Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003489-15 Uitspraak : 29 maart 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant van 3 november 2015 in de strafzaak met parketnummer 02‑820497‑13 tegen: [verdachte] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis is de verdachte integraal vrijgesproken van het hem ten laste gelegde plegen van ontuchtige handelingen met [aangever 1] (feit 1) en [aangever 2] (feit 2). Bijgevolg zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot: een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 5 jaren met de navolgende bijzondere voorwaarden: a. een contactverbod met het slachtoffer [aangever 1] , b. een contactverbod met het slachtoffer [aangever 2] en c. een beroepsverbod voor het werken met personen met een leeftijd beneden 18 jaar. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] integraal zal toewijzen inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van strafvordering. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Voor wat betreft de benadeelde partijen heeft de verdediging primair verzocht dat het hof hen niet‑ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging de vorderingen deels betwist. Vonnis waarvan beroep Het hof is van oordeel dat de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen moeten worden bevestigd. Het hof zal daartoe dan ook overgaan. Wel zal het hof aan de vrijspraak een andere motivering ten grondslag leggen. Voorts zal het hof gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overwegingen wijden aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de vorderingen van de benadeelde partijen. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie In hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens ernstige onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de onderhavige strafzaak in de zin van art. 359a Sv, waardoor de verdachte in zijn belangen is geschaad. Deze vormverzuimen bestonden enerzijds in de slechte kwaliteit van het opsporingsonderzoek en het niet correct naleven van artikel 152 Sv en anderzijds in de gang van zaken rondom het horen van [aangever 1] en [aangever 2] buiten de verdediging om. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts dan in aanmerking, indien een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. Het hof is evenals de raadsvrouw van oordeel dat het opsporingsonderzoek diverse tekortkomingen en gebreken bevat en dat de verdediging in haar belangen is geschaad bij het telefonisch horen van de beide minderjarigen buiten de verdediging om. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze schending van het verdedigingsbelang niet zodanig ernstig is dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Voor het niet correct naleven van artikel 152 Sv heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen. Het verweer van de verdediging wordt aldus verworpen. Motivering vrijspraak Evenals de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde ontuchtige handelingen bij [aangever 1] en [aangever 2] . Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het onderzoek is het volgende naar voren gekomen. De verdachte is sinds vele jaren begeleider bij diverse jongerenkampen. Op 21 en 22 september 2013 vond een reünieweekend plaats in [plaats] voor jongeren die eerder dat jaar aan een zomerkamp van stichting [naam] hadden deelgenomen. De verdachte was een van de begeleiders bij zowel het zomerkamp als het reünieweekend. Bij het reünieweekend waren 11 jongens en meisjes in de leeftijd van 11 tot en met 15 jaar aanwezig, waaronder ook [aangever 1] en [aangever 2] , beiden 13 jaar oud. Na een filmavond hebben alle jongeren gezamenlijk met de verdachte als enige begeleider in de staftent geslapen. De overige begeleiders sliepen in hun eigen tent, zulks tegen de afspraken in, aldus de verdachte. Dat dit tegen de afspraken in was is bevestigd door mede-begeleider [getuige 1] die hierover heeft verklaard dat de verdachte wilde dat de rest van de leiding ook in de staftent zou blijven slapen. Na thuiskomst vertelde [aangever 1] op zondagavond 22 september 2013 achtereenvolgens aan vriendin [getuige 2] , zijn vader en zijn moeder over ontuchtige handelingen van de verdachte tijdens de voorafgaande nacht in de staftent. Dit heeft vervolgens geleid tot een melding bij de politie op 23 september 2013, een informatief gesprek op 29 september 2013, een aangifte door de moeder van [aangever 1] op 9 oktober 2013 en een verklaring van [aangever 1] op diezelfde dag. [aangever 1] verklaarde (pg. 136-144) - kort gezegd - dat de verdachte, die naast hem in de staftent lag, ’s nachts de slaapzak van [aangever 1] een stuk open ritste en vervolgens ontuchtige handelingen verrichtte aan onder meer zijn billen en penis. Verder verklaarde [aangever 1] dat [aangever 2] hem die ochtend had gevraagd of hij, [aangever 1] , gemerkt had dat de verdachte hem op zijn rug masseerde toen hij sliep en de rest wakker was. Vervolgens is de vader van [aangever 2] op 16 oktober 2013 benaderd teneinde [aangever 2] een getuigenverklaring af te laten leggen. [aangever 2] ’s ouders en stiefouders vroegen hem of er iets was gebeurd. [aangever 2] vertelde, na zulks aanvankelijk ontkend te hebben, dat ook hij door de verdachte ontuchtig was betast. Op 17 oktober 2013 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden met de vader, moeder en stiefmoeder van [aangever 2] , waarna ook [aangever 2] zelf een eerste verklaring heeft afgelegd. Op 21 oktober 2013 heeft de vader van [aangever 2] aangifte gedaan en op 14 november 2013 is [aangever 2] voor een tweede maal gehoord. Hij verklaarde (pg. 162-169), met ondersteuning van tekeningen - kort gezegd - dat de verdachte met zijn hand met gestrekte arm, terwijl ze tegenover elkaar lagen met de hoofden naar elkaar toe en [aangever 2] in zijn slaapzak lag, diverse ontuchtige handelingen aan billen en penis van [aangever 2] heeft verricht. Voorts verklaarde hij dat hij zag dat de verdachte na afloop van die ontuchtige handelingen met zijn hand in de slaapzak van [aangever 1] ging. De verdachte heeft van meet af aan ontkend de hem ten laste gelegde ontuchtige handelingen te hebben gepleegd. Opsporingsonderzoek Ter advisering van de officier van justitie heeft de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: LEBZ) d.d. 25 september 2014 gerapporteerd. De LEBZ is opgericht op 1 oktober 1999 op grond van de toenmalige Aanwijzing Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Het is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen die door de officier van justitie kan, soms moet, worden ingeschakeld om in een relatief vroeg stadium de waarheidsgetrouwheid van verklaringen in bepaalde zedenzaken te beoordelen. Voornoemd rapport vermeldt onder meer het volgende: De LEBZ constateert dat de verklaring van [aangever 2] een minder duidelijke ontstaansgeschiedenis heeft dan de verklaring van [aangever 1] . Beïnvloeding door derden kan om die reden niet worden uitgesloten, hoewel deze uit de informatie die zich nu in het dossier bevindt niet blijkt. (…) Hoewel er in de zaak veel onderzoek is verricht, valt het de LEBZ op dat in het onderzoek de verhoren van belangrijke getuigen ontbreken. Met name in de ontstaansgeschiedenis van de beschuldiging door [aangever 2] hadden de overige aanwezige volwassenen bij het gesprek op 16 oktober 2013 met [aangever 2] meer inzicht kunnen geven over het verloop van zijn onthulling. [Voorts is het] voor de LEBZ niet duidelijk waarom is gekozen om de overige tentgenootjes niet te horen. Tot slot was het horen van [getuige 2] zinvol geweest. (…) Met betrekking tot de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1] en de aangiftes valt op dat weinig is doorgevraagd. Veel zaken worden niet precies uitgevraagd. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk wanneer en op welke manier [aangever 1] en [aangever 2] nog contact hebben gehad na het kamp. Redenen van wetenschap worden niet altijd goed uitgevraagd. [aangever 2] en [aangever 1] zijn allebei net 13, waardoor extra rekening moet worden gehouden met gevoeligheid door beïnvloeding. Zowel aan [aangever 2] als aan [aangever 1] worden gesloten vragen gesteld en wordt informatie ingebracht uit informatieve gesprekken en aangiftes zonder dat dit eerst goed wordt uitgevraagd. Dit is onnodig en kan sturend zijn. In het verhoor van [aangever 2] valt op dat het weinig gestructureerd verloopt. Bij het verhoor van [aangever 1] sluit het verhoor niet goed aan op zijn leeftijd. Het verhoor maakt een chaotische en onvoorbereide indruk. (…) Hoewel er informatie ontbreekt in het dossier, omdat enerzijds belangrijke getuigen niet zijn gehoord en anderzijds te weinig is doorgevraagd, zijn op basis van het dossier zoals voorgelegd aan de LEBZ geen aanwijsbare problemen in de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] gevonden. De enige mogelijke aanwijzing voor onbetrouwbaarheid zou fysieke onmogelijkheid van de handelingen zoals beschreven door [aangever 2] zijn. (…) De LEBZ acht het niet zinvol genoemde getuige[n] alsnog te horen. Gezien het verloop van tijd en de beïnvloeding die inmiddels ongetwijfeld heeft plaatsgevonden is de verwachting dat dit geen betrouwbare informatie oplevert. Wel adviseert de LEBZ om een uitgebreide reconstructie te doen aan de hand van de gegevens zoals die zich in dit dossier bevinden om de mogelijkheid van de beschuldiging van [aangever 2] te toetsen. Van belang is hierbij de verklaringen van [aangever 2] als uitgangspunt te nemen. Het opnieuw bevragen van [aangever 2] over posities of het doen van een live-reconstructie met hem maakt de reconstructie verminderd betrouwbaar. Reconstructie Op verzoek van de verdediging is het advies van de LEBZ tot een reconstructie om de mogelijkheid van de beschuldiging van [aangever 2] te toetsen aan de hand zijn verklaringen, uiteindelijk opgevolgd en deze heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de rechter-commissaris, de officier van justitie, de verdachte, de raadsvrouw en politieambtenaren, waaronder een medewerkster van de afdeling forensische opsporing en [verbalisant 1] . Deze laatste heeft de waarnemingen en bevindingen tijdens de reconstructie in een proces-verbaal opgetekend. Tijdens de reconstructie zijn de door [aangever 2] beschreven gedragingen nagebootst teneinde vast te stellen of hetgeen [aangever 2] heeft verklaard over de ontuchtige handelingen door de verdachte fysiek gezien al dan niet mogelijk is. Aan de verdachte is verzocht om de door [aangever 2] beschreven positie in te nemen en de door [aangever 2] beschreven handelingen uit te voeren. Voor de persoon van [aangever 2] is gebruik gemaakt van een stand-in die qua lengte min of meer overeenkomt met [aangever 2] . Uit de door [verbalisant 1] gegeven beschrijving van hetgeen zij tijdens de reconstructie heeft waargenomen en uit de van de reconstructie genomen foto’s volgt dat, als de verklaring van [aangever 2] wordt gevolgd, de verdachte met zijn hand niet verder komt dan ter hoogte van de schouder / schouderbladen van de stand-in van [aangever 2] . Voor wat betreft de handelingen ten aanzien van [aangever 1] , komt de verdachte met zijn hand ter hoogte van de billen van de stand-in (aanvullend proces-verbaal van bevindingen, nummer PL2000-2013189094-47 d.d. 15 mei 2015). Vonnis rechtbank De rechtbank heeft bij vonnis van 3 november 2015 de verdachte integraal vrijgesproken, omdat het naar het oordeel van de rechtbank - kort gezegd - fysiek onmogelijk is dat de gedragingen hebben plaatsgevonden zoals [aangever 1] en [aangever 2] dat hebben verklaard en ander bewijs ontbreekt. Nader onderzoek in hoger beroep In hoger beroep heeft op verzoek van de advocaat-generaal [verbalisant 2] , teamleider van het Landelijk Video Reconstructie Team (LVRT), gerapporteerd over de uitgevoerde reconstructie (aanvullend proces-verbaal d.d. 4 februari 2017, 9 doorgenummerde pagina’s). [verbalisant 2] heeft onder andere gerapporteerd dat het op basis van zijn ervaringen van het grootste belang is dat niet alleen alle procespartijen bij de voorbereiding en uitvoering van de reconstructie worden betrokken, maar dat ook alle betrokkenen – de verdachte en slachtoffer/getuigen – in de gelegenheid worden gesteld te vertellen en te laten zien (naspelen) wat er volgens hen precies is gebeurd. Zij zijn namelijk de bron die zich het dichtst bij het feit bevond. Alle anderen vormen hun beeld op basis van eigen interpretatie van verklaringen en sporenbeelden. In dit verband wordt door [verbalisant 2] opgemerkt dat bij reconstructies die worden begeleid door het LVRT nooit gebruik wordt gemaakt van het naspelen van een verklaring: een verklaring is namelijk geen script en een getuige moet tijdens een reconstructie nader kunnen worden bevraagd. Bij het naspelen op basis van een schriftelijke verklaring moet op diverse momenten een eigen interpretatie worden gegeven van de afgelegde verklaring. Men weet dan echter niet of de interpretatie juist is en bij afwezigheid van degene die de verklaring heeft afgelegd kan dit ook niet direct worden getoetst. In deze zaak zijn als uitgangspunt genomen de op schrift gestelde verklaringen van een 13-jarige die een aantal onduidelijkheden bevatten en hiaten vertonen. De in die verklaringen omschreven handelingen en posities kunnen daardoor niet als vaststaande feiten worden gekwalificeerd. Gelet hierop heeft [verbalisant 2] ernstige twijfels over de waarde van de uitkomst van de reconstructie voor de waarheidsvinding. Door dr. R. Horselenberg, als rechtspsycholoog verbonden aan het The Maastricht Forensic Institute (TMFI), is in hoger beroep, op verzoek van de verdediging, gerapporteerd over de vraag of het laten uitvoeren van een nieuwe reconstructie waarbij [aangever 2] en [aangever 1] direct worden betrokken, in de gelegenheid worden gesteld nadere vragen te beantwoorden en de door hen eerder beschreven situatie nader toe te lichten waarna dit kan worden nagespeeld, een bijdrage kan leveren aan de waarheidsvinding (deskundigenrapport d.d. 4 maart 2017). Horselenberg deelt de conclusie van de LEBZ dat het opnieuw bevragen van [aangever 2] over posities of het doen van een live-reconstructie met hem de reconstructie verminderd betrouwbaar maakt. Door [aangever 2] nogmaals te verhoren of aanwezig te laten zijn bij de reconstructie zullen daar onherroepelijk problemen ontstaan, aldus Horselenberg. Voor [aangever 1] geldt hetzelfde. Volgens Horselenberg is het grootste probleem daarbij de inmiddels verstreken tijd. Het geheugen kan na verloop van tijd namelijk zodanig worden beïnvloed dat de validiteit van de uiteindelijke verklaring wordt bedreigd. Horselenberg concludeert dat het weinig zin heeft om [aangever 2] en [aangever 1] na zo veel tijd nog eens te verhoren. Overwegingen van het hof (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.