Afdeling strafrecht Parketnummer: 20-000263-16 Uitspraak: 23 mei 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland- West-Brabant van 19 januari 2016 in de strafzaak met het parketnummer 02-665228-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard, kort gezegd, dat de verdachte op 19 mei 2014 in Tilburg als bestuurder van een vrachtauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een fietsster, genaamd [slachtoffer] , om het leven is gekomen. De rechtbank heeft de verdachte hiervoor veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de verklaring van de nabestaanden van het slachtoffer. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Voor het geval het hof niettemin tot een veroordeling komt is verzocht om geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Bewijsverweer Aan de verdachte is primair ten laste gelegd, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte op de kruising van de Bredaseweg met de Ringbaan-West naar rechts is afgeslagen zonder voorrang te verlenen aan de op die kruising rechtdoor gaande fietsster, genaamd [slachtoffer] , waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaats-gevonden ten gevolge waarvan die fietsster is gedood (art. 6 WVW 1994). Subsidiair is aan de verdachte ten laste gelegd, kort gezegd, dat hij door bedoelde gedragingen gevaar en hinder in het verkeer heeft veroorzaakt (art. 5 WVW 1994). In hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, omdat hij geen schuld (als bedoeld in artikel 6 WVW 1994) heeft aan het ontstane verkeersongeval, zodat hem strafrechtelijk daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Daartoe is, samengevat, het volgende aangevoerd. De verdachte heeft in alle opzichten de zorgvuldigheid en voorzichtigheid betracht die van hem als verkeersdeelnemer verwacht mochten worden en hij heeft zich maximaal ingespannen om gevaarzetting te voorkomen. Immers, terwijl de verdachte voor de verkeerslichten stond te wachten, heeft hij voortdurend om zich heen en in de autospiegels gekeken en hij heeft, toen hij groen licht kreeg en optrok, opnieuw in zijn spiegels en door de zijramen van zijn vrachtauto gekeken terwijl hij de bocht naar rechts instuurde. Daarbij heeft de verdachte op geen enkel moment het latere slachtoffer waargenomen. De verklaring daarvoor kan worden gevonden, aldus de verdediging, in de verklaringen van de na het instellen van het hoger beroep gehoorde getuigen, waaruit volgt dat het slachtoffer nog niet bij de kruising was gearriveerd toen de verdachte met de vrachtauto optrok en dat zij door het achterwiel van die vrachtauto is geraakt. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en haar bewijsoverwegingen, zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep, over en maakt deze tot de zijne, voor zover daarvan hierna niet uitdrukkelijk wordt afgeweken. Op grond van die bewijsmiddelen stelt het hof, evenals de rechtbank, vast dat de verdachte op 19 mei 2014 in Tilburg op de kruising van de Bredaseweg met de Ringbaan-West als bestuurder van een vrachtauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De verdachte heeft bij het naar rechts afslaan vanaf de Bredaseweg naar de Ringbaan-West geen voorrang verleend aan de over de Bredaseweg rechtdoor gaande fietsster, genaamd [slachtoffer] , waardoor die fietsster tegen de door de verdachte bestuurde vrachtauto is gereden. De fietsster is ten gevolge van deze aanrijding overleden. Het hof stelt, evenals de rechtbank, vast dat de verdachte in aanzienlijke mate onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor het ontstaan van het verkeersongeval, ten gevolge waarvan de fietsster is overleden, aan zijn schuld (als bedoeld in artikel 6 WVW 1994) te wijten is. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft ook in hoger beroep verklaard dat hij ter plaatse bekend is, dat hij weet dat fietsers op het fietspad van de Bredaseweg en motorvoertuigen op de rijstrook voor rechtdoor en rechtsaf tegelijkertijd groen licht krijgen en dat bestuurders zoals hij, die vanaf de Bredaseweg rechtsaf slaan naar de Ringbaan-West, voorrang moeten verlenen aan het fietsverkeer dat op de Bredaseweg rechtdoor gaat en de Ringbaan-West oversteekt. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij op het moment dat hij op de Bredaseweg stilstond voor de verkeerslichten niet was afgeleid en dat hij al die tijd op het verkeer heeft gelet en in de spiegels van zijn vrachtauto heeft gekeken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zeker op het fietspad naast hem heeft gelet omdat, naar hij weet, het naar rechts afslaan altijd een lastig punt is. Niettemin heeft de verdachte, zoals hij heeft verklaard, het latere slachtoffer op geen enkel moment waargenomen. De verdachte heeft voorts verklaard dat de opstelplaats voor de fietsers die de Ringbaan-West willen oversteken zich ten opzichte van de stopstreep van de rijstrook voor rechtdoorgaand en rechtsafslaand gemotoriseerd verkeer, waarachter hij stond te wachten, ongeveer twee à drie meter schuin voor hem bevond en dat er niemand op die opstelplaats voor fietsers heeft gestaan gedurende de tijd dat hij voor het rode licht stond te wachten om rechtsaf te slaan. De verdachte heeft daaraan toegevoegd dat, als daar wel een of meer fietsers zouden hebben gestaan, hij deze had gezien en voorrang had gegeven. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte, voor zover deze inhoudt dat zich niemand bevond op de opstelplaats voor fietsers om de Ringbaan-West over te steken, wordt uitgesloten door de objectieve bevindingen uit het technisch onderzoek van de ter plaatse aanwezige verkeersregelinstallatie. Op grond van die bevindingen - waarvan het hof zal uitgaan nu niet is gebleken dat bedoelde verkeersregelinstallatie op 19 mei 2014 niet naar behoren functioneerde - moet worden aangenomen dat gedurende (een aanzienlijk deel van) de tijd dat de verdachte met zijn vrachtauto voor rood licht stond te wachten, ten minste één fietser zich heeft bevonden op die opstelplaats. Uit het proces-verbaal van onderzoek van de verkeersregelinstallatie blijkt het volgende. De verkeersregelinstallatie bestaat uit een aantal signaalgroepen, die worden onderscheiden naar rijrichting en/of type verkeersdeelnemers. Signaalgroep 8 (hierna SG8) is toegekend aan de rijstrook van de Bredaseweg voor het rechtdoorgaand en rechtsafslaand gemotoriseerd verkeer waarop de vrachtauto van de verdachte zich voor het ongeval bevond. Signaalgroep 24 (hierna SG24) is toegekend aan het in deze zaak relevante gedeelte van het fietspad van de Bredaseweg waarop het slachtoffer zich voor het ongeval bevond. De SG8 wordt gevormd door de zogenoemde koplus (die zich bevindt ter hoogte van de stopstreep op het wegdek van de voor de verdachte bestemde rijstrook voor rechtdoorgaand en rechtsafslaand verkeer) en de detectielussen 8.3, 8.2 en 8.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.