GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.098.334/01 arrest van 1 maart 2016 in de zaak van [de Rabobank] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. P.M. Scholtes te Heerlen, tegen [PZN] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 16 juli 2013 en 17 maart 2015. 9Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 17 maart 2015; het proces-verbaal van de enquête van 8 oktober 2015; de ter gelegenheid van de zitting van 8 oktober 2015 door PZN genomen aktes (ingediend op resp. 14 april, 28 september en 2 oktober 2015) met producties 4 tot en met 17; de akte na proces-verbaal getuigenverhoor van PZN; de antwoordakte van de Rabobank; Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 10De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 10.1.1. In deze procedure vordert Rabobank van PZN € 249.387,94 (met rente en kosten) uit hoofde van een openbaar gemaakt stil pandrecht dat zij stelde te hebben op (opeisbare) vorderingen van PLP II op PZN. Van PLP II had Rabobank naar haar stellingen opeisbaar te vorderen € 287.899,52. PLP II is op 13 november 2008 failliet verklaard. Als primair verweer hiertegen heeft PZN aangevoerd dat Rabobank geen rechtsgeldig pandrecht op die vorderingen had. Uitgaande van de veronderstellingen (I) dat Rabobank inderdaad een opeisbare vordering had op PLP II op datum faillissement, (II) dat PLP II toen een opeisbare vordering op PZN had, en (IV) dat de vervolgpandaktes echt waren, heeft het hof dit verweer verworpen. Met de eerste vijf – geregistreerde en ter gelegenheid van de memorie van grieven medegedeelde - vervolgpandakten is Rabobank inningsbevoegd geworden ten aanzien van de aan haar stil verpande vorderingen van PLP II op PZN (rov 7.4.10 en 7.4.13). 10.1.2. Ten tweede verweerde PZN zich met een beroep op verrekening. PZN heeft op 12 november 2008 een verrekeningsverklaring uitgebracht met betrekking tot een op 6 november 2009 door [naam] aan haar gecedeerde vordering en bij conclusie van antwoord van 16 september 2009 een verrekeningsverklaring uitgebracht met betrekking tot al haar (in die conclusie vermelde) vorderingen op PLP II en haar schulden aan PLP II. In het tussenarrest heeft het hof, uitgaande van de hierboven genoemde veronderstellingen en van de veronderstelling (III) dat PZN op datum faillissement van PLP II een opeisbare (tegen)vordering op PLP II had, geoordeeld dat PZN haar vorderingen en schulden op PLP II met elkaar mocht verrekenen en heeft het hof datgene wat de Rabobank hier tegenin bracht verworpen (rov 7.6.1-7.6.6). 10.1.3. Indien PZN een gelijk of hoger bedrag in verrekening kan brengen, als dat wat Rabobank thans van haar vordert, behoeft PZN niets aan Rabobank te voldoen. Daartoe heeft het hof in zijn tussenarrest allereerst de vorderingen bezien, die PZN door cessie van [naam] heeft verkregen. Deze cessie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.