GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 4 mei 2017 Zaaknummer : 200.197.014/01 Zaaknummer eerste aanleg : 4821298 + 4961484 + 4821308 in de zaak in hoger beroep van: 1 [appellant 1] V.O.F., h.o.d.n. Steakhouse El Dorado, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna zowel voor zich als gezamenlijk met appellanten onder 2 en 3 aan te duiden als [appellant 1] , 2. [appellant 2] (vennoot in [appellant 1] VOF), woonplaats kiezende te [woonplaats] , hierna te noemen [appellant 2] ,3. [appellante 3] (vennote in [appellant 1] VOF),woonplaats kiezende te [woonplaats] ,hierna te noemen [appellante 3] ,allen appellanten in principaal hoger beroep en verweerders in incidenteel hoger beroep,en allen bijgestaan door advocaat mr. R.G.P. Voragen te Heerlen, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [verweerder] , advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 9 mei 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2016; het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2016; het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 7 november 2016; de op 22 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant 2] en [appellante 3] bijgestaan door mr. Voragen - [verweerder] , bijgestaan door mr. Stassen. 2.2. De mondelinge behandeling in hoger beroep was aanvankelijk gepland op 27 januari 2017, maar is op verzoek van appellanten in verband met het overlijden op 24 januari 2017 van de vader van [appellante 3] nader bepaald op 22 maart 2017. 2.3. Het hof heeft na de mondelinge behandeling een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling In het principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. De kantonrechter heeft de volgende feiten vastgesteld. Daar is, met uitzondering van grief 6 in principaal appel niet tegen gegriefd. Die feiten, met een aanpassing in verband met het gestelde in grief 6, waarin [appellant 1] betwist dat op iedere eerste zondag van de maand het overige loon werd uitbetaald, dienen ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat daarbij om de volgende feiten. 3.1.1. [verweerder] is met ingang van 15 november 2011 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst van [appellant 1] in de functie van medewerker bediening. Een deel van het loon wordt uitbetaald conform de aan [verweerder] door [appellant 1] verstrekte loonspecificaties. 3.1.2. Op 31 december 2015 heeft [verweerder] aan een tafel met circa zestien gasten een opmerking gemaakt die tot een klacht van deze gasten geleid heeft. [verweerder] heeft vervolgens op verzoek/in opdracht van [appellant 1] die gasten niet meer bediend. De bediening van de betreffende gasten is overgenomen door een collega van [verweerder] . 3.1.3. Rond sluitingstijd op 31 december 2015 heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [verweerder] en (in ieder geval) [dochter van appellant 2 en appellante 3] , de dochter van de beide vennoten van [appellant 1] en leidinggevende van [verweerder] . De discussie ging over voornoemd voorval. 3.1.4. [verweerder] heeft direct daaropvolgend de werkplek verlaten en de sleutels van het restaurant aan [appellant 2] gegeven. 3.1.5. Om circa 23.37 uur op 31 december 2015 heeft [dochter van appellant 2 en appellante 3] een sms-bericht naar [verweerder] gezonden met de volgende inhoud: “Jij moet je schamen! Die groep van 17 per. Is komen klagen bij mij om jouw gedrag. Ik heb je gewisseld met [collega van verweerder] . Maar het was al te laat. En ik hou me in tegen over jouw om jouw nieuw jaar niet te verpesten en wat doe jij. Ga je nog onze gasten debiel noemen. En nog schelden! Schaam je [roepnaam verweerder] . Dit soort gedrag van jouw Is vaker naar voren gekomen. En ik heb je vaak genoeg erop gewezen. Maar nu ben je te ver gegaan. Bij deze ben je ook op staande voet ontslagen wegens agressief gedrag. Ik kon me vanavond niet voorstellen dat het waar was wat ik van hun hoor. Maar nu na dit. Kan ik niet anders dan het te geloven.” 3.1.6. Bij sms-bericht van 1 januari 2016 heeft [verweerder] aan [appellant 1] medegedeeld dat hij het niet eens is met het ontslag en dat hij zich beschikbaar stelt voor zijn werkzaamheden. Bij brief van 11 januari 2016 heeft hij dit (via zijn gemachtigde) herhaald, voorts heeft hij gesteld dat het ontslag nietig/vernietigbaar is en aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn loon. 3.1.8. Bij schriftelijk bericht van dhr en mw. [appellant 2 en appellante 3] aan [verweerder] (verzonden op 5 januari en ontvangen door [verweerder] op 6 januari 2016, zo is gebleken bij de mondelinge behandeling in hoger beroep) heeft [appellant 1] over de ontslagreden nog het volgende gesteld: “(…) Toen je ook door [roepnaam dochter van appellanten] werd aangesproken op je gedrag ben je ook tegen haar tekeer gegaan en meteen daarop heb je [roepnaam dochter van appellanten] een duw gegeven, en heb je geprobeerd haar te slaan. Doordat de heer [appellant 2] er tussen sprong. Kon hij voorkomen dat zij door jou geslagen werd (…) Later die avond is je per sms een ontslag op staande voet toegedeeld (..)” 3.1.7. [appellant 1] heeft [verweerder] niet meer toegelaten tot zijn werkzaamheden. In de maand december heeft [appellant 1] € 1.230,00 aan [verweerder] betaald. Daarna heeft [verweerder] geen loon meer van [appellant 1] ontvangen. 3.2.1. In eerste aanleg verzoekt [verweerder] (voor zover in hoger beroep van belang): [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling € 650,00 nettoloon over de maand december 2015 en tot verstrekking van de loonspecificatie over die maand; 1. Primair: a. voor recht te verklaren dat het op 31 december 2015 gegeven ontslag op staande voet nietig is, althans nietig verklaard wordt; b. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het loon van € 1.250,00 netto per maand, alsmede de vakantiebijslag en andere emolumenten vanaf 31 december 2015 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd; c. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de maximale wettelijke verhoging over b.; d. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over b. en c.; Subsidiair: a. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.750,00 netto; b. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.250,00 netto; c. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.66,57 netto; d. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot verstrekking van een deugdelijke netto-brutospecificatie ten aanzien van de onderdelen a. t/m c. op straffe van verbeurte van een dwangsom; e. [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onderdelen a. t/m c. 3.2.2. [appellant 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en tevens zelfstandig voorwaardelijk (voor zover nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat) verzocht om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden. 3.3. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter op de verzoeken van [appellant 1] –voor zover in hoger beroep relevant als volgt beslist:- veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk tot betaling aan [verweerder] van € 600,00 nettoloon met betrekking tot de maand december 2015, - veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk om aan [verweerder] de loonspecificatie met betrekking tot het loon van de maand december te verstrekken, - vernietigt de op 31 december 2015 gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst, - veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk tot betaling aan [verweerder] van het nettoloon van € 1.250,00 per maand vanaf 31 december 2015 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, - veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke verhoging over het nettoloon van € 1.250,00 over de maanden januari, februari en maart 2016, - veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke rente over hetgeen in onderdeel 7.4. en 7.5. aan [verweerder] is toegewezen, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening, - veroordeelt [appellant 1] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 479,00, - verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. 3.4. Tevens heeft de kantonrechter -voor het geval [appellant 1] het verzoek daartoe niet vóór 24 mei 2016 intrekt- het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 30 juni 2016. [appellant 1] heeft dat verzoek niet ingetrokken en tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld, zodat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst in elk geval uiterlijk op 30 juni 2016 is geëindigd. 3.5. De kantonrechter heeft aan zijn beslissing met betrekking tot de vernietiging van de opzegging het volgende ten grondslag gelegd. “Volgens [appellant 1] is het ontslag op staande voet gegeven op grond van het agressieve gedrag van [verweerder] jegens de vennoten en met name jegens hun dochter [roepnaam dochter van appellanten] (hierna: [roepnaam dochter van appellanten] ) toen hij door hen werd aangesproken op zijn gedrag tegenover de groep van (circa) 16 gasten. [appellant 1] stelt dat [verweerder] daarbij agressief is geworden, dat hij heeft geschreeuwd, dat hij [roepnaam dochter van appellanten] tegen haar borsten heeft geduwd, dat hij met zijn hoofd tegen het hoofd van [roepnaam dochter van appellanten] aan is gaan staan en dat hij heeft gedreigd haar te slaan. De kantonrechter is van oordeel dat deze verwijten verder buiten beschouwing gelaten dienen te worden omdat uit het sms-bericht niet blijkt dat deze (gestelde) gedragingen op zichzelf genomen ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd. In het sms-bericht wordt weliswaar melding gemaakt van “agressief gedrag”, maar onduidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. In de context van het bericht lijkt het alsof met “agressief gedrag” is gedoeld op het gedrag van [verweerder] jegens de gasten. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [appellant 1] niet in staat is gebleken aan te tonen dat [verweerder] zich op de door haar gestelde wijze gedragen heeft op 31 december 2015. In dat verband is met name betekenis gehecht aan het feit dat het hiervoor geciteerde sms-bericht van [roepnaam dochter van appellanten] geenszins melding maakt van de door [appellant 1] gestelde gedragingen. Uit dat bericht blijkt dus niets van de door [appellant 1] gestelde gedraging. In tegendeel. Als [verweerder] zich op de door [appellant 1] gestelde wijze gedragen zou hebben jegens zijn leidinggevende, dan is het niet voorstelbaar dat diezelfde leidinggevende daar vervolgens bij de onverwijlde opzegging geen woorden aan vuil maakt. De voorts door [appellant 1] in het geding gebrachte verklaringen zijn (onbetwist) afkomstig van vrienden van [appellant 1] en van werknemers van [appellant 1] , zodat deze verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] zich op de door [appellant 1] gestelde agressieve wijze heeft gedragen op 31 december 2015 rond 23.00 uur.” 3.6. [appellant 1] heeft in hoger beroep 13 grieven aangevoerd. [appellant 1] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot het alsnog afwijzen van de verzoeken van [verweerder] en toewijzing van die van [appellant 1] . 3.7. [verweerder] heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat [appellant 1] wordt veroordeeld tot afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie aangaande het salaris over de maand december 2015, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het hoger beroep. 3.8. Met de grieven 3, 10, 11 en 12 komt [appellant 1] op tegen de beslissing en overwegingen ten aanzien van de vernietiging van de opzegging. [appellant 1] voert allereerst (met de grieven 3 en 10 en 12) aan dat het voor [verweerder] wel duidelijk is geweest dat het agressief gedrag jegens [roepnaam dochter van appellanten] de reden is voor het ontslag op staande voet. De reden van het ontslag is - aldus [appellant 1] in hoger berioep- dat [verweerder] heeft geschreeuwd tijdens de discussie tussen partijen waar de gasten bij waren, dat hij [roepnaam dochter van appellanten] heeft geduwd en een dreigende houding aannam alsof hij haar wilde slaan (zie de toelichting op grief 3 onder 7). 3.9. Het hof overweegt als volgt. In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.