GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.192.193/01 arrest van 6 december 2016 in de zaak van Parkking Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als Parkking, advocaat: mr. D.K. Nijhuis te Tilburg, tegen [bewindvoerder] , h.o.d.n. [handelsnaam] , in haar hoedanigheid van meerderjarigen (beschermings)bewindvoerder over de gelden en goederen van [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. E.P.B. Moors te Roermond, op het bij exploot van dagvaarding van 13 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 20 april 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen Parkking als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4931397/CV EXPL 16-3327) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord met producties; de akte van Parkking; de antwoordakte van [geïntimeerde] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In rov. 2.2 tot en met 2.9 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit kort geding wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal deze feiten hierna vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.8 weergeven. 3.1.1. [bewindvoerder] is bewindvoerder over de gelden en goederen van [geïntimeerde] en treedt derhalve in dit geding op als formele procespartij voor [geïntimeerde] . 3.1.2. [geïntimeerde] is met ingang van 7 maart 2011 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Parkking in de functie van parkeerwachter. De arbeidsovereenkomst is daarna verlengd voor de duur van 6 maanden, waarna deze met ingang van 6 maart 2012 is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Overeengekomen is een uurloon van € 10,43 bruto, exclusief vakantietoeslag. Verder is overeengekomen dat [geïntimeerde] bij adequaat functioneren een tantième zou ontvangen van € 1,00 per gewerkt uur, welke jaarlijks in december zou worden uitbetaald. 3.1.3. [geïntimeerde] was laatstelijk werkzaam in (één van) de twee parkeergarages te [plaats] die in eigendom toebehoren aan de gemeente [plaats]. Sinds 15 mei 2015 is [geïntimeerde] arbeidsongeschikt wegens ziekte. 3.1.4. Middels een aanbestedingsprocedure is het beheer van de beide garages met ingang van 29 december 2015 aan Q-Park gegund. 3.1.5. Bij brief van 29 december 2015 heeft Parkking aan [geïntimeerde] bericht dat sprake is van een overgang van onderneming en dat Q-Park Beheer BV per 29 december 2015 de arbeidsrechtelijke verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] overneemt. 3.1.6. [geïntimeerde] is door Parkking ziek uit dienst gemeld bij het UWV. De door het UWV verstrekte ziektewetuitkering is op initiatief van [geïntimeerde] beëindigd nu [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat zij een dienstverband heeft (ofwel met Q-Park ofwel met Parkking). [geïntimeerde] ontvangt sedert januari 2016 noch van Parkking noch van Q-Park loon of ziekengeld. Er zijn ook geen re-integratie inspanningen verricht. 3.1.7. Omdat Q-Park zich op het standpunt stelde dat geen sprake was van een overgang van onderneming en derhalve niet van rechtswege in dienst was getreden van Q-Park, heeft [geïntimeerde] Q-Park in kort geding gedagvaard en heeft [geïntimeerde] gevorderd – kort gezegd – om Q-Park te veroordelen om haar te werk te stellen en haar loon vanaf 29 december 2015 te betalen. 3.1.8. Bij vonnis in kort geding van 17 maart 2016 heeft de kantonrechter te [plaats] geoordeeld – samengevat – dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een overgang van onderneming en heeft vervolgens de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. 3.2. In dit kort geding stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat geen sprake is van een overgang van onderneming en op grond daarvan vorderde zij in eerste aanleg bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zulks bij wijze van voorlopige voorziening: 1. Parkking te veroordelen om [geïntimeerde] na 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en haar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te verrichten, althans werkzaamheden in het kader van re-integratie te verrichten, althans het loon bij ziekte door te betalen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel, met een maximum van € 50.000,00, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom, dat Parkking in gebreke blijft daaraan te voldoen; 2. Parkking te veroordelen om tegen bewijs van kwijting en onder overlegging van een deugdelijke specificatie te betalen het loon conform de arbeidsovereenkomst verschuldigd voor elke maand vanaf 29 december 2015, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke verzuimdata, tot aan de dag der algehele voldoening; 3. Parkking te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de wettelijke verhoging over het achterstallig bruto loon, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en – in geval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening en 4. Parkking te veroordelen tot voldoening van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis en – ingeval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening. 3.3. Parkking heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.4. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de kantonrechter Parkking uitvoerbaar bij voorraad heeft veroordeeld om: - tegen bewijs van kwijting en onder overlegging van een deugdelijke loonspecificatie aan [geïntimeerde] maandelijks vanaf 29 december 2015 het loon dan wel ziekengeld te betalen conform de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data waarop het loon doorgaans werd betaald, telkens tot de dag der voldoening, en - tegen bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de wettelijke verhoging ad 10% over het achterstallig bruto loon, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis waarvan beroep en – in geval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de 15e dag na betekening van dat vonnis tot de dag der voldoening. De proceskosten werden gecompenseerd aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 3.5. Parkking heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . 3.6. Naar de kern genomen strekken de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, ten betoge dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog dienen te worden afgewezen omdat sprake is van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 BW en [geïntimeerde] derhalve van rechtswege in dienst is getreden van Q-Park Beheer BV. 3.7. Voor zover voor deze zaak relevant bepaalt artikel 7:662 BW in lid 2 dat voor de toepassing van afdeling 8 betreffende de rechten van de werknemer bij overgang van een onderneming wordt verstaan onder: a. overgang: de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt; b. economische eenheid: een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit. Artikel 7:662 BW is gebaseerd op de Europese richtlijn betreffende het behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan. Het doel van de Richtlijn is aan werknemers bescherming te bieden zowel ten aanzien van het behoud van hun baan als met betrekking tot hun arbeidsvoorwaarden, wanneer hun bedrijf of een onderdeel daarvan wordt overgenomen door een ander bedrijf. 3.8. Op grond van de thans ter beschikking staande gegevens is het hof voorshands van oordeel dat per 29 december 2015 sprake is van een overgang van onderneming. Het hoger beroep is derhalve gegrond. Ter motivering van dit oordeel overweegt het hof het volgende. 3.9. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval is voldaan aan de eis dat de overgang van een onderneming het gevolg is van een overeenkomst. Niet ter discussie staat dat het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 7:662 lid 2 onder a BW zo ruim dient te worden uitgelegd dat de aanbesteding in kwestie daaronder moet worden begrepen. Ook het hof zal hiervan daarom uitgaan. 3.10. Vervolgens is de vraag of in het dit geval de identiteit van de betrokken economische eenheid behouden is gebleven. Dat sprake is van behoud van identiteit betekent gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat sprake moet zijn van de vervreemding van een lopend bedrijf, dat in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten. Om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken. Als voorbeeld van dergelijke omstandigheden kunnen worden genoemd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.