GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.162.571/01 arrest van 20 december 2016 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen, tegen Stichting Ruitersportcentrum Caprice, gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [plaats 1] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als Caprice, advocaat: mr. S.B.A. Lhachmi te Terneuzen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 mei 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer 81421/HAZA 11-439 gewezen vonnissen van 9 januari 2013 en 9 juli 2014. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 17 mei 2016; de memorie na tussenarrest van [appellante] met tien producties; de antwoordmemorie na tussenarrest van Caprice. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling 6.1. Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest. 6.1.1. Het gaat om een in november 2003 aan [appellante] overkomen ongeval in een manege in [plaats 1] . Het door haar bereden paard [paard] is gestruikeld en [appellante] is gevallen. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat en waarom Stichting Caprice aansprakelijk is voor eventuele schade, bestaande in letsel en de gevolgen daarvan, welke [appellante] als gevolg van de struikeling van [paard] en daarop volgende val van [appellante] zelf mocht hebben geleden. Die schade en dat letsel waren door [appellante] gesteld doch door Caprice bestreden, reden waarom het hof de zaak naar de rol heeft verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent de aard en omvang van de schade, en omtrent het oorzakelijk verband met de val in november 2003 in de manege te [plaats 1] . 6.1.2. In dit geval doet zich de complicatie voor dat aan [appellante] nog een ongeval is overkomen: in februari 2006 is zij, thuis, van of door het platte dak van een schuurtje gevallen. 6.1.3. Het is daarbij niet gebleven, want in december 2008 heeft een langsrijdende automobilist haar tijdens een wandeling geraakt met de buitenspiegel, waarbij haar linkerarm – haar beste arm op dat moment – werd geraakt of geschampt. Het hof laat die kwestie vooralsnog buiten beschouwing en komt daar verderop, bij r.o. 6.5, op terug. 6.2. Mitsdien dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de beperkingen welke [appellante] ondervindt of stelt te ondervinden zijn veroorzaakt door de val van het paard in november 2003, dan wel door de val van/door het platte dak van de schuur in februari 2006. 6.2.1. [appellante] stelt echter dat ook als haar beperkingen voor een belangrijk deel zijn te wijten aan de gevolgen van de val van het dak in 2006, dat de causale keten met de gebeurtenissen in november 2003 niet doorbreekt, aangezien de val van het dak van de schuur in 2006 juist het gevolg was van een plotseling uitval in de benen van [appellante] welke op hun beurt weer kunnen worden herleid tot het ongeval van november 2003. Aldus haar standpunt bij memorie na tussenarrest (p. 8); bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaarde zij in gelijke zin. Zij verklaarde toen dat zij als het ware achterover was geklapt als gevolg van een neurologische uitval die het gevolg is van het ongeluk met [paard] . 6.2.1.1. Bij memorie na tussenarrest (p. 7 onderaan) stelt zij dat zij van het dak is gevallen; bij antwoordmemorie na tussenarrest (punt 2 en 17) wordt dit door Caprice betwist; Caprice stelt dat [appellante] door het dak is gevallen, en dat als dit is gebeurd als gevolg van de slechte staat van het dak, de gevolgen daarvan geheel voor risico van [appellante] blijven. Uit de wijze waarop Caprice haar standpunt formuleert blijkt dat zij met “door” het dak gevallen bedoelt: “door het dak heen” gevallen, dus doordat als gevolg van het gewicht van [appellante] enerzijds in samenhang met de slechte staat van dat dak anderzijds zij dwars door dat dak heen zou zijn gevallen. 6.2.1.1. Uitsluitend in het stuk als hierna omschreven sub h. is sprake van een val “door” het dak: op blad 1, bij de weergave van de rapportage van [deskundige 1] / [deskundige 2] , en op blad 2, bij de weergave – in het rapport [deskundige 1] / [deskundige 2] – van de bevindingen van chirurg [chirurg] . Het betreft in beide gevallen, kennelijk, geen eigen waarneming van [chirurg] of van [deskundige 1] / [deskundige 2] , maar – voor wat [chirurg] betreft – datgene wat hij van een ander – waarschijnlijk [appellante] zelf – heeft gehoord, en – voor wat [deskundige 1] / [deskundige 2] betreft – datgene wat zij van [chirurg] hebben gelezen. 6.2.1.1. Het hof acht dit onvoldoende. Er is geen enkele concrete aanwijzing voorhanden dat [appellante] daadwerkelijk dwars door een dak heen zou zijn gevallen. De enige aanwijzing is kennelijk bovengenoemde passage, waarvan niet bekend is hoe deze tot stand is gekomen. Niet eens is duidelijk of in het sub h. bedoelde stuk met de term “door het dak” wordt bedoeld: “door het dak heen” dan wel: “als gevolg van (eventueel: de staat van) het dak”. Bij deze stand van zaken heeft Caprice onvoldoende aan haar stelplicht voldaan ten aanzien van haar stelling dat [appellante] door het dak heen zou zijn gevallen. Het hof houdt het er mitsdien voor dat “enkel” aan de orde is de situatie dat zij “van” het dak is gevallen. 6.2.2. Vervolgens is aan de orde in hoeverre de val van het dak veroorzaakt werd door een plotselinge uitval welke bij [appellante] op trad. Indien zou blijken van zodanige plotselinge uitval, dient overigens wel nog vast komen te staan dat die uitval was veroorzaakt door het letsel dat [appellante] had opgelopen bij gelegenheid van het ongeval in november 2003. Volgens Caprice is voor zodanige uitval geen bewijs voorhanden. 6.3. Nu in de visie van [appellante] , de val van het dak indirect ook is veroorzaakt door het ongeluk met [paard] , geeft het hof eerst de relevante medische stukken weer, om te bezien of daarin steun gevonden kan worden voor de stelling van [appellante] . 6.3.1. De relevante medische rapportage is overgelegd bij akte na comparitie in eerste aanleg d.d. 5 september 2012. Het betreft in chronologische volgorde: a. brief neuroloog [neuroloog 1] 22 juli 2004 aan huisarts b. brief [neuroloog 1] 28 september 2004 aan huisarts c. brief huisarts [huisarts 1] 15 juni 2007 d. brief osteopaat [osteopaat] 20 augustus 2007 e. brief neurologen [neuroloog 2] en [neuroloog 3] ( [vestigingsplaats 2] ) 13 december 2007 f. brief neurochirurgie prof. [neurochirurg 1] / [neurochirurg 2] en [neurochirurg 3] ( [vestigingsplaats 2] ) 9 januari 2008 g. brief neurochirurgie prof. [neurochirurg 2] / [neurochirurg 1] en [neurochirurg 3] / [neurochirurg 4] ( [vestigingsplaats 2] ) 24 januari 2008 h. ongedateerd verslag van [Intermediair] Intermediair, verwijzend naar: - rapportage dr. [deskundige 1] / [deskundige 2] 28 november 2008, waarin onder meer wordt verwezen naar: consult chirurg [chirurg] 8 februari 2006 naar aanleiding van een val door het dak i. brief [neuroloog 1] 23 maart 2009 aan huisarts j. brief [neuroloog 1] 23 maart 2009 aan [betrokkene] k. brief [neuroloog 1] 25 mei 2009 aan verzekeringsarts l. verzekeringsgeneeskundige rapportage 11 december 2009. 6.3.2. In het stuk sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.