke delen waren geraakt en de buikholte was niet geperforeerd. C. In relatie met letsel E was er een inschot aan de linkerbil/linkerbovenbeen naar rechts, voetwaarts en voorwaarts, eindigend in het linker bovenbeensbot met hierin een projectiel, genoemd kogel 3. Het linker bovenbeensbot was gebroken. D. In relatie met F was er een inschot aan de linkerbovenarm waarbij het schotkanaal naar rechts verliep eindigend binnenwaarts in de huid van de linkerbovenarm, al waar een projectiel, genoemd kogel 1. Het bovenarmsbot was gebroken. E. In relatie met letsel G en H was er een doorschot door de linkeronderarm waarbij alleen weke delen waren geraakt. In relatie met letsel J en I was er een doorschot aan het rechterbovenbeen waarbij alleen weke delen waren geraakt. 2. Er waren bleke organen, waaronder de schildklier, de nieren en de hersenen. Er was 650 ml bloed in de rechterborstholte en 400 ml bloed in de linkerborstholte. 6Interpretatie van resultaten Er waren bij sectie aan het lichaam tekenen van doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij drie inschoten en vier doorschoten (sub A4 en B1). De huidperforaties sub A4 waren, gezien de begeleidende bloeduitstortingen, alle bij leven ontstaan. Er was een toestand na operatie waardoor de beoordeling van de inwendige letsels van de buik beperkt was. In relatie met letsel A, letsel D, letsel K en projectiel, genoemd kogel 2, waren door de buikholte twee schotkanalen. Het projectiel, genoemd kogel twee en letsel K waren dichtbij elkaar gelegen en er was overlap mogelijk van deze twee schotkanalen (sub B1a). Gezien deze mogelijk overlap en de operatieve veranderingen waardoor de beoordeling van de inwendige letsels van de buik beperkt was, kon niet meer bepaald worden of in relatie met letsel A of in relatie met letsel D een inschot of doorschot was opgeleverd. Wel was uitgebreide bloeduitstorting en bloeding ontstaan sub A1 en B2 waarmee het intreden van de dood wordt verklaard. 7Conclusie Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood verklaard door verbloeding veroorzaakt door inwerking van meervoudig uitwendig mechanisch perforerend geweld. Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisant [verbalisant 6] afgelegde verklaring van getuige [getuige 1] : Adres getuige: [plaats 1] 25 te Eindhoven V: vraag verbalisant A: antwoord getuige V: Wat kunt u over die avond vertellen? A: Volgens mij was het die avond 27 februari 2014, volgens mij om 21.20 uur. Ik hoorde op dat moment een aantal knallen. V: Wat hoorde u precies? A: Ik hoorde echt pang-pang en verder. Echt zoals op televisie. En dan meerdere keren. Dit klonk in mijn beleving achter elkaar. Direct daarna hoorde ik een scooter of een motor met een rotgang langs mijn huis rijden. V: Uit welke richting kwam deze scooter/motor? A: Uit de richting van de parkeerplaats aan de [plaats 1] . Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisant [verbalisant 6] afgelegde verklaring van getuige [getuige 2] : Adres getuige: [plaats 1] 41 te Eindhoven V: vraag verbalisant A: antwoord aangever V: Wat kunt u vertellen over de avond van 27 februari 2014? A: Die avond zat ik met mijn vrouw in de woonkamer. Rond 21.30 uur ongeveer, hoorde ik een knal. En meteen nog knallen. Tussen de eerste en de andere knallen was de tijd kort. Hooguit twee seconden. A: Ik ben toen meteen opgestaan en naar de voorzijde gelopen. Ik ben aan de voorzijde naar buiten gegaan. A: Ik heb toen gekeken in de richting van de parkeerplaats van de [plaats 1] , het hofje. Voor mij was het al duidelijk dat de knallen van voor kwamen. Ik zag een man lopen die van links kwam, vanaf de parkeerplaats en liep in de richting van de woning [plaats 1] 29. Ik hoorde dat die man zei: “Ik ben beschoten”. Ik zag dat die man anders liep, verzwakt of zoiets. V: Wat dacht je? A: Voor mij was het wel duidelijk, hij was beschoten. Vervolgens zag ik dat hij naar nummer 29 liep. V: Je vertelde dat je een scooter weg hoorde rijden. Hoe ging dat? A: Nog voor ik die man van 29 had zien lopen hoorde ik al een scooter rijden. Ik hoorde de scooter wegrijden. Niet dat hij gestart werd. Ik hoorde het wegrijdende geluid en in mijn beleving was dit, vanaf de parkeerplaats, de andere kant van waar mijn woning staat. De scooter reed de parkeerplaats af. Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] afgelegde verklaring van getuige [getuige 3] : Op 27 februari 2014 tussen 21.00 uur en 21.30 uur, zat ik op de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning [plaats 2] in Eindhoven. Ik hoorde op een gegeven moment een kloppend geluid alsof iemand op de poort sloeg. Ik hoorde dat geluid meerdere keren kort achter elkaar. Ik keek vervolgens door de luxaflex naar de achterzijde van de woning. Ik zag ongeveer vijftien tot twintig seconden later twee personen op een scooter rijden over een gangetje aan de achterzijde van de woning. Naar mijn idee reden ze snel en ik zag dat ze vanuit dat gangetje rechtsaf de [plaats 3] opreden in de richting Geldrop. Ze reden zonder af te remmen de [plaats 3] op. Op de scooter zaten twee mensen met een helm op. Een proces-verbaal van sporenonderzoek van verbalisanten [verbalisant 9] , [verbalisant 10] en [verbalisant 11] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Op 27 februari 2014 omstreeks 22.30 uur werd door ons, verbalisanten, als forensisch onderzoekers een forensisch onderzoek naar sporen verricht naar aanleiding van een doodslag/moord gepleegd aan de [plaats 1] te Eindhoven. Toelichting Daar waar in dit proces-verbaal wordt vermeld dat sporen/sporendragers zijn veiliggesteld, wordt tevens bedoeld dat deze in beslag zijn genomen. Op het moment van veiligstellen wordt aan deze sporen en sporendragers een S(poor) I(dentificatie) N(ummer) toegekend. In dit proces-verbaal kan bij het noemen van het spoor/sporendrager naar dit unieke SIN nummer worden verwezen. In dit proces-verbaal is een lijst met omschrijving van de sporen/sporendragers opgenomen. Informatie voorafgaande aan het onderzoek Het ter plaatse aanwezige politiepersoneel deelde ons het navolgende mede: ˗ op 27 februari 2014 kwam het slachtoffer [slachtoffer] aan op de [plaats 1] te Eindhoven; ˗ het slachtoffer was naar de sportschool geweest en parkeerde zijn auto voorzien van kenteken [kenteken auto slachtoffer] op het parkeerterrein aan de [plaats 1] ; ˗ bij het uitstappen uit het voertuig werd het slachtoffer direct beschoten. Onderzoekslocatie Aan de [plaats 1] te Eindhoven bevond zich een parkeerterrein waaraan rondom woningen waren gevestigd. De [plaats 1] was bereikbaar via een inrit komende vanaf de [plaats 2] te Eindhoven. Kijkende vanaf de inrit naar het parkeerterrein bevonden zich rechtdoor acht naast elkaar gelegen parkeervakken die parallel aan de woningen voorzien van perceelnummer 27 tot en met 33 waren gesitueerd (genaamd parkeervak 1). Daarvoor bevonden zich zes naast elkaar gelegen parkeervakken, die parallel aan de eerder genoemde parkeervakken waren gesitueerd (genaamd parkeervak 2). Tussen parkeervak 1 en parkeervak 2 bevond zich een rijbaan. Deze rijbaan verliep vanaf de inrit langs parkeervak 2 af en tussen parkeervak 1 en 2 door. Het parkeerterrein was van de woningen afgescheiden middels een trottoir en enkele lage muurtjes. Vanaf dit trottoir waren meerdere doorgangen tussen de woningen die naar andere wegen leiden. De woning [plaats 1] 29 was bereikbaar vanaf de parkeerterrein via genoemd trottoir. Onderzoek plaats delict Op 27 februari 2014 startten wij, verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , met een onderzoek op de plaats delict. Kijkende naar parkeervak 1 zagen wij dat in het rechtse parkeervak een voertuig geparkeerd stond van het merk Peugeot, type Partner voorzien van de Nederlandse kentekenplaten [kenteken auto slachtoffer] met daarnaast een voertuig van het merk Toyota, type RAV4. Wij vonden meerdere hulzen. ˗ Wij zagen één huls te midden van de rijbaan. Deze werd voorzien van het markeringsnummer 1. De huls werd verpakt in een hulzenkoker en een papieren zak, die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5761NL. De huls was voorzien van een indruk op de hulsbodem zijnde "32 auto C.B.C.". ˗ Op het trottoir troffen wij een tweede huls. Deze huls bevond zich daar waar het politievoertuig zich had bevonden en werd voorzien van markeringsnummer 2. De huls werd door mij, verbalisant [verbalisant 9] , verpakt in een hulzenkoker en een papieren zak, die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5764NL. Wij zagen dat de hulsbodem van deze huls voorzien was van rode verf en een indruk "S&B 7.65". ˗ Op de rijbaan nabij het voertuig voorzien van kentekenplaten [kenteken auto slachtoffer] zagen wij nog een huls die voorzien werd van markeringsnummer 3. De huls werd door mij, verbalisant [verbalisant 9] , verpakt in een hulzenkoker en een papieren zak, die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5765NL. Wij zagen dat de hulsbodem van deze huls voorzien was van rode verf en een indruk "S&B 7.65". ˗ Op het trottoir, naast het parkeervak alwaar de Peugeot geparkeerd stond, zagen wij twee hulzen. De hulzen werden respectievelijk voorzien van de markeringsnummers 4 en 5. Door mij, verbalisant [verbalisant 9] , werden de hulzen afzonderlijk verpakt in een hulzenkoker en een papieren zak, die werd verzegeld en respectievelijk werden voorzien van SIN AAGR5766NL

(4)en AAGR5767NL
(5). Wij zagen dat de huisbodem van de huls met markeringsnummer 4 voorzien was van rode verf en een indruk "S&B 7.65". Wij zagen dat de hulsbodem van de huls met markeringsnummer 5 voorzien was van een indruk "9mm Luger LZ". ˗ Te midden van de rijbaan, nabij de huls voorzien van markeringsnummer 1, troffen wij nog een huls aan. Deze huls werd gemarkeerd met nummer
  1. Door mij, verbalisant [verbalisant 9] , werd de huls verpakt in een huizenkoker en een papieren zak, die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5774NL. Wij zagen dat de huisbodem van deze huls voorzien was van een indruk "32 auto C.B.C.". Na navraag bleek mij dat de hulzen van het kaliber 32 auto en 7.65 met eenzelfde vuurwapen verschoten zouden kunnen worden. Voor de Toyota zagen wij meerdere bloedconcentraties. Wij zagen bloedsporen vanaf dit voertuig tot aan de woning [plaats 1]
  2. De bloedsporen verliepen vanaf de rijbaan over het trottoir naar de woning. Nabij een van de bloedconcentraties zagen wij enkele manteldelen. Door mij, verbalisant [verbalisant 9] , werden de manteldelen verpakt in een papieren zak die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5769NL. In de deuropening van de [plaats 1] 29 te Eindhoven zagen wij enkele kledingstukken en goederen. Wij zagen een rood T-shirt. Bij het oppakken van het shirt viel een projectiel op de grond. Het projectiel werd door mij, verbalisant [verbalisant 9] , verpakt in een plastic koker en een papieren zak, die werd verzegeld en voorzien van SIN AAGR5971NL. Wij zagen dat het projectiel een volmantel had van messing. Onderzoek speurhond Op 27 februari 2014 (het hof begrijpt: 28 februari 2014) omstreeks 1.57 uur werd ter plaatse een onderzoek verricht door [verbalisant 12] , speurhondengeleider werkzaam bij de Landelijke Eenheid, en zijn speurhond explosieven. Tijdens het onderzoek werden twee hulzen aangetroffen ter hoogte van parkeervak 2, tegenover de eerder genoemde Toyota. De hulzen werden gemarkeerd met driehoekige nummerbordjes 1 en
  3. Vervolgens werden de hulzen door mij, verbalisant [verbalisant 11] , afzonderlijk veiliggesteld in een plastic koker en een papieren zak, welke werden verzegeld en respectievelijk werden voorzien van SIN AAEY1575NL
(1)en AAEY1574NL
(2). Samenvattende bevindingen Gelet op de aangetroffen bloedsporen en het aantreffen van het slachtoffer kan gesteld worden dat het slachtoffer zijn eerste verwondingen opgelopen heeft ter hoogte van de Peugeot en de Toyota en zich vervolgens heeft begeven naar de woning aan de [plaats 1] 29 te Eindhoven. Gelet op de verschillende kalibers van de aangetroffen hulzen kan gesteld worden dat ten tijde van het incident met ten minste twee vuurwapens projectielen verschoten zijn. Een proces-verbaal van sporenonderzoek van verbalisanten [verbalisant 10] , [verbalisant 11] en [verbalisant 9] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Algemeen Op 28 februari 2014, omstreeks 1.45 uur stelden wij, verbalisanten, medewerkers van de Forensisch Opsporing een forensisch technisch onderzoek in naar het aantreffen van een uitgebrande scooter. De scooter zou mogelijk door daders van een schietincident gebruikt zijn. Het schietincident vond plaats op de [plaats 1] te Eindhoven. De [plaats 1] is gelegen op een afstand, hemelsbreed, van 1.400 meter van de plaats waar de scooter is aangetroffen. Omschrijving plaats aantreffen Het betrof een zandpad genaamd [plaats 4] te Eindhoven. Het zandpad vormt een verbinding tussen de gemeente Eindhoven en de gemeente Geldrop en is gelegen aan de noordzijde van het Eindhovens Kanaal. Ter plaatse bevond zich over het zandpad een spoorbrug. Komende uit de richting van de [plaats 3] en gaande in de richting van Eindhoven was voor de spoorbrug een verbreding in het zandpand gelegen. Tevens lag er een zandpad parallel aan de spoorbaan. Bij de spoorbrug was een talud gelegen. De scooter werd door ons liggend nabij het talud aangetroffen. Onderzoek scooter Wij zagen dat de scooter op de linkerzijkant lag met de voorzijde in de richting van het zandpad. Wij zagen dat de scooter door de inwerking van brand totaal vernield was. Nadat door ons de scooter is onderzocht, werd de scooter veiliggesteld en voorzien van SIN AAGZ4156NL. Vervolgens werd de scooter voor nader onderzoek, door een aangewezen takel- en bergingsbedrijf, overgebracht naar de conserveerruimte gelegen aan de [plaats 5] te Eindhoven. Na het onderzoek van de scooter werd door ons het zandpad verder onderzocht. Onder de spoorbrug troffen wij drie hulzen aan. Door ons werden de aangetroffen hulzen voorzien van spoormarkeringsbordjes voorzien van de nummer 17, 18 en 19. Hierna werden de aangetroffen hulzen door ons veiliggesteld, gewaarmerkt en afzonderlijk voorzien van SIN AAGR5780NL, AAGR5779NL en AAGR5778NL. Bij het veiligstellen zagen wij dat alle hulzen voorzien waren van een bodemstempel met de tekst "9MM LUGER". Speurhond Op 28 februari 2014 omstreeks 3.15 uur werd door [verbalisant 12] , werkzaam bij de Landelijke Eenheid afdeling Speur en Specialistische dieren, de plaats van aantreffen van de scooter met een gecertificeerde speurhond onderzocht. Bij dit onderzoek werden tien hulzen onder de spoorbrug aangetroffen. De hulzen werden door mij, verbalisant [verbalisant 11] , voorzien van spoormarkeringsbordjes voorzien van nummers 3 tot en met 12. De hulzen werden vervolgens veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN. Tevens werd de hulsbodem bekeken ter bepaling van omschrijving (het hof: zie kaliber in onderstaande tabel). Spoornummer Omschrijving Kaliber SIN 3 Huls 9 MM AAEY1576NL 4 Huls 9 MM AAEY1577NL 5 Huls 7,65 AAEY1578NL 6 Huls 7,65 AAEY1579NL 7 Huls 7,65 AAEY1580NL 8 Huls .32 auto AAEY1581NL 9 Huls 7,65 AAEY1582NL 10 Huls 7,65 AAEY1583NL 11 Huls 9 MM AAEY1584NL 12 Huls 9 MM AAEY1585NL Een proces-verbaal van sporenonderzoek van verbalisanten [verbalisant 13] , [verbalisant 14] en [verbalisant 15] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Op 28 februari 2014 hebben wij, verbalisanten, op verzoek van [verbalisant 11] , werkzaam als Forensisch coördinator forensisch technische bijstand verleend aan het rechercheonderzoek genaamd ‘Kabelbaan’. Deze bijstand bestond onder andere uit het fotografisch vastleggen van de plaatsen van onderzoek en het eventueel forensisch veiligstellen van sporen(dragers). Tijdens het fotograferen werd door mij op het trottoir van het voetgangersgebied tussen de [plaats 1] en [plaats 6] te Eindhoven een huls aangetroffen. Ik, verbalisant [verbalisant 15] , heb deze huls als sporendrager veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN-nummer AAGG4283NL. Door verbalisant [verbalisant 14] werd tevens een projectiel aangetroffen. Dit projectiel bevond zich in het gras ter hoogte van de spoorbrug. Door mij, verbalisant [verbalisant 15] , werd dit projectiel als sporendrager veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN-nummer AAGG4282NL. Een deskundigenrapport met opschrift “Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Eindhoven op 28 februari 2014 (het hof begrijpt: 27 februari 2014) ” opgesteld door [medewerker NFI 1] , verbonden aan het NFI voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van voornoemde deskundige: 1Te onderzoeken materiaal Tabel 1, overzicht te onderzoeken materiaal ontvangen op 21 maart 2014. SIN Omschrijving AAEY1574NL tot en met AAEY1585NL, AAGG4283NL, AAGR5761NL, AAGR5764NL tot en met AAGR5767NL, AAGR5774NL, AAGR5778NL tot en met AAGR5780NL Munitie (hulzen) AAGG4282NL Munitie (patroon) Tabel 2, overzicht te onderzoeken materiaal ontvangen op 19 maart 2014. SIN Omschrijving AAEY1955NL tot en met AAEY1957NL, AAGR5769NL, AAGR5971NL Munitie (kogelpunten) AAGG4103NL Munitie (projectiel) 2Vraagstelling Zijn de verschoten munitiedelen afkomstig uit één of meerdere vuurwapen(s)? 3Onderzoek Het onderzoek is verricht zoals omschreven in vakbijlage 'Vergelijkend kogel- en hulsonderzoek' versie 6, januari 2010. 4.3 Vergelijkend onderzoek hulzen [AAEY1576NL, -577NL, -584NL, -585NL, AAGR5767NL, -778NL, -779NL en -780NL] Hypothesestelling Gezien de vraagstelling en de resultaten van een verricht vooronderzoek zijn voor de acht hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum (hof: SIN nummers hierboven genoemd) de volgende hypothesen beschouwd. Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met twee of meer vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Resultaten Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de hulzen is gebleken dat: ˗ de oneffenheden in de slagpinindrukken overeenkomen bij alle hulzen; ˗ de oneffenheden in de stootbodemsporen overeenkomen bij enkele hulzen; ˗ in de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden waargenomen. Interpretatie van de resultaten De waargenomen overeenkomsten tussen sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 1). Op basis van de structuur van de kraslijnen en oneffenheden zijn deze sporen als kenmerkend voor het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Hierdoor is er een kleine kans om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de hulzen zijn verschoten met twee of meer vuurwapens (hypothese 2). 4.4 Vergelijkend onderzoek hulzen [AAEY1574NL, -575NL, -578NL, -579NL, -580NL, -581NL, -582NL, -583NL, AAGG4283NL, AAGR5761NL, -764NL, -765NL, -766NL en -774NL] Hypothesestelling Gezien de vraagstelling en de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de veertien hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning (hof: SIN nummers hierboven genoemd) de volgende hypothesen beschouwd. Hypothese 3: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. Hypothese 4: De hulzen zijn verschoten met twee of meer vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Resultaten Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de hulzen is gebleken dat: ˗ de op kraslijnen gelijkende indrukken in de hulsuitwerpsporen aansluiten bij alle hulzen; ˗ de oneffenheden in de patroontrekkerhaaksporen overeenkomen bij alle hulzen; ˗ in de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden waargenomen. Interpretatie van de resultaten De waargenomen overeenkomsten tussen sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 3). Op basis van de structuur van de kraslijnen en oneffenheden zijn deze sporen als zeer kenmerkend voor het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Hierdoor is het vrijwel uitgesloten om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de hulzen zijn verschoten met twee of meer vuurwapens (hypothese 4). 4.5 Vergelijkend onderzoek kogels en manteldeel [AAEY1955NL, -956NL, -957NL, AAGG4103NL en AAGR5769NL] Hypothesestelling Gezien de vraagstelling en de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de vijf kogels en het manteldeel, passend bij het kaliber 7,65 mm Browning (hof: SIN nummers hierboven genoemd) de volgende hypothesen beschouwd: Hypothese 5: De kogels en het manteldeel zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop. Hypothese 6: De kogels en het manteldeel zijn afgevuurd uit twee of meer lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Resultaten Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de sporen in de kogels is gebleken dat de kraslijnen in de groeven voor een deel aansluitingen vormen. Interpretatie van de resultaten De waarneming dat de kraslijnen in de kogels deels aansluiten past goed bij de hypothese dat deze afgevuurd zijn uit dezelfde loop (hypothese 5). Op basis van de structuur van de kraslijnen zijn deze sporen als zeer kenmerkend voor de loop van het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Hierdoor is er een kleine kans om deze mate van aansluiting waar te nemen als de kogels zijn afgevuurd uit twee of meer lopen (hypothese 6). 5Conclusie De hulzen konden worden onderverdeeld in clusters met twee verschillende kalibers, te weten een cluster van acht hulzen in het kaliber 9 mm Parabellum en een cluster van veertien hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning. Gezien het verschil in kaliber en in sporen kunnen de hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum niet verschoten zijn uit hetzelfde wapen als de hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning en vice versa. Na deze vaststelling is per cluster onderzocht of de hulzen afkomstig zijn uit één of uit meer vuurwapens. De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is. De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is. De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 5 juist is, dan wanneer hypothese 6 juist is. Een proces-verbaal van technisch onderzoek van verbalisanten [verbalisant 16] en [verbalisant 5] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Op 28 februari 2014 hebben wij, verbalisanten, beiden forensisch technisch onderzoeker een onderzoek ingesteld naar de juiste identiteit van het hierna omschreven tweewielige voertuig. Het onderzoek werd uitgevoerd op verzoek van de forensisch coördinator van Team Grootschalig Optreden (T.G.O.) ‘Kabelbaan’. Het voertuig was volledig uitgebrand en onbeheerd aangetroffen. Voertuig omschrijving Soort voertuig: tweewielige motor-, brom- of snorfiets Merk : Piaggio Ingeslagen framenummer (V.I.N.): vervalst en gedeeltelijk weggeslepen Motornummer : CSM1M *7809* (vervalst) Kentekenplaat : geen Conclusie Het model van het onderzochte voertuig betrof een Vespa LX. De modellen zijn verkrijgbaar in snor- of brom- of motorfiets uitvoering. Het voertuig was voorzien van een brandstofmotor met een cilinderinhoud van 125 cc. Het origineel ingeslagen Voertuig Identificatie Nummer (V.I.N.) was verwijderd. Op die plaats was opnieuw een V.I.N. ingeslagen, hetgeen door slijpsporen ook niet meer leesbaar (te maken) was. De voorloop van het valselijk ingeslagen V.I.N. duidde op een snor- of bromfiets uitvoering. Het origineel ingeslagen motornummer was verwijderd. Op die plaats was opnieuw een motornummer ingeslagen. Dit valselijk ingeslagen motornummer behoort bij een motorfiets uitvoering type Piaggio Skr 125. Het origineel ingeslagen motornummer kon door ons niet meer achterhaald worden. Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 17] en [verbalisant 18] afgelegde verklaring van verdachte: V = vraag A = antwoord A: [slachtoffer] (het hof: [slachtoffer] ) is 27 februari 2014 gaan sporten en heeft hij zijn moeder gebeld. Mam ik kom er zo aan tussen half 8 en 8 (20.00 uur). [slachtoffer] zei nog, ik ga sporten en kom ik daarna meteen naar huis. Ik bel jou als ik weer terug rij. Ik zei tegen hem dat is prima. Hij belde mij op enig moment. Ik heb dat voor de politie na moeten kijken. Dit was om 21.17 uur. Hij belde mij op en zei: “[verdachte] ik rij nu over de [plaats 7] , ik ben bijna thuis. Fijn schat, fijn. Ik ben bijna thuis. Ik zie jou zo, ik hou van jou schat, ik ook van jou.” In één keer hoor ik ‘baf’, en hierna ‘toek, toek, toek, toek, toek, toek, toek’. Die buurvrouw zegt: “[slachtoffer] , die buurman, die buurman ligt hier.” Ik trek het rolgordijn opzij en pakte mijn sleutels en deed de deur open en zag toen [slachtoffer] . Hij lag daar en zat helemaal onder het bloed. V: Heb je dat briefje (het hof: een briefje met daarop een door [verdachte] genoteerd kenteken) mogelijk nog ergens liggen? A: In de auto die ik total loss heb gereden. Ze hebben die auto vandaag opgehaald bij het schadebedrijf waar deze stond. Daar lag dat briefje in. V: Waar stond die auto? A: Bij [autoschadebedrijf] . Ik heb mijn auto total loss gereden en die auto staat bij dat bedrijf. V: Wat was het voor een auto? A: Het was een Fiat Idea. V: Weet je waar [slachtoffer] vanavond is gaan sporten? A: Hij is bij [sportschool] (het hof: In Geldrop) gaan sporten. Dat weet ik, omdat hij mij om 21.17 uur nog gebeld had en toen zei dat hij over de [plaats 7] kwam gereden. Dit inkomend gesprek staat nog in mijn telefoon opgeslagen en betrof een gesprek van tien seconden. V: Met welk telefoonnummer heeft hij jou gebeld? A: Dit betreft [telefoonnummer 1] . V: Welk telefoonnummer gebruik je zelf? A: Ik gebruik het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (het hof begrijpt mede gelet op bewijsmiddel 22: [telefoonnummer 2]). Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 19] en [verbalisant 20] afgelegde verklaring van getuige [getuige 4] : [slachtoffer] (het hof: [slachtoffer] ) belde tussen 6 of 7 uur en vertelde dat [verdachte] (het hof: [verdachte] ) de kinderen in bad ging doen. Hij zou nog een uurtje gaan sporten. Hij was 8 uur bij mij. Ik was het weer op RTL4 aan het kijken, daarom weet ik dat nog. Hij is toen even naar boven gegaan. Hij heeft een ander shirt aan gedaan. Hij ging weg en zei dat hij na het sporten meteen naar huis zou gaan. Ik heb hem na het sporten niet meer gesproken. Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 21] afgelegde verklaring van getuige [getuige 4] : Van te voren is [slachtoffer] wel langs geweest en heeft boven sportkleding gepakt. Hij zei nog tegen mij: “Mamma, ik ga ook niet douchen en doe maar even sporten en ga dan direct naar huis en daar ga ik douchen”. Ik schat dat hij een uurtje ging sporten. Hij is toen ook meteen naar huis gegaan. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 22] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Doorzoeking personenauto, merk Fiat, kenteken [kenteken auto verdachte] Op 28 februari 2014, werd het voertuig [kenteken auto verdachte] doorzocht. Door [verdachte] werd verklaard dat dit voertuig regelmatig door haar werd gebruikt en dat zij dit voertuig total loss had gereden. Op het moment dat het voertuig werd doorzocht stond deze gestald bij het bedrijf [autoschadebedrijf] . In het voertuig werd, onder andere, een kaart aangetroffen met daarop het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Deze kaart werd in beslag genomen. Van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] werden de historische verkeersgegevens gevorderd en verkregen. Hieruit bleek dat voornoemd nummer voor het eerst werd gebruikt op 23 januari 2014 te 13:25 uur en voor het laatst werd gebruikt op 27 februari 2014 te 21:18 uur. Gedurende deze periode heeft het telefoonnummer alleen gebruik gemaakt van het telefoontoestel dat voorzien is van het IMEI nummer [IMEI 1] . Tevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] gedurende voornoemde periode slechts contact had met de navolgende telefoonnummers: 1. [telefoonnummer 4] 2. [telefoonnummer 5] 3. [telefoonnummer 6] 4. [telefoonnummer 7] 5. [telefoonnummer 8] Gebruikersgegevens en historische verkoopgegevens In het onderzoek Kabelbaan werden diverse telefoonnummers bevraagd op hun gebruikersgegevens bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT). Bij de telefoonproviders van de betreffende telefoons werden de historische gegevens gevorderd en verkregen van onder meer de hieronder genoemde telefoonnummers. Hieruit bleek het volgende: Telefoonnummer Provider simkaart Verkoopgegevens [telefoonnummer 3] Vodafone Kijkshop B.V. [telefoonnummer 5] Vodafone Kijkshop B.V. [telefoonnummer 6] Vodafone Kijkshop B.V. [telefoonnummer 7] Vodafone Kijkshop B.V. [telefoonnummer 9] Vodafone Kijkshop B.V. Gebruikte IMEI nummers In het onderzoek Kabelbaan werden van diverse telefoon- en IMEI nummers de historische verkeersgegevens gevorderd en verkregen. Middels analyse van deze gegevens werd gekeken van welke IMEI nummers, de telefoonnummers die verkocht waren door de Kijkshop, gebruik hadden gemaakt. Hieruit bleek onder meer het volgende: Telefoonnummer IMEI nummer [telefoonnummer 3] [IMEI 1] [telefoonnummer 5] [IMEI 2] [telefoonnummer 6] [IMEI 3] [IMEI 4] [telefoonnummer 7] [IMEI 5] [telefoonnummer 9] [IMEI 6] Ook werden de telefoonnummers welke, gedurende dit onderzoek (tot en met 17 april 2014), door [verdachte] waren gebruikt, geanalyseerd. Er werd gekeken van welke IMEI nummers de telefoonnummers van [verdachte] gebruik hadden gemaakt. Hieruit bleek (onder meer) het volgende: Telefoonnummer IMEI nummer [telefoonnummer 10] [IMEI 7] [telefoonnummer 11] [IMEI 8] [telefoonnummer 12] [telefoonnummer 13] [IMEI 9] Historische verkoopgegevens; IMEI nummer Kijkshop B.V. Bij de Kijkshop B.V. werden de historische verkoopgegevens gevorderd en verkregen van onder meer de onderstaande IMEI-nummers: Telefoonnummer IMEI nummer Verkoopgegevens IMEI nummer Winkelfiliaal Datum en tijd [telefoonnummer 3] [IMEI 1] Onbekend onbekend [telefoonnummer 5] [IMEI 2] Woenselse markt 19 Eindhoven 27 februari 2014 te 14.28 uur [telefoonnummer 6] [IMEI 3] Woenselse markt 19 Eindhoven 27 februari 2014 te 14.25 uur [telefoonnummer 7] [IMEI 5] Onbekend Onbekend [telefoonnummer 9] [IMEI 6] Woenselse markt 19 Eindhoven 27 februari 2014 te 14.25 uur [telefoonnummer 10] [IMEI 7] Woenselse markt 19 Eindhoven 28 februari 2014 te 16.15 uur [telefoonnummer 11] [telefoonnummer 12] [IMEI 8] Woenselse markt 19 Eindhoven 10 maart 2014 te 13.24 uur [telefoonnummer 13] [IMEI 9] Woenselse markt 19 Eindhoven 19 maart 2014 te 17.36 uur Door de Kijkshop werden kopieën van kassabonnen aangeleverd. Uit de kassabonnen blijkt dat: • De IMEI nummers [IMEI 3] en [IMEI 6] tezamen zijn gekocht; • Het IMEI nummer [IMEI 2] slechts drie minuten later werd gekocht. Camerabeelden Kijkshop Bij de Kijkshop werden alle camerabeelden, van de hierboven genoemde transacties, gevorderd en verkregen. De camerabeelden werden bekeken door mij, verbalisant [verbalisant 22] , en hieruit bleek het navolgende. Verkoop IMEI nummers [IMEI 3] en [IMEI 6] Op 27 februari 2014 te 14:25 uur, werden de mobiele telefoons voorzien van de IMEI nummers [IMEI 3] en [IMEI 6] verkocht door de Kijkshop. Op de verkregen camerabeelden van de Kijkshop is te zien dat deze twee mobiele telefoons worden gekocht door een man. Wij, verbalisanten, herkennen de man op drie foto’s van de verkoop van de twee telefoons als: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Verkoop IMEI nummer [IMEI 2] Op 27 februari 2014 te 14:28 uur, werd de mobiele telefoon voorzien van het IMEI nummer [IMEI 2] verkocht door de Kijkshop. Op de verkregen camerabeelden van de Kijkshop is te zien dat deze mobiele telefoon wordt gekocht door een man. Wij, verbalisanten, herkennen de man op de foto van de verkoop als: [medeverdachte 2] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Uit de verkregen camerabeelden blijkt dat de twee mannen bij elkaar horen. Op de camerabeelden is te zien dat de twee mannen contact met elkaar hebben. Verkoop IMEI nummer [IMEI 7] Op 28 februari 2014 te 16.15 uur, werd de mobiele telefoon voorzien van het IMEI nummer [IMEI 7] verkocht door de Kijkshop. Op de verkregen camerabeelden van de Kijkshop is te zien dat deze mobiele telefoon word gekocht door een vrouw met lang blond haar in een staart. Wij verbalisanten herkennen de vrouw met het lange blonde haar op twee foto’s van de verkoop als [verdachte] . Verkoop IMEI nummers [IMEI 10] en [IMEI 8] Op 10 maart 2014 te 13.23 uur werd de mobiele telefoon voorzien van het IMEI nummer [IMEI 10] verkocht en op 10 maart 2014 te 13.24 uur werd de mobiele telefoon voorzien van IMEI nummer [IMEI 8] verkocht door de Kijkshop. Op de verkregen camerabeelden van de Kijkshop is te zien dat de mobiele telefoons worden gekocht door twee vrouwen. Eén daarvan betreft een vrouw met lang blond haar met daarin een zonnebril. De vrouw met het lange blonde haar en de zonnebril is de reeds eerder herkende [verdachte] . Verkoop IMEI nummers [IMEI 9] en [IMEI 11] Op 19 maart 2014 te 17.36 uur, werden de mobiele telefoons voorzien van de IMEI nummers [IMEI 9] en [IMEI 11] verkocht door de Kijkshop. Op de verkregen camerabeelden van de Kijkshop is te zien dat deze twee mobiele telefoons worden gekocht door een vrouw met lang blond haar met daarin een zonnebril die een klein meisje vast houdt in haar armen. Deze vrouw is reeds herkend als [verdachte] . Naar aanleiding van het vorenstaande ontstaat het volgende overzicht: Transactie datum en tijd IMEI-nummer(
  1. s)Telefoonnummer(
  2. s)Koper IMEI-nummer(
  3. s)27 februari 2014 te 14.25 uur [IMEI 3] [telefoonnummer 6] [medeverdachte 1] [IMEI 6] [telefoonnummer 9] [medeverdachte 1] 27 februari 2014 te 14:28 uur [IMEI 2] [telefoonnummer 5] [medeverdachte 2] 28 februari 2014 te 16:15 uur [IMEI 7] [telefoonnummer 10] [verdachte] 10 maart 2014 te 13:23 uur [IMEI 10] [telefoonnummer 14] [verdachte] 10 maart 2014 te 13:24 uur [IMEI 8] [telefoonnummer 11] [verdachte] [telefoonnummer 12] 19 maart 2014 te 17:36 uur [IMEI 9] [telefoonnummer 13] [verdachte] [IMEI 11] [telefoonnummer 15] Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 23] en [verbalisant 24] afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] : V = vraag A = antwoord A: Ik word verdacht van telefoonaankoop bij de Kijkshop. V: We hebben het over februari 2014 (het hof: 27 februari 2014). A: Ik ben die dag naar [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) toegegaan. Zijn moeder was thuis en we mochten haar auto lenen. Toen zijn wij naar de zonnebank gereden. Ik heb een zonnebankje genomen, volgens mij hij ook. Tegenover de zonnebank op de Kruisstraat is de Kijkshop (het hof begrijpt: de Kijkshop op de Woenselse Markt te Eindhoven). [medeverdachte 1] zei tegen mij dat hij een telefoontje nodig had. Toen heeft hij de aankoop gedaan van die telefoons. Maar bij de Kijkshop mag je maximaal twee telefoons kopen. Hij wist dat blijkbaar vooraf niet. Hij vroeg aan mij: “kan jij een telefoon aankopen?” Hij heeft mij geld gegeven. Dus toen heb ik die telefoon voor hem gekocht. Ik heb de telefoon aan hem gegeven, want die telefoon was niet voor mij. Ik heb die telefoon nooit meer gebruikt. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot telefoonnummers van [medeverdachte 3] van verbalisant [verbalisant 25] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Analyse [telefoonnummer 4] : Uit de analyse van de gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens blijkt Dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] op 14 januari 2014 te 21.40 uur voor het eerst in gebruik is genomen. Het eerste telefonische contact is met het telefoonnummer [telefoonnummer 16] , die in gebruik is bij [zus medeverdachte 3] . [zus medeverdachte 3] betreft de zus van [medeverdachte 3] . Uit analyse van de gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat tussen 25 januari 2014 en 19 februari 2014 te 20.00 uur, het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) alleen maar contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . 19 februari 2014 om 20.00 uur is het laatste tijdstip dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] en het telefoonnummer [telefoonnummer 3] contact hebben. Aan het telefoonnummer [telefoonnummer 4] is volgens de gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens onder meer het volgende IMEI nummer gekoppeld: [IMEI 12] . Onderzoek IMEI nummer [IMEI 12] De historische verkeersgegevens laten zien dat aan hetzelfde IMEI nummer, [IMEI 12] de telefoonnummers [telefoonnummer 17] en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] zijn gekoppeld. Onderzoek [telefoonnummer 17] Onderzoek heeft vastgesteld dat het telefoonnummer [telefoonnummer 17] op naam staat en in gebruik is bij [moeder medeverdachte 3] , [plaats 8] . De te naam gestelde betreft de moeder van [medeverdachte 3] . Aankoop [telefoonnummer 4] Uit onderzoek blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] op 14 januari 2014 bij het Esso pompstation aan de [plaats 16] is gekocht. Onderzoek zendmast [plaats 16] Eindhoven De gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens binnen het onderzoek geven aan dat het telefoonnummer [telefoonnummer 17] (moeder van [medeverdachte 3] ) op 14 januari 2014 om 16.56 uur de zendmast [plaats 16] 4 in Eindhoven aanstraalt. Analyse [telefoonnummer 17] Van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] zijn over de periode 22 april 2013 tot en met 22 april 2014 historische verkeersgegevens gevorderd en verkregen. De verkregen historische verkeersgegevens laten zien dat er aan het telefoonnummer [telefoonnummer 17] vier IMEI nummers gekoppeld zijn geweest, waaronder: [IMEI 13] en [IMEI 14] . Onderzoek IMEI nummer [IMEI 13] Aan het IMEI nummer [IMEI 13] zijn de telefoonnummers [telefoonnummer 18] en [telefoonnummer 17] gekoppeld geweest. Onderzoek IMEI nummer [IMEI 14] Uit de analyse van de historische verkeersgegevens valt op dat aan het IMEI nummer [IMEI 14] het telefoonnummer [telefoonnummer 4] en het telefoonnummer [telefoonnummer 19] gekoppeld zijn. Uit afgeluisterde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 19] blijkt dat de gebruiker van dit telefoonnummer [medeverdachte 3] is. Gezien vorenstaande is het zeer aannemelijk dat het nummer [telefoonnummer 4] ook die in gebruik is geweest bij [medeverdachte 3] . Onderzoek Iphone 5S In de contacten lijst van de Iphone 5S, die onder [verdachte] in beslag is genomen, is onder de naam [medeverdachte 3] het telefoonnummer [telefoonnummer 18] aangetroffen. Gezien vorenstaande is het zeer aannemelijk dat het nummer [telefoonnummer 18] in gebruik is geweest bij [medeverdachte 3] . Onderzoek [telefoonnummer 7] Op 27 februari 2014, de dag van de moord, heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) veelvuldig sms- contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] . Uit onderzoek blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] op 27 februari 2014 alleen contact heeft met de telefoonnummers [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ), [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] . Analyse [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 18] samen Uit analyse van beide telefoonnummers bleek dat de telefoonnummers veelvuldig de zendmast [plaats 4] 129 te Eindhoven aanstraalden. Ook bleek dat beide telefoonnummers regelmatig deze mast aanstraalden tijdens het laatste contact van de dag en bij het eerste contact van de dag, hetgeen hoogstwaarschijnlijk inhoudt dat de woning van de gebruiker in het dekkingsbereik van deze mast stond. Relatie [verdachte] en [medeverdachte 3] Er is vastgesteld dat [medeverdachte 3] en [verdachte] ten tijde van de moordaanslag op [slachtoffer] een geheime relatie hadden. Resumé Naar aanleiding van bovenstaande kan worden aangenomen dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 18] en [telefoonnummer 7] . Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot [medeverdachte 1] van verbalisant [verbalisant 25] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Onderzoek [telefoonnummer 6] Uit onderzoek blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] aan twee IMEI nummers gekoppeld zijn die respectievelijk door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 27 februari 2014 bij de Kijkshop in Eindhoven zijn gekocht. Analyse [telefoonnummer 6] De gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens laten zien dat het telefoonnummer [telefoonnummer 6] aan het IMEI nummer [IMEI 3] is gekoppeld. Op 27 februari 2014 om 17.00 uur wordt het telefoonnummer [telefoonnummer 6] in gebruik genomen. Het eerste telefoonnummer dat door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] wordt gebeld is het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Onderzoek heeft vastgesteld dat [verdachte] zeer waarschijnlijk de gebruikster van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] is. Contacten [telefoonnummer 6] Uit de verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 6] op 27 februari 2014 alleen contact had met de hieronder weergegeven telefoonnummers: ˗ [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ); ˗ [telefoonnummer 5] ; ˗ [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ). Onderzoek tap " [medeverdachte 1] " Uit de analyse van de opgenomen en afgeluisterde gesprekken bleek dat er een man die zichzelf " [medeverdachte 1] " noemde gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 20] . Na het CIOT te hebben bevraagd bleek dit telefoonnummer te zijn afgegeven aan [medeverdachte 1] , [plaats 9] . Uit de gemeentelijke basis administratie blijkt dat [medeverdachte 1] staat ingeschreven op bovenstaand adres. Resumé Gezien de hier boven genoemde bevindingen is het zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van de telefoonnummers [telefoonnummer 20] en [telefoonnummer 6] . Een geschrift, zijnde een excelbestand met diverse samengevoegde digitale gegevens, tapgegevens, historische verkeersgegevens en andere gegevens uit het onderzoek ‘Kabelbaan’ van [verbalisant 25] , voor zover daaruit blijkt dat: Op 27 februari 2014 om 16.36 uur wordt het nummer [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ) in gebruik genomen. Op 27 februari 2014 om 17.00 uur wordt het nummer [telefoonnummer 6] (hierna: [telefoonnummer 6] ; in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] ) in gebruik genomen. Vanaf 16.36 uur tot 21.24 uur (eerste 112-melding) worden de hierna vermelde aantallen sms-berichten verzonden tussen de in de matrix genoemde telefoonnummers. naar van [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ) [telefoonnummer 5] (gekocht voor [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) X 15 43 1 [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ) 13 x 4 5 [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ) 40 3 X 1 [telefoonnummer 5] (gekocht voor [medeverdachte 1] ) 1 1 1 X Het telefoonnummer [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ) straalt op 27 februari 2014 tussen 20.10 en 20.20 uur een zendmast aan gelegen op de [plaats 10] in Geldrop. [slachtoffer] bevindt zich op dat moment in Geldrop. Om 21.15 uur belt [slachtoffer] ( [telefoonnummer 1] ) vanuit Geldrop naar [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ). Volgens de verklaring van [verdachte] heeft [slachtoffer] toen gezegd: “dat hij op de [plaats 7] reed en zo thuis zou zijn”. Na dit gesprek om 21.18 uur stuurt [verdachte] ( [telefoonnummer 3] ) een sms-bericht naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 7] ). Vrijwel direct daarna stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 7] ) een bericht naar [verdachte] ( [telefoonnummer 3] ), gevolgd door, nog steeds om 21.18 uur, een bericht van [medeverdachte 3] naar de gebruiker van de telefoon eindigend op [telefoonnummer 5] (gekocht voor [medeverdachte 1] ). Omstreeks 21.24 uur vindt de eerste 112-melding plaats. Vanaf 21.24 tot 22.04 uur worden de hierna vermelde aantallen sms-berichten verzonden tussen de in de matrix genoemde telefoonnummers. naar van [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ) [telefoonnummer 5] (gekocht voor [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 3] ( [verdachte] ) X 0 0 0 [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ) 0 x 2 0 [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ) 2 1 X 22 [telefoonnummer 5] (gekocht voor [medeverdachte 1] ) 0 0 18 X Het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 6] ) straalt voor de eerste 112-melding laatstelijk om 21.03 uur aan op de mast aan de [plaats 4] in Eindhoven en na de eerste 112-melding eerst om 21.32 uur op dezelfde zendmast. De telefoon gekocht voor [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 5] ) straalt voor de 112-melding laatstelijk om 21.18 uur aan op de [plaats 11] aan in Eindhoven. Dit betreft dezelfde zendmast als de telefoons in gebruik bij [verdachte] vrijwel de gehele avond aanstralen. Na de 112-melding straalt de telefoon ( [telefoonnummer 5] ) eerst om 21.33 uur aan op de zendmast aan de [plaats 4] te Eindhoven. Om 21.40 uur wordt de brandende bromfiets aangetroffen op de [plaats 4] te Eindhoven. Vanaf 22.04 uur vindt geen telefoonverkeer meer plaats tussen de in matrix genoemde telefoonnummers. Een proces-verbaal van stemvergelijking van verbalisant [verbalisant 26] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Gedurende het onderzoek ‘Kabelbaan’, was ik belast met het uitluisteren van telefoongesprekken gevoerd op het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik hoorde via de opgenomen telecommunicatie een persoon die zich [verdachte] of [verdachte] noemt of genoemd wordt. In het politiesysteem BVH (Basisvoorziening Handhaving ) is gebleken dat [verdachte] , van genoemd telefoonnummer gebruik maakt. Zij doet op 28 augustus 2012 een aangifte van verlaten plaats van ongeval met het motorvoertuig voorzien van het kenteken [kenteken auto verdachte] . Hierbij is haar telefoonnummer [telefoonnummer 2] opgenomen. Op 28 februari 2014, was ik verbalisant, belast met het uitluisteren van telefoongesprekken gevoerd op het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Op 28 februari 2014 om 20.29 uur werd een telefoongesprek opgenomen via genoemde telecommunicatie [telefoonnummer 2] (sessienummer 39). Getapte nummer [telefoonnummer 2] wordt dan gebeld door de familierechercheur. De familierechercheur vraagt aan getapte of hij met [verdachte] spreekt. Getapte bevestigt dit. Het gesprek gaat verder over maken van een afspraak voor een gesprek. Op vrijdag 28 februari 2014 werd door mij gespreksnummer 282843400 sessienummer 5 beluisterd tussen de gebruiker van het getapte nummer [telefoonnummer 2] en de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 21] .Het gesprek gaat tussen getapte en [NN vrouw] . [NN vrouw] noemt getapte [verdachte] . De stem van de getapte vrouw in beide hiervoor genoemde gesprekken herken ik als dezelfde de stem. Gezien bovenstaande bevindingen kan worden aangenomen dat het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik is bij [verdachte] . Een proces-verbaal van identiteitsvaststelling/stemherkenning van verbalisant [verbalisant 27] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Onderzoek telecommunicatie RC-nummer 14/386.14 Op 27 maart 2014 werd een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 12] . Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is het onderzoeksteam gebleken dat door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] hoofdzakelijk sms-berichten werden verzonden en/of ontvangen. Het telefoonnummer bleek alleen contact te hebben met een beperkt aantal telefoonnummers. Op 27 maart 2014 tussen 19.50 en 19.54 uur worden drie sms-berichten verzonden, waarbij door en met de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] wordt gesproken over een opgehaalde auto. Het is het onderzoeksteam bekend dat [verdachte] op 27 maart 2014 een auto heeft opgehaald die haar vader voor haar geregeld heeft. Uit veertien sms-berichten gestuurd tussen 27 maart 2014 om 20.16 uur en 7 april 2015 blijkt dat de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] vermoedelijk twee kinderen (vaak aangeduid als ‘ [zoon verdachte] ’ en ‘ [dochter verdachte] ’) heeft. Uit het verhoor van [verdachte] en uit gegevens uit de GBA blijkt dat [verdachte] twee kinderen heeft: [zoon verdachte] geboren op [geboortedatum] en [dochter verdachte] geboren op [geboortedatum] . In zes sms-berichten verzonden tussen 28 maart 2014 om 12.34 uur en 7 april 2014 om 10.07 uur wordt met en door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] gesproken over verhuizen en (het opknappen van) een nieuwe woning. Het is het onderzoeksteam bekend dat [verdachte] op zoek was naar een andere woning en een woning toegewezen heeft gekregen op de [plaats 12] . In acht sms-berichten verzonden tussen 29 maart 2014 om 10.07 uur en 6 april 2014 om 20.29 uur spreekt de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] over verblijf bij haar vader. In het laatst verzonden sms-bericht stuurt de gebruik(st)er (onder meer): “Maar weet je, ik ben altijd heel bang geweest voor mijn vader. Daarom ben ik ook uit huis gegaan toen ik zo jong was. Weet niet, hij s een bulle bak”. Het is het onderzoeksteam bekend dat [verdachte] vanaf omstreeks 20 maart 2014 heeft verbleven bij haar vader. In het verhoor van [verdachte] heeft zij verklaard dat toen zij 15 jaar oud was, zij door jeugdzorg uit huis is geplaatst en nooit meer terug naar huis naar haar vader is gegaan. Op 2 april 2014, omstreeks 11:57 uur, werd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] gebeld naar [zus medeverdachte 3] , de gebruikster van het telefoonnummer [telefoonnummer 22] . Op dinsdag, 4 maart 2014 werd [verdachte] door mij, verbalisant, langdurig als getuige gehoord. Door mij werd vorenstaand telefoongesprek beluisterd waarbij ik de stem van de gebruikster van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] herkende als die van [verdachte] . Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen kan worden aangenomen dat de hierboven genoemde mobiele telefoonaansluiting [telefoonnummer 12] in gebruik is bij de [verdachte] . Een proces-verbaal van identiteitsvaststelling/stemherkenning van verbalisant [verbalisant 27] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 2 maart 2014 werd een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 10] . Het hierboven genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 10] wordt gebruikt in een GSM toestel met het IMEI nummer [IMEI 7]
(0)en is actief geweest van 1 maart tot en met 11 maart 2014. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op 28 februari 2014 een GSM voorzien van het IMEI nummer [IMEI 7]
(0)koopt bij de Kijkshop aan de Woenselse Markt te Eindhoven. Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is het onderzoeksteam gebleken dat door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] hoofdzakelijk sms-berichten werden verzonden en/of ontvangen met vragen en instructies, die in bedekte termen gesteld zijn. Tevens bleek dat er middels dit telefoonnummer afspraken werden gemaakt om elkaar op een bepaalde locatie te treffen. Het telefoonnummer bleek alleen contact te hebben met een beperkt aantal telefoonnummers. In acht berichten verstuurd/ontvangen door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] tussen 2 maart 2014 om 16.47 uur en 4 maart 2014 om 13.18 wordt onder meer gesproken over het afgegeven van een telefoon. Op 3 maart 2014 stond de afspraak gepland met [verdachte] dat zij zou worden verhoord als getuige en dan tevens haar telefoon zou worden uitgelezen. Deze afspraak werd op de dag zelf verzet naar 4 maart
  1. Op 4 maart 2014 werd [verdachte] verhoord. Bij aanvang van dit verhoor heeft [verdachte] haar telefoon, een iPhone 5S, afgegeven zodat deze kon worden uitgelezen. Op 10 maart 2014 om 15.15 uur werd door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] gebeld naar het Paleis van Justitie te ’s-Hertogenbosch (gespreksnummer 282885484). De gebruik(st)er maakte zich bekend als [verdachte] en deelde mede dat zij een brief heeft ontvangen voor haar overleden partner. Hij zou moet voorkomen. Haar partner is twee weken geleden overleden. Zij geeft op als kenmerk: 901494 NU op naam van [slachtoffer] . Op 11 maart 2014 om 15.31 uur werd door de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] gebeld naar Meld Misdaad Anoniem (gespreksnummer 282889400). Zij maakte een melding dat [persoon 1] te maken heeft met de moord op [slachtoffer] . Op 4 maart 2014 werd [verdachte] door mij langdurig als getuige gehoord. Door mij werd gesprek 282885484 beluisterd en gesprek 282889400 werd door mij, verbalisant, uitgewerkt waarbij ik de stem van de gebruik(st)er van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] herkende als die van [verdachte] . Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen kan worden aangenomen dat telefoonnummer [telefoonnummer 10] in gebruik is geweest bij [verdachte] . Een proces-verbaal van identiteitsvaststelling van verbalisant [verbalisant 28] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 2 maart 2014 is een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met dat telefoonnummer [telefoonnummer 10] , Dit telefoonnummer is in gebruik bij de verdachte [verdachte] . Op 2 maart 2014 is tevens een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met dat telefoonnummer [telefoonnummer 23] . Dit telefoonnummer is in gebruik bij NN man, gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 9] / [telefoonnummer 23] Door [verdachte] wordt steeds telefonisch contact onderhouden met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 23] . Op 7 maart 2014, omstreeks 17.47 uur vraagt zij middels sms-berichten aan die gebruiker wanneer ze hem ziet. Door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 23] werd niet gereageerd. Ook niet op een sms-bericht enige tijd later met daarin alleen een vraagteken. Op 7 maart 2014 omstreeks 22.59 uur, stuurt [verdachte] een sms-bericht naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 22] waarin zij vraagt of ze iets fout heeft gedaan bij [beginletter voornaam medeverdachte 3] . De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 22] is vermoedelijk [zus medeverdachte 3] . Zij heeft een broer, [medeverdachte 3] , wiens voornaam met een [beginletter voornaam medeverdachte 3] begint en die op de [plaats 13] 10 in Eindhoven woont. In communicatie tussen [verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 23] wordt gesproken over het feit dat laatstgenoemde in het weekend “het kleintje” heeft. [medeverdachte 3] heeft een minderjarig kind. Nadat [verdachte] met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 23] een afspraak heeft gemaakt waarbij wordt aangegeven dat zij achterom komt, wordt door het observatieteam waargenomen dat zij aan de achterzijde van de woningen aan [plaats 13] met een niet ter herkennen persoon/man via de achterzijde van de [plaats 13] waartoe ook perceel 10 behoort, een woning binnengaan. Door het observatieteam werd waargenomen dat het display van de GSM telefoon van [verdachte] oplichtte waarschijnlijk op het moment dat zij op 10 maart 2014 een sms-bericht met de tekst “Ben er” heeft verzonden naar het telefoonnummer [telefoonnummer 23] . Gezien bovenstaande is het waarschijnlijk dat de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 23] [medeverdachte 3] is geweest. Een proces-verbaal van identiteitsvaststelling van verbalisant [verbalisant 27] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 27 maart 2014 is een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 12] , die op dat moment in gebruik was bij [verdachte] . Op 27 maart 2014 om 19.35 uur werd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 24] een sms-bericht gestuurd naar [verdachte] , inhoudende: “Ok ik moes alleen nog boven kastjes in de keuken schilderen maar kreeg last van mn voet maar dat is enige wat nog moet plus de gang boven”. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] op 12 maart 2014 in het ziekenhuis is geweest om pinnen uit zijn voet te laten halen. Op 28 maart 2014 is een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 24] . Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is het onderzoeksteam gebleken dat door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 24] vrijwel alleen sms-berichten werden verzonden naar en/of ontvangen van [verdachte] , de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] . In berichten verstuurd in de periode 28 maart 2014 om 17.00 uur en 6 april 2014 om 17.15 uur tussen [verdachte] en de gebruiker van de telefoon met nummer [telefoonnummer 24] worden de namen “ [zus medeverdachte 3] , [ex-partner medeverdachte 3] , [ex-partner medeverdachte 3] en [dochter medeverdachte 3] ” genoemd. Uit GBA-gegevens blijkt dat [medeverdachte 3] en [zus medeverdachte 3] broer en zus zijn. [medeverdachte 3] heeft met [ex-partner medeverdachte 3] een dochtertje genaamd [dochter medeverdachte 3] . Gelet op deze bevindingen kan worden aangenomen dat de hierboven genoemde mobiele telefoonaansluiting [telefoonnummer 24] in gebruik is geweest bij [medeverdachte 3] . Een proces-verbaal van identiteitsvaststelling van verbalisant [verbalisant 27] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 27 maart 2014 is een aanvang gemaakt met het opnemen en afluisteren van de gevoerde gesprekken met het telefoonnummer [telefoonnummer 19] . De gebruiker van nummer [telefoonnummer 19] heeft op 2 april 2014 om 21.58 uur en op 3 april 2014 om 17.43 uur telefoongesprekken met de gebruikster van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] , die hij mam noemt. Uit bevraging van het CIOT blijkt dat het GSM-telefoonnummer [telefoonnummer 17] is afgegeven aan [moeder medeverdachte 3] , [plaats 8] . Uit GBA-gegevens blijkt dat deze vrouw de moeder van [medeverdachte 3] betreft. In het laatstgenoemde telefoongesprek vraagt de gebruiker van nummer [telefoonnummer 19] : “Hey mam, welke maat schoenen heeft [dochter medeverdachte 3] ?”. Uit GBA-gegevens blijkt dat [medeverdachte 3] een dochter heeft genaamd [dochter medeverdachte 3] . Op 20 april 2014, om 22.44 uur, werd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] , een sms gestuurd naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 25] , inhoudende: “Kom maar naar mijn zusje. [plaats 14]”. Uit GBA-gegevens blijkt dat [zus medeverdachte 3] , de zus van [medeverdachte 3] staat ingeschreven op bovenstaand adres. Gelet op deze bevindingen en gelet op: ˗ de omstandigheid dat de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 19] constant dezelfde persoon blijkt te betreffen; ˗ het feit dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] zichzelf [medeverdachte 3] noemt en ook zodanig wordt aangesproken; ˗ dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] praat over "thuis" en hierbij dan het adres [plaats 13] doorgeeft; ˗ de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] in gesprekken die plaatsvinden op [datum] praat over dat hij morgen jarig is en het feit dat [medeverdachte 3] verjaart op [datum] , kan worden aangenomen dat [medeverdachte 3] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] . Een geschrift, zijnde een excelbestand met diverse samengevoegde digitale gegevens, tapgegevens, historische verkeersgegevens en andere gegevens uit het onderzoek ‘Kabelbaan’ van [verbalisant 25] , voor zover daaruit blijkt dat: Op 28 februari 2014 om 16.15 uur koopt [verdachte] het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 10] bij de Kijkshop te Eindhoven. Om 16.51 uur neemt [verdachte] dat telefoonnummer in gebruik. [medeverdachte 3] neemt om 19.34 uur het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 9] in gebruik (het hof: dat nummer is op 27 februari 2014 omstreeks 14.25 uur bij de Kijkshop te Eindhoven gekocht door [medeverdachte 1] ). Vanaf 2 maart 2014 konden de sms-berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] op voornoemde nummers worden uitgelezen. Op 2 maart 2014 tussen 16.47 uur en 17.37 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 9] ). [verdachte] : “Morgen moet ik uitvaart regelen en mijn tel word morgen uitgelezen en word verhoord”. [medeverdachte 3] : “Ok als over vakantie gaat is dat wij samen op vakantie wilde gaan en hem op vakantie sturen was dat als hij los was weer aangeven als hij weer iets gedaan had”. Om 17.23 uur en 17.28 uur stuurt [medeverdachte 3] : “Jawel en we hebben 2weken gescharrelt maar werkte niet echt hebben wel een beetje geappt want kennen wel gewoon goed met elkaar overweg” en “En hem op vakantie sturen bedoelden we mee als hij los kwam hem meteen weer op laten sluiten maar dat zeiden we in verliefde toestand”. [verdachte] : “Oke maar als tel word uitgelezeb dan langer dab twee weken”. [medeverdachte 3] : “Hebben gewoon tijdje gescharreltt niks serieus”. Op 3 maart 2014 om 9.33 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 9] ) een sms-bericht naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ), inhoudende: “Vanavond nieuwe tel”. Vervolgens worden tien sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 1] en ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Tussen 12.07 uur en 12.45 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 9] ): [medeverdachte 3] : “Hoe is het verhoor gegaan”. [verdachte] : “moet nu andere tel afgeveb”. [medeverdachte 3] : “Deze tel toch niet”. [verdachte] : “Nee deze niet”. [medeverdachte 3] : “Ok gelukkig hoelaat ga jij vanavond afgooien”. [verdachte] : “Moet ik ff kijken. Ze vindsn me raar. Komt gosd”. Tussen 13.36 uur en 13.39 uur worden vier sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Tussen 13.44 uur en 14.00 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 9] ): [medeverdachte 3] : “Laat ff weten als je n tijd weet hun blijven vragen ik heb deze tel niet heel de dag bij voor geval ze me aanhouden”. [verdachte] : “Mensen hier da ik weg ga. Oke slim mop”. [medeverdachte 3] : “Zeg dat je dan n tijd voor je eigen nodig hebt ofzo”. Op 3 maart 2014 om 14.53 uur neemt [medeverdachte 3] het nummer eindigend op [telefoonnummer 23] in gebruik. Tussen 15.53 en 15.57 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) de volgende vier sms-berichten naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ):“Mijn nr”, “Even bevestigen als je gelezen hebt dan kan andere tel weg”, “Gelezen x” en “Ok regel jij ook nieuwe”. Op 3 maart 2014 om 19.15 uur is er een sms-bericht verzonden van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Om 23.06 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) de volgende drie sms-berichten naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): “Laat effe zo snel mogelijk n tijd weten x x”, “Weet je al iets meer over een tijd ongeveer” en “Hoe is t verhoor gegaan”. Om 23.08 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) nog een sms-bericht naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Om 23.09 uur beantwoordt [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) de berichten van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ): “Heb je wel bericht grdtuurd na m? Verhoor morgrn weer. Hou je op de hoogte. Kom moren na verhoor.ik regel morgen meteeb nieuwe. Ze volgen me in auto”. Op 4 maart 2014 om 1.59 uur, 3.10 uur en 5.04 uur zijn er sms-contacten tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Tussen 8.42 uur en 8.46 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): [medeverdachte 3] : “Ok regel wel alsjeblieft hun worden er echt niet vrolijk van zo”. [verdachte] : “Nee snap ik. Maar word beschermd omdat bedreiging. Non stop bewaking. Komt goed mop”. [medeverdachte 3] : “Ik ben tot 3uur werken regel t vandaag effe ik heb deze tel niet bij me op werk”. Tussen 9.09 uur en 9.26 uur zijn negen sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Tussen 9.55 uur en 13.18 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): [medeverdachte 3] : “Ik ben vrij kan jij proberen vandaag wat meer te geven dan zijn hun ook blij want ze worden ongeduldigheb” en “Ik ben toch vrij vandaag”. [verdachte] : “Ja snap ik. Ons pap zit er bovenop maar komt goed. Ga nu verhoor bijna in. Wish me luck”. Tussen 16.14 uur en 16.57 uur zijn dertien sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Om 17.11 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) een sms-bericht, inhoudende: “Alsjeblieft Laat me niet zitten hun zijn zwaar over de zeik tegen mij”. Tussen 17.14 uur en 18.01 uur zijn 33 sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Om 18.24 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) een sms-bericht, inhoudende: “Laat me snel iets weten dit Gaat niet goed”. Tussen 18.47 en 18.48 worden weer drie sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ). Om 19.34 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) een sms-bericht, inhoudende: “Wanneer kom je brengen die mense worden gek Laat aub wat weten”. Tussen 19.48 uur en 20.38 uur zijn er tien sms-contacten tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Om 20.54 en 22.10 stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) sms-berichten, inhoudende: “Kun je wat laten weten aub Ik heb ellende nu”, gevolgd door een vraagteken. Nadat [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) nog twee sms-berichten heeft verzonden naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ), vraagt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) middels een sms-bericht aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): “Hallo wil je aub antwoorden”. Tussen 4 maart 2014 om 22.44 uur en 5 maart 2014 om 9.00 uur hebben er 24 sms-contacten tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) plaatsgevonden. Op 5 maart 2014 om 9.07 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) aan [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) een sms-bericht, inhoudende: “Wat zijn dit nou voor streken”. Vervolgens verstuurt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) nog twee sms-berichten naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) stuurt om 9.20 uur het volgende sms-bericht naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): “Ik heb geprobeerd hun rustig te houden maar hier heb je het zelf naar gemaakt Ik heb men best gedaan wat er nu Gaat gebeuren heb jij zelf veroorzaakt”. Tussen 9.22 uur en 19.56 uur hebben er 56 sms-contacten tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) plaatsgevonden. Tussen 20.34 uur en 20.47 heeft [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) vijftien sms-berichten naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) verzonden met de volgende inhoud: “Reageer gvd ff alsjeblieft ik heb zwaar probleem Reageer ff”, “Dit word Mijn dood en niet alleen die van mij”, “Alsjeblieft Laat me niet zitten hun zijn zwaar over de zeik tegen mi”, “Laat me snel iets weten dit Gaat niet goed”, “Wanneer kom je brengen die mense worden gek Laat aub wat weten”, “?”, “?”, “Kun je wat laten weten Ik heb ellende nu”, “?”, “Hallo wil je antwoorden”, “Je kunt toch wel ff laten weten”, “Wat zijn dit nou voor streken”, “Ik heb geprobeerd hun rustig te houden maar hier heb je het zelf naar gemaakt Ik heb men best gedaan wat er nu Gaat gebeuren heb jij zelf veroorzaakt”, “Reageer gvd ff alsjeblieft ik heb zwaar probleem Reageer ff” en “Dit word Mijn dood en niet alleen die van mij”. Om 20.48 en 20.49 reageert [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) met twee sms-berichten aan [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ): “Heb mu pas weer mijn tel moest weg want haddrn te pakkeb. Heb alles” en “Zeg tegrb hun da ik alles heb. Kom na mis afgooiwb. Kan geen kant op. P bewaking continu”. Tussen 20.54 uur 22.40 uur vindt (onder meer) de volgens sms-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): [medeverdachte 3] : “Ja afspraak was drie dagen later nu is zes dagen later die ene jongen is van kwaadheid terug uit Turkije gekomen”. [verdachte] : “Ja klopt maar hun begrijpen tich wel da ik vast sta. Waarom gelovej hun mij niet”. [medeverdachte 3] : “Ben zo bij die ene jongen hun zeggen dit was de afspraak niet”. [verdachte] : “Ja snap ik maar hun moeten mij snappen dat ik p heb axhter mij. Al twee dagen vijf uur lang daar gezeten” en “Zeg da hun vrijdaf alles hebben”. [medeverdachte 3] : “Hun geloven jot wel maar hun moeten hun geld hebben want toen dat ene moest gebeuren toen was het ook snel snel”. [verdachte] : “Ja sbap ik. Ga aub zsm na hem toe. Zeg hun vrij alles hebben”. [medeverdachte 3] : “Die ene uit Turkije wil terug komen ja hij wil centen zien”. [verdachte] : “Ja. Ga daar morgeb heen. Geef morgen in de middag af. Zeg trgen hun oke. Laat ze aub vandaag niks doen”. [medeverdachte 3] : “Nee klopt ze wilden langs komen maar Ik krijg hun rustig als je alles naar die ene brengt net als vorige x weet je wat ik bedoel niet jou neef”. [verdachte] : “Probeer die wie gek word uit te leggen da ik ook voor hun veiligheid niet eerder bem gekomen”. [medeverdachte 3] : “Hun doen niks als jij morgen komt Laat me niet vallen Oke niks aan je neef geven maar alles aan die ene net als de eerste x hoe Laat word dat ongeveer weet”. [verdachte] : “Etenstijd. Dan kan ik weg komt goed beloofd”. [medeverdachte 3] : “Je moet naar die adres waar je die eerste 5 het afgegooid niet jou neef maar die andere weet je wie ik bedoel”. Na deze sms-berichten hebben er op 5 maart 2014 tussen 23.15 uur en 23.30 uur vijftien sms-contacten plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Op 6 maart 2014 tussen 14.02 uur en 15.17 uur hebben 24 sms-contacten plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Tussen 15.18 uur en 15.20 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ) drie sms-berichten naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ), inhoudende: “Plannen zijn gewijzigd kom naar waar wij altijd afspraken weet je dan waar ik bedoel”, “Ik zeg nu vast dan kende als de dit leest daarheen komfn laat ff weten als je het snap” en “Dus als je dit lest reageer ff waar je nu naar toe moet komen is makkelijker”. [verdachte] antwoordt om 15.21 uur: “Heb t gelezeb”, “Sorry heb niet hele tijd tel bij” en “Vijf uur”. [medeverdachte 3] antwoordt direct: “Oke je weet nu waar je moet komen dus”, “Nee weet ik hou ik rekening mee” en “Ja 5 uur”. Vervolgens vinden er nog 23 sms-contacten plaats tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Tussen 17.58 uur en 18.08 uur stuurt [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ) achtereenvolgens de volgende sms-berichten naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 23] ): “onderweg”, “deur”, “Gwregelf”, Schat het is geregeld”. [medeverdachte 3] stuurt om 18.08 terug naar [verdachte] : “Alles?”. Tussen 18.08 uur en 22.47 uur vinden er nog 30 sms-contacten plaats tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ). Op 10 maart 2014 om 0.01 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) het volgende sms-bericht naar [verdachte] ( [telefoonnummer 10] ): “Kan je morgen 2telefoons regelen en 2 nrs voor jou en mij een”. [verdachte] antwoordt: “Ja regel ik”. Op 4 april 2014 om 19.19 uur stuurt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) een sms-bericht naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ), inhoudende: “Voortaan ff zeggen als je te weinig geeft en mij straks bellen als de da ene voor me hebt eerder kom ik niet snapte zo werkt dat niet”. Op 6 april 2014 tussen 20.21 en 20.40 uur vindt de volgende sms-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 24] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer 12] ): [medeverdachte 3] : “Had jij toevallig n datum ongeveer wat ik door kan geven aan tu.” [verdachte] : “? Waarom beginnen ze nu dan alweer?”. [medeverdachte 3] : “Nee ik heb ook niemanD meer nodig. Zelfs mijn familie niet. Word er kei gek van om zo behandeld te worden iedere keer. Je hebt toch een maand gezegd vege hun” en “Eh die tu smst mij of je al meer weet wat ik kan zeggen”. [verdachte] : “Ja okC). Maar als ik zeg een maand. En dat is nog niet om. Dan waarom wringen hun zo. Heb vandaag gehoord da brief binnen is da ze het gaan uitkeren. Binnen”, “nu en twee weken. Ik heb dan nog twee weken. Want alles is nu pas een maand geleden gebeurd. En da we maand zeiden heb ik net opgezocht en is twee weken gele” en “den”. Op 12 april 2014 wordt [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ) gebeld door nummer [telefoonnummer 26] naam gesteld van [persoon 2] . De gebruikster van dat nummer is een vrouw met de voornaam [persoon 3] . [persoon 3] zegt tegen [verdachte] dat er net een briefje van de Dela is gekomen. [verdachte] zegt daarna dan dat ze het briefje zo wel komt ophalen. Op 15 april 2014 tussen 13.52 uur en 13.57 uur vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ): [medeverdachte 1] : “Hoelaar morgen”. [medeverdachte 3] : “N uur of 4 komt jou uit”. [medeverdachte 3] : “Jij kom toch voor die 100euro of wat”. [medeverdachte 1] : “Nee niet voor da je weet voor wa” en “Deze week moet”. [medeverdachte 3] : “Ja ik zeg wel als get er opstaat deze week als goed is staat erop als erop stond hs d ik al bij jou geweest”. [medeverdachte 1] : “Andersnkom maar ergens praten dan”, “Want zo werkt da biet”, “Ik kom wel ff langs” en “Bij jou of jullie mam”. [medeverdachte 3] : “Mam”. Om 13.59 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) een Whatsapp-bericht naar [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ), inhoudende: “Heb jij brief al opgehaald die maat van mij is weer aan t zeuren”. [verdachte] antwoordt om 14.00 uur en 14.02 uur met twee sms-berichten: “Oh rijd meteen langs na school” en “Brief ophalen”. Om 17.14 uur vindt een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ) en de gebruikster van nummer [telefoonnummer 26] , met de voornaam [persoon 3] . In dat gesprek zegt [verdachte] dat ze langs wil komen om die brief even snel op te halen. [persoon 3] zegt dat de brief nog bij haar ligt en ze vindt het goed als [verdachte] deze komt ophalen. Beiden zeggen elkaar zo te zien. Op 22 mei 2014 tussen 14.26 uur en 14.37 uur vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) en [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ): [medeverdachte 1] : “Ja da snap ik maat moet gebeuren maar wij moeten ook onze ding pik je hebt dat huis van je vrouwtje ook al helemAl klaar genaakt snapte pik”, “En fa’s alleen maar goed maar die andere jongen hoort die dibgen ook”, “dus die wil gewoon he weet wel” en “ik ga f die andere op de hoogte stellen want heb gevoel da je ons wik naaien met die lening en da kende beter niet doe da zweer ik jou”. [medeverdachte 3] : “Kan dreigen maat ik kan niet meer doen als mn best jij weet zelf als ik t heb dat ik meteen geef zit niet voor niks zonder spotjes en aan n plastic tafel te eten dat is niet omdat ik te veel geld heb”. [medeverdachte 1] : “Komt goed jongen”, “Wij zijn te goed geweest voor jou nu gaan we het anders doen”, “De groeten”, “Je merkt elf hoe of wa”, Ik heb jou de hele tijd verdedigd maar nu doe ik fa jiet meer” en “ik laat het gewoon losgaan nu”. [medeverdachte 3] : “ik laat jou straks n brief zien hoe de zaken ervoor staan maar ik naai jou evht niet en ja kan mij afslaan je kan mn huis in brand steken ik kan niwt meer doen als wachren tot de belasting uitbetaald heeft”. Op 27 mei 2014 om 18.02 uur stuurt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 20] ) drie Whatsapp-berichten naar [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ), inhoudende: “Luister dit klinkt mij als bullshit mij nooooooit meer appen alleen Voor mijn geld wat je geleend het verder nooit meer en als je denkt da ik een grap maak geef ik je vnvnd vast een waarschuwing jij mag het zeggen”, “Anders rij ik wel zelf naar die ene toe” en “Want je vent gewoon aan het zeveren”. [medeverdachte 3] antwoordt om 18.03 uur: “hint was gister al duidelijk doe mn best om wat te regelen voor dinsdag”. Op 3 juni 2014 tussen 13.18 uur en 14.50 vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ): [medeverdachte 3] : “Kutzooi belasting gebeld staat er volgende week pas op”. [verdachte] : “Nee serieus kutzoii” en “Wanneer volgende week”. [medeverdachte 3] : “Moet 4weken vanaf dag tekening en dagtekening was 16mei”. en “Zoek ff die brief van de belasting schat ik wil daarmee naar oma gaan”. Tussen 18.27 uur en 18.38 uur vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 27] ): [medeverdachte 3] : “T stond er nog niet op ben met brief naar oma gegaan ik krijg morgen alles van oma krijg je alles in een keer”. [medeverdachte 1] : “Is weer uitstel he”. [medeverdachte 3] : “Ja maar niet te lang uit te stellen heb ik t zo kunnen regelen” en ““Krijg t morgen 100%van oma”, “Morgen is het er” en “Voor jou avondeten”. [medeverdachte 1] : “Gewoon drie uur oke?”. [medeverdachte 3] : “Ja dat komt goed”. Om 19.02 wordt [medeverdachte 3] gebeld door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 28] . Tijdens dat telefoongesprek vraagt [medeverdachte 3] : “Of hij het gehoord heeft van [medeverdachte 1] , want daar had hij een berichtje naar gestuurd. Het stond er niet op en daar ben ik mee naar mijn oma gegaan en morgen krijg ik alles”. Op 4 juni 2014 tussen 12.47 uur en 12.48 uur vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 27] ): [medeverdachte 3] : “Komde ff bak koffie drinken heb geen auto”. [medeverdachte 1] : “Heb je da ene?”. [medeverdachte 3] : “Ja”. [medeverdachte 1] : “Oke kwartiertje maat”. Om 12.52 uur stuurt [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) twee Whatsapp-berichten naar [verdachte] ( [telefoonnummer 2] ), inhoudende: “[medeverdachte 1] komt hierheen” en “Zal ik appen als hij weg is”. [verdachte] antwoordt: “Oké”. Om 13.08 uur stuurt [medeverdachte 3] naar [verdachte] : “Hij is weg schat”. Op 5 juni 2014 tussen 12.47 uur en 12.48 uur vindt de volgende Whatsapp-conversatie plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 19] ) en [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 27] ): [medeverdachte 1] : “Wij staan quitte he maatje op die 500 na maar da weet je he pikkie”. [medeverdachte 3] antwoordt: “weet ik maat”. [medeverdachte 1] : “oke komt goed” en “hoest verder”. [medeverdachte 3] : Rustig nou ben blij dat ik er vanaf ben”. Op 16 juni 2014 worden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Een proces-verbaal van doorzoeking van verbalisant [verbalisant 29] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Op 16 juni 2014 werd binnengetreden ter bevriezing in het pand [plaats 9] . Kort voor binnentreding werd door personeel van het arrestatieteam de bewoner [medeverdachte 1] , [geboortedatum] , aangehouden. Inbeslagneming In genoemd pand werden het bescheid in beslag genomen zoals vermeld op bijgevoegde lijst. Lijst van inbeslaggenomen goederen IBN-code Omschrijving goed Aangetroffen door 5642KT29.04.03.014 Brief Dela [slachtoffer] Bz081868 Een geschrift, zijnde de in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen brief van coöperatie Dela, voor zover inhoudende: Aan: De erven van de heer [slachtoffer] [plaats 15] Datum: 11 april 2014 Onderwerp: Overlijden van de heer [slachtoffer] Geachte mevrouw, mijnheer, Naar aanleiding van de door u ingevulde vragenlijst kunnen wij u vertellen dat deze vragenlijst beoordeeld is door onze afdeling Medische Acceptatie en medisch gezien akkoord bevonden is. Gezien het niet-natuurlijke overlijden van de heer [slachtoffer] , kort na het aanvragen van de verzekering, zullen wij nog verder onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de aanvraag van de verzekering. Wij kunnen u niet zeggen hoeveel tijd dit onderzoek in beslag gaat nemen. Wij zullen schriftelijk contact met u opnemen indien de resultaten van het vervolgonderzoek daartoe aanleiding geven. Een proces-verbaal van bankgegevens [grootmoeder medeverdachte 3] van verbalisant [verbalisant 24] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Er zijn meerdere Whatsapp-berichten aangetroffen in een telefoon van [medeverdachte 3] . In deze berichten, die mogelijk over een betaling gaan aan [medeverdachte 1] , schreef [medeverdachte 3] dat hij naar zijn oma ging om geld te lenen. Op 4 juni 2014 leek het alsof er een betaling had plaatsgevonden van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] . Naar aanleiding van de aangetroffen Whatsapp-berichten in de telefoon van [medeverdachte 3] werden de belastinggegevens van [grootmoeder medeverdachte 3] opgevraagd. is de grootmoeder van verdachte [medeverdachte 3] . De gegevens werden opgevraagd om de bekende bankrekeningnummers van [grootmoeder medeverdachte 3] te achterhalen. De belastingdienst leverde twee Rabobank-rekeningnummers aan op naam van [grootmoeder medeverdachte 3] . De twee rekeningnummers werden bij de Rabobank opgevraagd. De gegevens werden opgevraagd met als doel om de afschriften van [grootmoeder medeverdachte 3] te verkrijgen. Dit om na te gaan of zij op of rond 3 juni 2014 een bedrag van één van haar rekeningen had gehaald. Uit deze gegevens bleek dat [grootmoeder medeverdachte 3] op 3 juni 2014 € 6.500,- van haar spaarrekening had afgehaald en naar haar lopende rekening had overgeboekt. Dit was dezelfde dag dat [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] schreef dat hij morgen naar zijn oma zou gaan en dan alles in één keer zou krijgen en dat zijn oma morgen naar de bank zou gaan. Op 4 juni 2014 nam [grootmoeder medeverdachte 3] om 10.59 uur € 5.000,- op en om 11.00 uur € 1.250,- . Rond 12.47 uur werden er berichten verzonden tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] vroeg [medeverdachte 1] om te komen. Nadat [medeverdachte 1] vroeg of hij dat ene had en [medeverdachte 3] dat bevestigde maakten zij een afspraak. Op 5 juni liet [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] weten dat ze quitte stonden op die 500 na, maar dat wist [medeverdachte 3] wel. [medeverdachte 3] schreef dat hij het inderdaad wist. [medeverdachte 3] liet weten dat hij blij was dat hij er nu van af was. Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring van [grootmoeder medeverdachte 3] : Verbalisant: Hoe vaak leent u geld uit aan anderen? Getuige: Eigenlijk nooit. Ik heb één keer [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] ) geholpen. Verbalisant: Hoe vaak leende u geld uit aan [medeverdachte 3] ? Getuige: Dat is maar één of twee keer geweest. Verbalisant: Wanneer heeft u, [medeverdachte 3] voor de laatste keer geld geleend? Getuige: Dit is in de eerste week van juni geweest. Dit was ongeveer 6.000 euro. Verbalisant: Wanneer heeft hij dit geld terugbetaald? Getuige: Vrij kort erna want toen had hij geld terug gekregen van de belasting. Ik denk ongeveer 2 weken. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 30] en [verbalisant 31] en [verbalisant 32] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: Middels plaatsing van een technisch hulpmiddel werd de vertrouwelijke communicatie, die plaatsvond op het adres [plaats 13] , die wordt gebruikt door [medeverdachte 3] , opgenomen, uitgeluisterd en administratief verwerkt. Door ons, verbalisanten, werd de opgenomen communicatie van 16 juni 2014, uitgeluisterd, ten minste de ter beschikking zijnde geluidsfragmenten van deze dag. De opnameapparatuur neemt uitsluitend op indien er geluid word waargenomen, met een eventuele uitlooptijd. Hieronder zijn de beluisterde geluidsbestanden uitgewerkt. 160614-193108.WAV NN-man komt binnen. Hij maakt bij binnenkomst meteen de opmerking dat de telefoons effe weg moeten. V= NN man vader (van [medeverdachte 3] ) [verdachte] = [verdachte] [medeverdachte 3] = [medeverdachte 3] V: Luister goed, jullie moet het verhaal samen aan gaan passen helder. [medeverdachte 3] : Hmm. V: Dus [medeverdachte 1] doet dat. [medeverdachte 3]: Die praat niet. V: Nee, dat geloof ik ook niet, want als hij praat, dan praat hij zijn eigen TBS en dan komt hij nooit meer los. [medeverdachte 3]: Die praat niet. V: Dat denk ik ook niet, [medeverdachte 2] ook niet, die praten zijn eigen gewoon hoe da da die praat als ze praten dan gaat het fout. Jullie moeten wel zorgen dat je samen een verhaal hebt. [medeverdachte 3]: Hebben wij. V: Ik wil het verhaal ook niet weten, zorg dat het verhaal goed is, denkt er over na en hou dat vast. [medeverdachte 3]: Dan moet jij één ding dat we nou gewoon hebben afgesproken verder niks niet meer en niet minder. V: Ik schat in dat er niet gepraat wordt. [medeverdachte 3]: Nee, dat weet ik wel zeker. V: Begrijp je wat ik bedoel, dus dat je verder niks. [verdachte] : Klopt ja we kennen nou nog niet opgepakt hè. V: Nee, denk ik niet. [medeverdachte 3]: Allang gebeurd. V: Nee, dan waren ze vannacht geweest. [verdachte] : Ja maar misschien wou ik zeggen ze moeten de telefoon niet oppakken. V: Daar moeten een verhaal aanhangen. [medeverdachte 3]: Dat heb ik gezegd hè da dat is ons minpunt voor de bevalling. [verdachte] : Maar dat betekent dus wel dat daar een dealer is en en dat die. [medeverdachte 3]: Ja. V: Nee, maar daar moet je een verhaal van maken. 160614-193108.WAV (voorgaande gesprek loopt door) [verdachte] : En gooi straks deze telefoon weg krijgen ze die niet te pakken. V: Maar, ik denk dat er niets gebeurt. [medeverdachte 3] : Ik denk het ook niet. V: Want dan waren ze er vanmorgen al geweest. [medeverdachte 3] : En als we maar goed bij het verhaal blijven dan is er niks aan de hand. Ze kennen niks. [verdachte] : Luister de telefoon hadden ze die ook uh toen uh... 160614-194115.WAV (voorgaande gesprek loopt door) V: Ze laten jullie toch niet fucking los als jullie twee er iets mee te maken hebt. [verdachte] : Ja of. V: Dat doen ze niet. [verdachte] : Nee. V: En ik denk luister goed hè. 160614-
  2. WAV (voorgaande gesprek gaat verder) V: Wacht ik toch gewoon maar als hij gewoon zijn verhaaltje gaat doen. V: Nee man, nee man, zoiets niet, als dat gebeurd zou zijn dan was het vannacht gebeurd. [verdachte] : Ja, maar dan zou het. V: Als ze vannacht alles rond hadden gehad zeg maar als ze hadden geweten dat gij er bij had gehoord dan was vannacht hier de voordeur er ook uitgegaan. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: Binnen het onderzoek “Kabelbaan” heb ik, verbalisant, onderzoek gedaan op de Facebookpagina van verdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] . Op de tijdlijn van verdachte [medeverdachte 1] op 21 februari 2014 is een foto zichtbaar waarop [medeverdachte 1] staan en de mij ambtshalve bekende [medeverdachte 3] . Hierbij staat de tekst: “Met mijn maatje [medeverdachte 3] hoppaaaaaaa”. Feit 2 Een proces-verbaal van aangifte voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van verbalisant [verbalisant 21] afgelegde verklaring van [aangever] : Ik ben werkzaam bij de coöperatie Dela in de functie van coördinator fraudebeheersing en als zodanig ben ik gemachtigd om namens de naamloze vennootschap Dela Natura- en levensverzekeringen aangifte te doen. Op 3 oktober 2013 kwam bij de Dela een digitale aanvraag binnen via de e-mail [e-mailadres verdachte] met de aanvraag voor een levensverzekering van € 250.000,- . Gezien de toegezonden e-mail was deze aanvraag gedaan door [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] en als adres was opgegeven [plaats 15] . De Dela heeft hierop op 7 oktober 2013 een medische verklaring toegezonden aan de aanvrager [slachtoffer] . Deze medische verklaring had het aanvraagnummer
  3. Deze medische verklaring is ingevuld en ondertekend en terug gestuurd. Daarna heeft de Dela nog per post een aanvraagformulier toegezonden die is ingevuld en op 9 november 2013 ondertekend, althans die datum staat op het formulier boven de handtekening. Dit laatste formulier heeft de Dela op 3 november 2013 terug ontvangen, hetgeen te zien is aan de stempel die bij binnenkomst rechtsboven op het formulier is geplaatst. Hierop is de uiteindelijke polis onder polisnummer 823121 in werking getreden. Op 27 februari 2014 is de heer [slachtoffer] overleden en we hebben de nabestaanden onder andere een vragenlijst d.d. 25 maart 2014 toegezonden. Deze vragenlijst betreft de vragenlijst in verband met overlijden binnen 24 maanden na ingangsdatum van het Dela Leefdoorplan. Deze lijst is op 28 maart 2014 door de partner van [slachtoffer] , zijnde [verdachte] , ingevuld en per post aan ons toegezonden. Wij zijn de mening toegedaan dat de formulieren die wij ingevuld hebben teruggekregen en die betrekking hebben op zowel de aanvraag als de dood van [slachtoffer] , qua schift wel erg op elkaar lijken zodat wij twijfel hebben of de heer [slachtoffer] wel zelf de aanvraag had gedaan. De Dela heeft een forensisch bedrijf, Forensicon, ingehuurd om dit middels schriftvergelijking te laten onderzoeken. Een geschrift, zijnde een aanvraag DELA doorleefplan op naam van [slachtoffer] , inhoudende: [afbeelding 1] Een geschrift, zijnde een vragenlijst naar aanleiding van overlijden van [slachtoffer] , voor zover inhoudende: [afbeelding 2] Een deskundigenrapport “schriftvergelijking levensverzekering” opgesteld door [medewerker Forensicon 1] en [medewerker Forensicon 2] , handschriftdeskundigen verbonden aan Forensicon voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van voornoemde deskundigen: 1.2 Vraagstelling Na ontvangst van de betreffende onderzoeksdocumenten is de vraagstelling aangepast naar: “Is het schrift, aanwezig op het aanvraagformulier levensverzekering, geschreven door dezelfde auteur als het schrift op de vragenlijst bij overlijden?” 1.3 Onderzochte materialen Ten behoeve van het onderzoek heeft opdrachtgever onder meer ter beschikking gesteld.
  4. Aanvraag DELA LeefdoorPlan; gedateerd 29 oktober 2013, ondertekent 09 november 2013 (verder: aanvraagformulier levensverzekering).
  5. Vragenlijst i.v.m. overlijden binnen 24 maanden na ingangsdatum van het DELA LeefdoorPlan; gedateerd 25 maart 2014, ondertekent 28 maart 2014 (verder: vragenlijst bij overlijden). 1.4 Samenvatting resultaten Het schrift op de aanvraag levensverzekering is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geschreven door de schrijver van het schrift op de vragenlijst bij overlijden. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 oktober 2016 voor zover inhoudende: Ik heb de aanvraag Dela LeefdoorPlan op naam van [slachtoffer] , gedateerd 29 oktober 2013 ingevuld. Een deskundigenrapport “onderzoek authenticiteit handtekening aanvraag levensverzekering Dela” opgesteld door drs. [medewerker NFI 2] , verbonden aan het NFI voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van voornoemde deskundige: 1Te onderzoeken materiaal SIN Omschrijving AAIJ7261NL Een fotokopie van een uit één pagina bestaand aanvraagformulier voor een nabestaanden-verzekering van Dela op naam van “Dhr. [slachtoffer] te Geldrop”, bij de ondertekening gedateerd 9 november
  6. AAIJ7268NL ˗ Een fotokopie van een door [slachtoffer] ondertekende afstandsverklaring, registratienummer PL2211 2012105483-2, gedateerd 31 oktober
  7. ˗ Een fotokopie van blad 4 van een door [slachtoffer] ondertekent proces-verbaal gedateerd 21 januari 2013, proces-verbaalnummer PL2210 2013010508-
  8. ˗ Het origineel van het hiervoor genoemde blad 4 van het proces-verbaal. AAHB2179NL Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 29 februari
  9. AAIJ9657NL Fotokopieën van een uit twee pagina's bestaande “Vragenlijst i.v.m. overlijden binnen 24 maanden na ingangsdatum van het DELA LeefdoorPlan” naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] , ingevuld op naam van [verdachte] en bij de ondertekening gedateerd 28 maart
  10. AAHB2180NL Diverse gerechtelijke stukken met handtekening [slachtoffer] ˗ Een uit drie bladen bestaand proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] door de rechter-commissaris op 28 januari
  11. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief (afwijzing verzoek schorsing) aan [slachtoffer] op 28 februari
  12. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief (bevel gevangenhouding) aan [slachtoffer] op 28 februari
  13. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 22 maart
  14. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 16 mei
  15. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 30 januari
  16. ˗ Een proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] door de rechter-commissaris op 8 november
  17. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 21 november
  18. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 17 februari
  19. ˗ Een akte van uitreiking van een gerechtelijke brief aan [slachtoffer] op 30 januari
  20. Vraagstelling Is de betwiste handtekening op het document Aanvraag Dela Leefdoorplan 6553199 door dezelfde persoon geplaatst als de geplaatste handtekening op document Afstandsverklaring? Omdat de in eerste instantie beschikbaar gestelde handtekeningen van [slachtoffer] (de drie handtekeningen op de stukken [AAI37268NL en AAHB2179NL]) ontoereikend waren voor het onderzoek ter beantwoording van de eerste vraag, heb ik verzocht om aanvullend materiaal met handtekeningen van [slachtoffer] . Naar aanleiding hiervan zijn de overige hiervoor genoemde stukken geleverd. Het hier gerapporteerde onderzoek heeft derhalve betrekking op de beantwoording van dezelfde vraag, echter met een groter aantal referentiehandtekeningen van [slachtoffer] dan in deze vraag genoemd. Interpretatie resultaten Tussen de betwiste handtekening en de referentiehandtekeningen zijn zowel verschillen geconstateerd qua algehele vormgeving als op microniveau in de vergelijkbare grafische elementen. Deze bevindingen liggen in de lijn der verwachting wanneer de betwiste handtekening niet door [slachtoffer] zelf is geplaatst. Indien de betwiste handtekening door een andere persoon is geproduceerd, doet zich de vraag voor op welk model de betwiste handtekening is gebaseerd. In alle beschikbare handtekeningen van [slachtoffer] (vijftien handtekeningen geplaatst binnen een periode van twee jaar) ontbreekt namelijk het deel [deel achternaam slachtoffer] . Bovendien is het eindpatroon van de referentiehandtekeningen duidelijk complexer. Een alternatieve verklaring is dat de betwiste handtekening een gefingeerde handtekening voor [slachtoffer] betreft. De kans dat de gelijkenis in het deel [initialen slachtoffer] op toeval berust acht ik in zo'n geval echter zeer klein. Een andere mogelijkheid is dat de betwiste handtekening niet is gebaseerd op een handtekening, maar op een naamschrijving van [slachtoffer] , waaraan een eindhaal is toegevoegd. De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn tevens beschouwd in het licht van de mogelijkheid (hypothese) dat het betwiste aanvraagformulier - om welke reden dan ook - door [slachtoffer] zelf is ondertekend met een andere dan voor hem gebruikelijke handtekening. De kans op afwijkingen zoals die nu zijn waargenomen in de hellingshoek van de letters [initialen slachtoffer] en het bewegingsverloop van de letter [beginletter achternaam slachtoffer] acht ik in dat geval echter klein. Conclusie Voorafgaande aan het onderzoek waren de volgende hypothesen geformuleerd voor de betwiste handtekening: Hypothese 1: De betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [slachtoffer] Hypothese 2: De betwiste handtekening is een vervalsing van de handtekening van [slachtoffer] . De resultaten van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 2 juist is (de betwiste handtekening is een vervalsing) dan wanneer hypothese 1 juist is. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Overwegingen ten aanzien van feit 1 Bewijsverweren De raadsman heeft ten verweer betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe is in de kern aangevoerd dat: geen rechtstreeks (objectief feitelijk) bewijsmiddel voor daderschap voorhanden is; de indirecte bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank heeft geconcludeerd dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de moord op [slachtoffer] , voor meerdere uitleg vatbaar zijn en verkeerd zijn geïnterpreteerd; concrete contra-indicaties voor daderschap van verdachte (alternatieve scenario’s) zijn te destilleren uit de verklaringen van verdachte, die worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Voor hetgeen ter zake in het bijzonder door de verdediging is aangevoerd, verwijst het hof naar de inhoud van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Ad a) Geen rechtstreeks (objectief feitelijk) bewijs Het hof heeft met de verdediging vastgesteld dat op of nabij de twee plaatsen delict geen sporen zijn aangetroffen en veiliggesteld die (een van de) verdachte(n) direct linken aan de aanslag op [slachtoffer] . Evenmin hebben (oog)getuigen verklaard over de aanwezigheid van verdachte(n) aldaar of het geven van opdracht tot de aanslag. De verdachten ontkennen betrokken te zijn bij de moord op [slachtoffer] dan wel heb zich consequent op hun zwijgrecht beroepen. Juist vanwege de afwezigheid van dergelijke bewijsmiddelen heeft het hof de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zeer behoedzaam beoordeeld en gewaardeerd. Naar het oordeel van het hof vindt dit onderdeel van het verweer zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hierna volgende overwegingen en behoeft het hier geen verdere bespreking. Ad b) Beoordeling bewijsmiddelen Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast en verbindt het hof daaraan de hierna weergegeven conclusies. Dood van [slachtoffer] Op 27 februari 2014 tussen 21.20 tot 21.24 uur is [slachtoffer] op de parkeerplaats van de [plaats 1] te Eindhoven (hierna: plaats delict 1), direct nadat hij uit zijn auto was gestapt, door een of meerdere personen beschoten. Deze personen of één van hen, maakten daarbij gebruik van ten minste twee vuurwapens. [slachtoffer] is zeven keer geraakt. Nadat [slachtoffer] onder vuur is genomen, zijn twee personen met een motorscooter weggereden. Deze motorscooter is korte tijd later op circa 1.400 meter afstand van plaats delict 1 brandend achtergelaten op de [plaats 4] te Eindhoven (hierna: plaats delict 2). De identiteit van de motorscooter was door de vervalste identificerende gegevens en de brand niet meer vast te stellen. Op 28 februari 2014 om 2.41 uur is [slachtoffer] overleden aan zijn verwondingen in het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven. Meer in het bijzonder is hij overleden aan een bloeding in buik en borstholte veroorzaakt door perforerend geweld van meerdere kogels. Vooropgezet plan Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de schutter(s) - zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen - namelijk het gebruik van telefoons die klaarblijkelijk alleen voor gebruik ten behoeve van deze aanslag zijn aangeschaft

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.