← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2017:2265

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.170.465/01 arrest van 23 mei 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen Administratiekantoor [Administratiekantoor] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna: [Administratiekantoor] , advocaat: mr. H.G.J. Jacobs te Waalre, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 mei 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 3571085 14-13002 gewezen vonnis van 30 april

  1. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 31 mei 2016; de brief van mr. Van de Laar aan het hof van 30 september 2016; de brief van mr. Van de Laar aan het hof van 6 oktober 2016; de brief van mr. Van de Laar aan het hof van 25 januari
  2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling 6.1.
  3. Het hof roept in herinnering dat [Administratiekantoor] in opdracht van [appellante] administratieve en boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht en dat [appellante] de in verband met die werkzaamheden door [Administratiekantoor] verstuurde facturen grotendeels onbetaald heeft gelaten. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de vorderingen van [Administratiekantoor] toegewezen, met dien verstande dat niet de gevorderde wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente over de hoofdsom (van € 6.699,65) werd toegewezen, naast de eveneens gevorderde (buitengerechtelijke) kosten. [appellante] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 6.1.
  4. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de betwisting van [appellante] van de verschuldigdheid van de gefactureerde bedragen onvoldoende gemotiveerd is en dat daarom bewijslevering niet aan de orde is (rov. 3.5.1 en 3.5.2), maar dat dat anders is voor wat betreft de stelling van [appellante] dat zij met [Administratiekantoor] heeft afgesproken dat zij € 3.000,-- tegen finale kwijting zou betalen en dat daarbij geen nadere voorwaarden zijn gesteld. Omdat [Administratiekantoor] die afspraak betwistte, werd [appellante] toegelaten genoemde afspraak te bewijzen. 6.1.
  5. Nadat de advocaat van [appellante] bij brief van 30 september 2016 drie getuigen had opgegeven en het getuigenverhoor op 12 oktober 2016 was gepland, heeft de advocaat van [appellante] bij brief van 6 oktober 2016 het hof verzocht een nieuwe zittingsdatum vast te stellen in verband met een verhindering aan zijn zijde. Overeenkomstig dit verzoek heeft het hof een nieuwe zittingsdatum vastgesteld op 26 januari
  6. Daags voor die zitting heeft de advocaat van [appellante] het hof bericht dat zijn cliënte afziet van het leveren van bewijs en verzocht de zaak naar de rol te verwijzen voor arrest. 6.
  7. Aldus is de door [appellante] gestelde afspraak niet komen vast te staan. De door haar aangevoerde grieven slagen niet. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [Administratiekantoor] gevallen proceskosten. 7De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen; veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [Administratiekantoor] op € 711,-- aan griffierecht en op € 948,-- aan salaris advocaat; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, A.J. Henzen en M.A. Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 mei
  8. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.