GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/01230 en 13/01231 Uitspraak op het hoger beroep van de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de Ontvanger, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 12 november 2013, nummers AWB 13/1678 en 13/6033, in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en de Ontvanger, betreffende na te noemen beschikkingen. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende is op grond van artikel 36b van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) bij beschikkingen van 21 mei 2012, onder nummers [nummer] .AS.11.002 respectievelijk [nummer] .AS.11.004 (hierna: de beschikkingen (aansprakelijkstelling)), elk voor een bedrag van, in totaal, € 234.883, door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor het door de fiscale eenheid [A] B.V. en [B] B.V. te [C] (hierna: de fiscale eenheid) onbetaald laten van de naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode [datum 2] 2006 tot en met 31 december 2008 (hierna: de naheffingsaanslag) tot een bedrag van € 132.978, alsmede van de tegelijkertijd met de naheffingsaanslag bij beschikking opgelegde boete (hierna: de boete) van € 66.489 en de ter zake van het onbetaald laten belopen van invorderingsrente en invorderingskosten van, in totaal, € 35.416. Na daartegen gemaakt bezwaar en te zijn gehoord, heeft de Ontvanger bij, in een geschrift vervatte, uitspraken van 7 februari 2013 de beschikkingen aansprakelijkstelling gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder de nummers AWB 13/1678 en 13/6033. Bij de Rechtbank is ook beroep ingediend betreffende twee beschikkingen, waarbij [de man] , de echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot) aansprakelijk is gesteld voor de onder 1.1 vermelde schulden, welke beroepen aldaar zijn geregistreerd onder de nummers AWB 13/1787 en 13/6034. Ter zake van deze vier beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van de echtgenoot eenmaal in de zaak met nummer 13/1787 een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, alsmede de beschikkingen aansprakelijkstelling vernietigd en vergoeding van griffierecht gelast. 1.3. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft de Ontvanger bij geschrift van 20 december 2013 hoger beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder de kenmerken 13/01230 en 13/01231. Tevens is hoger beroep ingesteld betreffende de twee beschikkingen, waarbij de echtgenoot aansprakelijk is gesteld, dat is geregistreerd onder de kenmerken 13/01228 en 13/01229. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 3 december 2014, waarbij zeven bijlagen zijn gevoegd, heeft de Ontvanger gereageerd op het verweerschrift en deze stukken zijn doorgezonden aan belanghebbende. 1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben partijen vóór de zitting, de Ontvanger bij brief van 10 februari 2016 en belanghebbende bij brief, onder toevoeging van bijlagen, van 14 februari 2016, nadere stukken ingediend. Deze stukken van partijen zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.5. Het onderzoek ter zitting (van de zaken met de kenmerken 13/01228 tot en met 13/01231) heeft plaatsgehad op 26 februari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de echtgenoot, alsmede, namens de Ontvanger, de heren [D] , [E] en [F] . 1.6. De Ontvanger heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. De echtgenoot heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, het origineel van de hierna onder 2.5 vermelde factuur overgelegd, waarvan aan partijen een kopie is verstrekt. 1.8. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat met het horen als getuigen van de heren [G] en [H] (hierna: [H] ) in verband met de authenticiteit van twee facturen. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.10. De Ontvanger heeft naar aanleiding van de eerste zitting bij brief van 20 april 2016 de beroepsgronden aangevuld. 1.11. In verband met de hierna vermelde zitting heeft belanghebbende nadere stukken, bij het Hof binnengekomen op 18 mei 2016, ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.12. Het onderzoek ter nadere zitting (van de zaken met de kenmerken 13/01228 tot en met 13/01231) heeft plaatsgehad op 20 mei 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de echtgenoot, alsmede, namens de Ontvanger, de heren [D] , [E] , [F] en, na als getuige te zijn gehoord, [J] , controleambtenaar van de Belastingdienst. 1.13. Het Hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten en het onder 1.7 genoemde origineel van de vermelde factuur aan de echtgenoot teruggegeven. 1.14. Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waaraan de verklaringen van de ter zitting gehoorde getuigen zijn aangehecht en dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding, het verhandelde ter beider zittingen van het Hof en het onderzoek ter zitting van de Rechtbank zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan: 2.1. De echtgenoot is van beroep registeraccountant en stond als zodanig geregistreerd in het register van het Nivra. Per [datum 1] 2010 is hij uitgeschreven uit dat register. 2.2. Belanghebbende en de echtgenoot zijn ieder voor 50% aandeelhouder van [A] B.V. te [C] (hierna: de Holding), die bestuurder en enig aandeelhouder is van [B] te [C] (hierna: [B] ). Belanghebbende en de echtgenoot zijn bestuurders van de Holding. De Holding en [B] vormen sinds [datum 2] 2002 de fiscale eenheid. De ondernemingsactiviteiten van [B] bestaan uit het exploiteren van een accountants- en belastingadvieskantoor (hierna: het accountantskantoor), waarin belanghebbende en de echtgenoot de enige werkzame personen zijn. Belanghebbende verzorgde geheel zelfstandig de administratie van het accountantskantoor, alsmede van de Holding en diende de aangiften omzetbelasting voor de fiscale eenheid in. 2.3. De echtgenoot heeft in het kader van de Wet melding ongebruikelijke transacties een aantal meldingen gedaan (hierna: de MOT-meldingen) betreffende cliënten van het accountantskantoor. Volgens de echtgenoot is dit de aanleiding geweest voor jarenlange (civiele) geschillen, de uitschrijving van belanghebbende bij het Nivra, beslagleggingen op het woonhuis, alsmede op overige bezittingen van belanghebbende en de echtgenoot. 2.4. In relatie tot de MOT-meldingen zijn in de administratie van de fiscale eenheid van twee cliënten van het accountantskantoor boekingen verwerkt van facturen betreffende geclaimde schadevergoedingen, waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht (hierna: de facturen). Het betreft een factuur gedagtekend [datum 2] 2006 van vof [K] te [L] (hierna: [K] ) met een bedrag aan omzetbelasting van € 45.220 en een factuur gedagtekend 18 december 2007 van [N] te [M] (hierna: [N] ) met een bedrag aan omzetbelasting van € 68.203,92. Vaststaat dat deze facturen niet zijn betaald. 2.5. Tot de gedingstukken behoort voornoemde factuur van [N] , die is gericht aan [O] – [B] en voorzien van een stempel van [G] B.V. te [M] met een handtekening, waarop het volgende is vermeld: “In rekening brengen wij als onderstaand: Bedrijfsschade € 253.968,00 Schade verkoop per executie € 25.000,00 Juridische kosten € 50.000,00 Kosten accountant € 30.000,00 € 358.968,00 Bij: 19% omzetbelasting € 68.203,92 € 427.171,92” 2.6. Over alle zesendertig maanden van de naheffingsperiode heeft de fiscale eenheid aangiften omzetbelasting ingediend, die elke maand leidden tot een terug te ontvangen bedrag, omdat meer voorbelasting is teruggevraagd dan aan verschuldigde omzetbelasting is aangegeven. Ter zake van de facturen heeft de fiscale eenheid in nagenoemde jaren de navolgende bedragen aan voorbelasting, tot een totaalbedrag van € 106.203, teruggevraagd: In het jaar 2006 ten aanzien van [K] een bedrag van € 38.000, in het jaar 2007 ten aanzien van [N] een bedrag van € 49.703 en in het jaar 2008 ten aanzien van [N] het (restant)bedrag van € 18.500. 2.7. Vanaf 15 april 2009 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij de fiscale eenheid. Bij dit boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 onderzocht. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 11 maart 2010 (hierna: het rapport). In het rapport is voor zover van belang het volgende opgenomen: “Aangifte (…) Geconstateerd is dat de aangiften ernstig afwijken van de gegevens uit de administratie. Verschuldigde omzetbelasting De omzetbelasting die is aangegeven over de omzet is over de gecontroleerde jaren deels juist en deels te veel aangegeven. In de herberekening zijn de juiste bedragen vermeld. Voorbelasting De op de aangiften geclaimde voorbelasting is niet juist, doordat ze niet is gebaseerd op de gevoerde administratie. Voorts zijn er door twee voormalige klanten facturen verstuurd (…) met hoge schadevergoedingen. Dit betreft een factuur (…) van [K] uit [L] met een voorbelasting van € 45.220 en een factuur (…) van [G] B.V. met een voorbelasting van € 68.203,92. Het recht op aftrek van voorbelasting voor belastingplichtige wordt (…) betwist. (…) 2007 (….) In de maanden januari 2007 t/m november 2007 wordt op aangiften een bedrag aan voorbelasting geclaimd met een totaalbedrag van € 50.647 terwijl over deze periode conform de administratie voor niet meer dan € 6.811 middels aan belastingplichtige in rekening gebrachte BTW als voorbelasting zou kunnen worden geclaimd. De conclusie is dat ook de over deze periode op aangiften in mindering gebrachte voorbelasting niet strookt met de inkoopfacturen die in de administratie zijn opgenomen. 2008 Over het jaar 2008 wordt het restant van de factuur van [N] van € 18.500 als voorbelasting geclaimd. (…) In totaal wordt er in 2008 op aangifte een bedrag van € 53.525 aan voorbelasting op aangifte in aftrek gebracht. Uit de administratie over 2008 blijkt dat er echter maar voor € 26.427 aan BTW aan belastingplichtige in rekening is gebracht. Dit is inclusief het bedrag van € 18.500. De in aftrek te brengen voorbelasting over 2008 bedraagt niet meer dan € 7.927. Ook over 2008 kan dus worden gezegd dat de op aangifte geclaimde voorbelasting tot een veel te hoog bedrag in aftrek is gebracht.” 2.8. In het rapport is het totaalbedrag aan correcties omzetbelasting (hierna, ook wel aangeduid als: OB) berekend op € 132.978, dat als volgt kan worden gespecificeerd: 2006 2007 2008 Totaal Gecorrigeerde OB over omzet € 16.290 € 18.682 € 8.989 -- Herrekende voorbelasting € 9.745 € 6.811 € 7.927 -- Herrekening verschuldigde OB € 6.545 € 11.871 € 1.062 € 19.478 Terugontvangen OB € 31.137 € 37.833 € 44.530 € 113.500 Na te heffen omzetbelasting € 37.682 € 49.704 € 45.592 € 132.978 2.9. Voorts is in het rapport vermeld, dat ter zake van de na te heffen omzetbelasting een vergrijpboete van 50%, wegens opzet, zal worden opgelegd. Volgens het rapport betreffen de feiten en omstandigheden voor het opleggen van de boete, dat belanghebbende zelf de aangiften voor de omzetbelasting doet, dat de door de fiscale eenheid over de jaren 2006, 2007 en 2008 ingediende aangiften omzetbelasting onvolledig en niet juist zijn, dat de in de aangiften vermelde voorbelasting tot te hoge bedragen is opgenomen en dus onjuist is, dat de fiscale eenheid werkzaam is als belastingadviseur en in die hoedanigheid ermee bekend is dat de aangifte altijd juist en volledig dient te geschieden, alsmede dat de te betalen belasting op tijd op aangifte voldaan moet worden en dat de administratie goed wordt bijgehouden, maar de ingediende aangiften wijken ernstig af van hetgeen in de administratie is opgenomen. 2.10. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is met dagtekening 27 mei 2010 aan de fiscale eenheid opgelegd de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 132.978 en daarbij bij beschikking de boete van 50% of € 66.489, alsmede is bij beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 12.322 in rekening gebracht. De betalingstermijn bedroeg twee weken. Tegen de naheffingsaanslag en evenmin tegen de beschikkingen is bezwaar of beroep aangetekend. 2.11. In verband met het niet betalen van de naheffingsaanslag en de boete zijn vervolgens de Holding en [B] , als lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid, op grond van artikel 43, eerste lid, in samenhang met artikel 32, tweede lid, van de IW bij beschikkingen met dagtekening 6 februari 2012 ieder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven omzetbelasting van € 132.978, de tot op 6 februari 2012 verschuldigde invorderingsrente van € 5.678 en de verschuldigde invorderingskosten van € 11.041, zijnde een totaalbedrag van € 149.697. Na kennisgeving van het voornemen daartoe, zijn de Holding en [B] bij beschikkingen met dagtekening 5 maart 2012 ieder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven boete van € 66.489 en de tot op 5 maart 2012 verschuldigde invorderingsrente van € 2.991, zijnde een totaalbedrag van € 69.480. 2.12. Belanghebbende en de echtgenoot zijn op hun beurt ieder aansprakelijk gesteld, belanghebbende bij de beschikkingen en de echtgenoot bij de onder nummers [nummer] .AS.11.001 respectievelijk [nummer] .AS.11.003 gegeven beschikkingen aansprakelijkstelling, voor elke van de aansprakelijkheidsstellingen van de Holding en [B] (hierna: de aansprakelijkheidsschulden), die als volgt zijn berekend (waarbij de invorderingsrente als IW-rente en de invorderingskosten als IW-kosten zijn aangeduid): Nummer [nummer] Aansprake-lijkstelling van Totaal OB, IW-rente en IW-kosten IW-rente IW-kosten Boete IW- rente Totaal AS.11.001 Holding € 149.697 € 5.678 € 10.028 € 66.489 € 2.991 € 234.883 AS.11.003 [B] € 149.697 € 5.678 € 10.028 € 66.489 € 2.991 € 234.883 AS.11.004 Holding € 149.697 € 5.678 € 10.028 € 66.489 € 2.991 € 234.883 AS.11.002 [B] € 149.697 € 5.678 € 10.028 € 66.489 € 2.991 € 234.883 2.13. In verband met het ingediende hoger beroep heeft de Ontvanger derdenonderzoeken ingesteld naar de facturen en de daarvan opgemaakte verslagen behoren tot de stukken van het geding. De Ontvanger beschikte niet over de facturen. Gelet op de bedragen aan voorbelasting heeft de Ontvanger ter zake van de factuur van [K] van [datum 2] 2006 het factuurbedrag op € 238.000 exclusief omzetbelasting berekend en ter zake van de factuur van [N] van 18 december 2007 het factuurbedrag op € 358.963 exclusief omzetbelasting. 2.14. In het verslag, op 20 februari 2014 ondertekend door de heer [G] , namens [N] , diens adviseur van [P] , en de Belastingdienst, is opgenomen dat de echtgenoot van 1995 tot 2005 de accountant van [N] is geweest. De echtgenoot verzorgde de gehele administratie en facturering van [N] en de administratie bevond zich bij de echtgenoot. De echtgenoot kwam regelmatig op kantoor bij [N] . De heer [N] heeft verklaard dat de echtgenoot beschikte over blanco briefpapier van [N] , alsmede over blanco facturen vanwege het verzorgen van de facturering aan de cliënten van [N] . Omstreeks 2004 bleek bij een controle van de Belastingdienst over de jaren 1999 en 2000 dat de administratie niet goed was bijgehouden. De echtgenoot verstrekte toen niet de gevraagde gegevens aan de Belastingdienst. Omdat grote correcties volgden, heeft [N] een advocaat benaderd om de door de echtgenoot veroorzaakte schade te verhalen. In dat verband zijn de echtgenoot en het accountantskantoor op 16 december 2005 gedagvaard en is een schadevergoeding geclaimd van € 355.532, waarbij beslag is gelegd op het woonhuis van belanghebbende en de echtgenoot. [N] heeft inzake de schadevergoeding geen factuur verzonden. 2.15. In het verslag, op 18 februari 2014 ondertekend door [H] , namens [K] , en de Belastingdienst is vermeld dat [K] in 1994/1995 is overgegaan naar de echtgenoot als accountant. In verband met het uittreden in 2002 van een van de drie firmanten van [K] heeft de echtgenoot stukken opgemaakt, waarbij is gebleken dat er grote fouten in de administratie zaten, eenvoudige optelsommen klopten niet en de juiste cijfers werden niet duidelijk. [K] is toen overgestapt naar een nieuwe accountant. Tevergeefs is geprobeerd de administratie op te halen bij de echtgenoot. De nieuwe accountant heeft de wel aanwezige stukken gecontroleerd en concludeerde dat er onjuiste aangiften zijn gedaan en dat er voor ongeveer € 30.000 te weinig aan belasting was betaald. Daarnaast bleken ter zake van de door de echtgenoot verzorgde loonadministratie te weinig pensioenpremies te zijn afgedragen. [H] is via zijn advocaat (hierna: de advocaat) een rechtszaak gestart tegen de echtgenoot en het accountantskantoor vanwege de geleden schade, gespecificeerd tot het bedrag van € 85.148. [H] heeft verklaard dat er nooit een factuur is gestuurd aan de echtgenoot of het accountantskantoor, ook niet in verband met de schadevergoeding of op [datum 2] 2006. Verder heeft [H] verklaard, dat de echtgenoot de beschikking had over blanco briefpapier van [K] , waarop de facturen van [K] werden afgedrukt en dat de echtgenoot daar specifiek om had gevraagd. In een brief van 7 april 2014 aan de Belastingdienst heeft de advocaat verklaard, dat uit de door de rechtbank in december 2005 en mei 2006 gewezen vonnissen al duidelijk werd dat de door [K] geclaimde schade grotendeels zou worden afgewezen, dat in zijn dossiers geen factuur van [K] van [datum 2] 2006 van circa € 236.000 is aangetroffen, dat het hem onwaarschijnlijk lijkt dat [K] een dergelijke factuur heeft doen uitgaan en dat de vordering zag op schadevergoeding, waarover geen omzetbelasting kan worden gerekend. 2.16. Ter zitting van het Hof als getuige gehoord heeft [H] , zakelijk weergegeven, verklaard (waarbij de echtgenoot is aangeduid als [de man] ): - De administratie van [K] maakte voor nieuwe cliënten een debiteurennummer aan en maakte de facturen op. De administratie werd gevoerd door twee medewerkers. - Ik kreeg iedere uitgaande factuur eerst te zien ter controle, dat is bij [K] protocol. Ik wil controleren of de uitgaande facturen corresponderen met de opdracht en de offerte. [de man] heeft destijds geen facturen aan mijn cliënten opgemaakt noch verstuurd. - Er is nooit een factuur gestuurd aan [de man] . [de man] heeft geen debiteurennummer, hij zit niet in het administratiesysteem. - [de man] kan briefpapier hebben meegenomen, want daar is geen controle op. - Op [datum 2] 2006 was [K] gesloten en destijds kon er niet worden thuisgewerkt. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld voor onbetaald gebleven belastingschulden en de daarmee verband houdende boete, invorderingsrente en invorderingskosten vanwege aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 36 van de IW. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan, met dien verstande dat vanwege een dubbeltelling van invorderingsrente van € 5.678 en van invorderingskosten van € 10.028, in totaal € 15.706, elke aansprakelijkstelling dient te worden verminderd tot € 219.177. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter beider zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar het van elk van deze zittingen opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Ontvanger concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van elke van de beschikkingen aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 219.177. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 36b, lid 1, van de IW is iedere bestuurder van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk, voor zover hier van belang, voor de niet betaalde omzetbelasting waarvoor dat lichaam aansprakelijk is gesteld (hierna: de aansprakelijkheidsschuld). In artikel 36b, lid 2, aanhef, van de IW worden de bepalingen van artikel 36, lid 2 tot en met lid 6 en lid 8 van de IW van overeenkomstige toepassing verklaard. In het tweede lid van voornoemd artikel 36 is bepaald dat een belastingplichtig lichaam verplicht is om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van - onder meer - omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger (hierna, ook wel aangeduid als: melding van betalingsonmacht). Het al dan niet (op juiste wijze) mededeling doen, is bepalend voor de bewijslastverdeling omtrent de aansprakelijkstelling, welke verdeling is beschreven in artikel 36, leden 3 en 4, van de IW. Omtrent het op de juiste wijze doen van de mededeling zijn in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: UB IW) criteria vastgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 7, lid 2, van het UB IW kan ter zake van een naheffingsaanslag geen (bevrijdende) mededeling worden gedaan, voor zover de omstandigheid dat belasting is nageheven die meer beloopt dan de belasting die is aangegeven te wijten is aan opzet of grove schuld van het belastingplichtige lichaam (vgl. Hoge Raad 23 december 2011, nr. 10/01211, ECLI:NL:HR:2011:BR7038, BNB 2012/50 en 6 april 2012, nr. 11/01496, ECLI:NL:HR:2012:BR7065, BNB 2012/161). De bewijslast dat sprake is van opzet of grove schuld van het lichaam, in het onderhavige geval de fiscale eenheid, ter zake van de nageheven belasting rust op de Ontvanger. 4.2. De Ontvanger betoogt dat het aan opzet, dan wel grove schuld van de fiscale eenheid te wijten is dat in de jaren 2006 tot en met 2008 te weinig omzetbelasting is betaald en voert daarvoor het volgende aan. De Ontvanger bestrijdt de verklaring van belanghebbende dat in de onderhavige periode alle facturen in een boekhoud(computer)programma zijn ingevoerd, waarna automatisch het te betalen of terug te ontvangen bedrag werd berekend. Hierbij wijst de Ontvanger erop dat de voorbelasting ter zake van de facturen van de schadevergoedingen niet (volledig) in aftrek is gebracht in het op de facturen vermelde tijdvak. Voorts is gebleken dat de aangiften per tijdvak niet aansluiten op de administratie en daaruit leidt de Ontvanger af dat ofwel welbewust andere gegevens in de aangiften zijn ingevuld ofwel de aangiften zijn ingediend, zonder dat daaraan de juiste administratie ten grondslag lag en in beide gevallen, zo betoogt de Ontvanger, is dat de fiscale eenheid, met de echtgenoot als registeraccountant, te verwijten vanwege opzet of grove schuld. Verder is de Ontvanger van mening dat uit de derdenonderzoeken en de getuigenverklaringen is gebleken dat de betreffende facturen valselijk zijn opgemaakt door - de echtgenoot namens - de fiscale eenheid, waarmee sprake is van opzet. 4.3. Belanghebbende wijst op de slechte gezondheidstoestand van haarzelf en de echtgenoot, die zich bij haar heeft geopenbaard vanaf eind mei 2009, toen belanghebbende een herseninfarct kreeg en bij de echtgenoot in oktober 2010 toen zich bij hem MS-achtige verschijnselen zijn gaan voordoen. Hierbij vindt belanghebbende van belang dat zij en de echtgenoot, mede vanwege de MOT-meldingen, in allerlei (civiele) geschillen verwikkeld zijn geraakt en dat meerdere zeer hoge belastingaanslagen zijn opgelegd. Belanghebbende stelt dat gelet op deze omstandigheden het ordentelijk voeren van verweer niet mogelijk is. De echtgenoot betwist (namens belanghebbende) dat met opzet, dan wel grove schuld door de fiscale eenheid onjuiste aangiften omzetbelasting zijn ingediend en stelt dat belanghebbende heeft zorggedragen voor de betreffende financiële administratie en aangiften omzetbelasting, dat belanghebbende om haar moverende redenen de voorbelasting van de facturen ten aanzien van [K] deels en ten aanzien van [N] geheel verdeeld over twee boekjaren heeft verwerkt en dat vanwege het herseninfarct van belanghebbende het voor de echtgenoot niet mogelijk is hieromtrent duidelijkheid te verschaffen. 4.4. Het Hof overweegt als volgt. Onder verwijzing naar de onder 2.4 tot en met 2.8 vastgestelde feiten en omstandigheden, alsmede de geloofwaardige getuigenverklaring van [H] , vennoot van [K] , in onderlinge samenhang bezien, komt het Hof tot het oordeel dat de Ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet, dan wel grove schuld van de fiscale eenheid te wijten is dat de verschuldigde omzetbelasting meer beloopt dan is aangegeven en voldaan. Het Hof neemt in dit verband in aanmerking dat de facturen ter zake van de schadevergoedingen niet betreffen facturen van een met omzetbelasting belaste prestatie verricht jegens (de vennootschappen van) de fiscale eenheid. De facturen zijn niet door (de vennootschappen van) de fiscale eenheid betaald en bij de administratieve verwerking van deze facturen is een willekeurige splitsing van het daarop vermelde bedrag aan omzetbelasting over drie jaren aangebracht, zie 2.6. Of een, dan wel welke, reden aan deze splitsing ten grondslag heeft gelegen, heeft belanghebbende niet gegeven. 4.5. Voorts acht het Hof van belang dat zonder de facturen van de schadevergoedingen door de fiscale eenheid meer omzetbelasting verschuldigd is dan is aangegeven en voldaan. In het rapport is op basis van de gevoerde administratie en met een correctie van de facturen de herberekening van de verschuldigde omzetbelasting bepaald op het bedrag van € 19.478, zie 2.8. Voorts is geconstateerd dat de aangiften ernstig afwijken van de gegevens uit de administratie en dat meer voorbelasting in aftrek is gebracht, dan uit de administratie volgt. Hieruit leidt het Hof af dat er geen sprake kan zijn van, zoals de echtgenoot bij de Rechtbank heeft verklaard, het invoeren van de gegevens van alle facturen in de betreffende periode in het boekhoudcomputerprogramma waarna automatisch het te betalen of terug te ontvangen bedrag werd berekend. Bij het indienen van de aangiften omzetbelasting zal bewust van de gegevens uit de administratie zijn afgeweken, hetgeen voor elk tijdvak leidde tot een terug te ontvangen bedrag. Op de tweede zitting bij het Hof heeft de echtgenoot verklaard, dat belanghebbende geheel zelfstandig de administratie (van de vennootschappen) van de fiscale eenheid verzorgde. Vaststaat dat in de onderhavige jaren maandaangiften omzetbelasting zijn ingediend en dat de laatste maandaangifte van het naheffingstijdvak op 31 januari 2009 moest worden ingediend. Volgens de verklaring van de echtgenoot zijn belanghebbende en hij eerst nadien, mei 2009 respectievelijk oktober 2010, ziek geworden. De verslechterende gezondheidstoestand van belanghebbende of van de echtgenoot is derhalve op een maanden of jaren later gelegen moment opgetreden dan de onderhavige aangiften zijn ingediend en daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de slechtere gezondheidstoestand van haarzelf of de echtgenoot de onjuiste aangiften kan verklaren. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat de fiscale eenheid, werkzaam in de administratieve en fiscale dienstverlening en met de echtgenoot, een registeraccountant als bestuurder en medewerker, zich ervan had behoren te vergewissen of de verwerking in de administratie van alle facturen in de onderhavige jaren voor elk van de tijdvakken tot teruggaven aan omzetbelasting kon leiden en of de aangiften omzetbelasting op basis van de gevoerde administratie zijn ingediend. De fiscale eenheid heeft in de administratie facturen verwerkt waaraan geen met omzetbelasting belaste prestatie ten grondslag lag en daarnaast volgt uit de gevoerde administratie dat de fiscale eenheid tot een bedrag van € 19.478 meer aan omzetbelasting verschuldigd is, dan is aangegeven en voldaan. De fiscale eenheid heeft met de gedane aangiften omzetbelasting bewust aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Het aldus handelen betreft naar het oordeel van het Hof een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid die de fiscale eenheid wordt aangerekend. Voor dat geval is het doen van een bevrijdende melding van betalingsonmacht niet mogelijk, zie artikel 7, lid 2, van het UB IW. 4.7. Uit het arrest Hoge Raad 8 augustus 2014, nr. 12/05618, ECLI:NL:HR:2014:2149, BNB 2014/215, volgt dat in gevallen van opzet en grove schuld in de zin van artikel 7, lid 2, UB IW de bestuurder overeenkomstig artikel 36, lid 4, eerste volzin, van de IW aansprakelijk is en dat wordt vermoed dat de niet betaling van de belasting aan hem is te wijten, tenzij de bestuurder overeenkomstig de tweede volzin van laatstbedoelde bepaling aannemelijk maakt dat het niet tijdig mededeling doen niet aan hem is te wijten. In een geval als het onderhavige wil dat zeggen dat de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam van de betalingsonmacht niet rechtsgeldig mededeling kon doen doordat het opzettelijk of door grove schuld geen aangifte of een te lage aangifte heeft gedaan. 4.8. Met hetgeen door haar onder 4.3 is aangevoerd heeft belanghebbende daartoe geen feiten en omstandigheden gesteld. Het Hof acht verder de volgende omstandigheden van belang: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.