GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 4 mei 2017 Zaaknummers : 200.210.839/01 en 200.212.158/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/317353/JE RK 17-112-2 in de zaken in hoger beroep van: [de vader] , hierna te noemen: de vader, en [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] , appellanten in de zaak met nummer 200.210.839/01, belanghebbenden in de zaak met nummer 200.212.158/01, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat: mr. H. Sanli, en [de minderjarige] , verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp SJSJ Almata te [verblijfplaats] , appellante in de zaak met nummer 200.212.158/01, belanghebbende in de zaak met nummer 200.210.839/01, hierna te noemen: [de minderjarige] , advocaat: mr. J.A.R. van de Velde, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] , verweerster in beide zaken, hierna te noemen: de GI. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio: Zuidoost Nederland, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 februari 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De ouders hebben, bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2017, verzocht voormelde beschikking te vernietigen. Ook [de minderjarige] heeft, bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en daarmee de gesloten plaatsing te beëindigen. 2.2.1. Gelet op de verknochtheid van beide onder zaaknummers 200.210.839/01 en 200.212.158/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist. 2.2.2. Gelet op de samenhang van de onderhavige zaken met het hoger beroep van de ouders (zaaknummer 200.210.586/01) tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2016 inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling en van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn deze zaken gelijktijdig ter zitting behandeld. Op het hoger beroep van de ouders is bij afzonderlijke beschikking van 4 mei 2017 door het hof beslist. 2.3. Mr. Sanli en mr. Van de Velde hebben ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de brief van de GI van 4 april 2017 met bijlagen, ter griffie ingekomen op 5 april 2017, aangezien zij hiervan geen kopie hebben ontvangen en hiervan derhalve geen kennis hebben kunnen nemen. Het hof heeft daarop beslist dat op de bijlagen bij de brief van 4 april 2017 als in strijd met de goede procesorde geen acht wordt geslagen, omdat deze omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Sanli en mr. Van de Velde zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. 2.4. Gelet op de inhoud van de brief van 4 april 2017 van de GI zal het hof het verweerschrift van de GI dat op 29 maart 2017 is ingediend in de (onder 2.2.2. genoemde) zaak met nummer 200.210.586/01, ook als in deze zaak ingediend beschouwen, nu vaststaat dat alle betrokkenen hier kennis van hebben genomen en zich hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Het hof begrijpt dat de GI de bestreden beschikking bekrachtigd wenst te zien. 2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen: - de ouders, bijgestaan door mr. Sanli en een tolk in de Turkse taal, mevrouw H.N. Kösen-Altun (tolknummer 4898); - [de minderjarige] , bijgestaan door mr. Van de Velde; - de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] . 2.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van: - het V-formulier van mr. Sanli d.d. 8 maart 2017 met bijlagen; - het V-formulier van mr. Sanli d.d. 21 maart 2017 met bijlagen. 3De beoordeling 3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 3.2. [de minderjarige] staat sinds 14 april 2015 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd. 3.3. Op 15 november 2016 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 13 december 2016. Bij beschikking van 28 november 2016 heeft de kinderrechter de beschikking van 15 november 2016 bekrachtigd. Voorts heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 17 december 2017 verlengd. Deze beschikking is bij beschikking van 4 mei 2017 (met zaaknummer 200.210.586/01) door het hof bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. [de minderjarige] verbleef op grond van de machtiging uithuisplaatsing bij De La Salle in [vestigingsplaats] . 3.4. Op 31 januari 2017 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp ten aanzien van [de minderjarige] verleend met ingang van 31 januari 2017 voor de duur van vier weken, te weten tot 28 februari 2017. Bij de bestreden beschikking van 23 februari 2017 heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 23 februari 2017 voor de duur van drie maanden, derhalve tot 23 mei 2017, verleend betreffende [de minderjarige] . Het verzoek van de GI is voor het overige afgewezen. Vanaf 31 januari 2017 verblijft [de minderjarige] op grond van de machtiging gesloten jeugdhulp bij SJSJ Almata te [verblijfplaats] , waar zij nog steeds verblijft. 3.5. Zowel de ouders als [de minderjarige] kunnen zich niet met de beslissing van 23 februari 2017 verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6. De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. De machtiging gesloten jeugdhulp is gebaseerd op stukken van de GI waarin onwaarheden staan, bijvoorbeeld ten aanzien van loverboyproblematiek, geen concrete voorbeelden zijn genoemd waaruit volgt dat er sprake zou zijn van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen en die bovendien niet zijn onderbouwd met bewijstukken. Bovendien is de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper onvoldoende onderbouwd, aangezien zij [de minderjarige] maar vijf minuten heeft gesproken en de verklaring dus op grond van de stellingen van de GI heeft afgegeven. Er bestaan geen problemen in de verhouding tussen [de minderjarige] en de ouders en de thuissituatie is veilig. [de minderjarige] kampt wel met angstgevoelens - die zijn verergerd door de gesloten plaatsing en de politie-inzet op 31 januari 2017- maar daarvoor kan in het vrijwillig kader hulp worden ingeschakeld. De ouders betwisten dat zij niet meewerken aan hulpverlening. [de minderjarige] wil graag bij haar ouders wonen en daarom is zij weggelopen bij De La Salle. De problematiek van [de minderjarige] rechtvaardigt de gesloten plaatsing niet. De zorgen omtrent [de minderjarige] zijn niet toegenomen sinds de uithuisplaatsing. De gesloten plaatsing is niet noodzakelijk en maakt een onrechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM en 9 IVRK. De ouders maken zich bovendien zorgen over de ontwikkeling, het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] bij SJSJ Almata. Ook zijn zij boos over de manier waarop [de minderjarige] met politie-inzet gesloten is geplaatst. 3.7. [de minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. De machtiging gesloten jeugdhulp is niet noodzakelijk en bovendien disproportioneel. De instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper is onvoldoende onderbouwd. Er is geen enkele aanwijzing voor loverboyproblematiek. [de minderjarige] is bovendien ten onrechte afgerekend op zelfbepalend gedrag en uitspraken van haar vader over haar verblijf thuis die hij niet zo heeft bedoeld. [de minderjarige] heeft bij De La Salle nooit geweld gebruikt richting anderen en is weggelopen, omdat zij zich niet begrepen voelde. [de minderjarige] wil hulp voor haar problematiek en voor haar ouders. [de minderjarige] verzet zich niet tegen een uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin, bijvoorbeeld bij familie, en die mogelijkheid had serieus moeten worden onderzocht. 3.8. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – het volgende aan. De GI maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en de (veiligheid van [de minderjarige] in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.