GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 8 juni 2017 Zaaknummer : 200.198.463/01 Zaaknummer eerste aanleg : 4985780 EJ verz. 16-228 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. R.B.J.M. van der Linden te Veldhoven, tegen C-Content B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna aan te duiden als C-Content, advocaat: mr. P. de Boer te ’s-Hertogenbosch. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 juni 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 september 2016; het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen op 1 september 2016 en opnieuw (hersteld) ingekomen op 8 september 2016; het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2016; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingebracht door partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep; - de op 21 december 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens [appellant] een pleitnota in het geding is gebracht; bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Van der Linden; - [oprichter, aandeelhouder en directeur van C-Content] namens C-Content, bijgestaan door mr. De Boer; - een V8 formulier en een brief van 30 maart 2017 van de zijde van [appellant] met de mededeling dat het mediationtraject is beëindigd met het verzoek uitspraak te doen. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. De kantonrechter heeft in rov. 2.1 tot en met 2.7 van de bestreden beschikking feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven of bezwaren gericht en die feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof heeft daaraan nog enkele feiten toegevoegd. 3.1.1. [appellant] is bij arbeidsovereenkomst van 15 februari 1989 met ingang van 1 januari 1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij C-Content (toen nog CD-Europe) in de functie van cd-rom projectmanager. [appellant] is in 1998 benoemd in de functie van directeur technologie. In die functie gaf [appellant] leiding aan de technische afdeling van C-Content en was hij verantwoordelijk voor de implementatie van alle door de productmanager geïnitieerde productontwikkelingen en alle diensten die C-Content levert. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1961 en was laatstelijk werkzaam tegen een salaris van € 9.535,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. 3.1.2. C-Content is een bedrijf dat zich bezighoudt met hoogwaardige contentintegratie, dat wil zeggen het zoeken van informatie via één portaal. C-Content heeft zich gespecialiseerd in het vakgebied “information retrieval” het online met behulp van internetapplicaties optimaal doorzoekbaar maken van informatie. 3.1.3. Op 17 december 2012 heeft C-Content twee brieven gestuurd aan [appellant] . De ene brief heeft als onderwerp: “Verkoop certificaten aandelen C-CONTENT b.v.”, de andere “Bevestiging afspraken”. Beide brieven zijn door beide partijen voor akkoord ondertekend. De brief met als onderwerp “Verkoop certificaten aandelen C-CONTENT b.v.” luidt, voor zover van belang, als volgt: “Middels dit schrijven bevestig ik de uitkomst van de verschillende gesprekken die wij gedurende de afgelopen maanden gevoerd hebben. Deze gesprekken hadden betrekking op de verkoop door jou, van jouw certificaten van de aandelen (hierna de ‘Certificaten’) in “Stichting Administratiekantoor Medewerkers C-CONTENT b.v.” (hierna ‘AK’), aan C-CONTENT b.v. (hierna ‘C-CONTENT’). Het betreft het totale in jouw bezit zijnde certificatenpakket. - Dit pakket bestaat uit de volgende onderdelen: (…) - Dit brengt het totaal in jouw bezit zijnde pakket op (…) - Dit vertegenwoordigt (…) - In de periode voorafgaand aan 2006, heeft C-CONTENT een universeel contentintegratiesysteem (later genaamd My-Lex®) ontwikkeld. In mei 2006 heeft C-CONTENT de eerste applicatie hiervan op de juridische markt geïntroduceerd onder de naam Rechtsorde.nl (juridisch informatie portaal). Een portaal waarmee alle relevante informatie via één zoeksysteem aan de juristen in Nederland wordt aangeboden. Dit product werd ondergebracht in een aparte onderneming, genaamd Rechtsorde b.v., waarvan C-CONTENT 20% aandeelhouder was. - Na een snelle groei, hebben de houdermaatschappij M-Tri b.v. en C-CONTENT, op juni 2012 alle aandelen van Rechtsorde b.v. overgedragen aan SDU Uitgevers b.v. - Inmiddels is My-Lex® contentintegratietechnologie met succes toegepast in de Europese normenindustrie, de Duitse fiscale markt en in een informatieportaal voor (decentrale) overheden in Nederland, deze laatste onder de naam My-Lex Overheid®. - Deze ontwikkelingen bieden daarnaast een veelvoud van toekomstige applicatie- en derhalve groeimogelijkheden voor de onderneming. - Als gevolg hiervan is de waarde van de aandelen van C-CONTENT sterk gestegen. - Mede gebaseerd op de recent uitgevoerde transactie, de laatstgenoemde ontwikkelingen en de verdere groeimogelijkheden, is het totale aandelenpakket van C-Content op dit moment gewaardeerd op (…). - Gebaseerd op dit bedrag komt de waarde van jouw aandelenpakket op (…). Middels ondertekening van dit document draag je het totale in jouw bezit zijnde pakket van Certificaten (zijnde 1.625) over aan C-CONTENT b.v., voor het laatstgenoemde bedrag van (…), zodat je na deze transactie geen Certificaten of aandelen van C-CONTENT meer in je bezit hebt. (…)”. De brief met als onderwerp “Bevestiging afspraken” luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Mede in verband met de inhoud van de afzonderlijk bereikte overeenkomst tussen jou en C-CONTENT d.d. 17-12-2012 én de inhoud van punt 2. van dit schrijven, stem je er mee in om nog voor een periode van 4 (zegge vier) jaar (t/m 13-12-2016) in jouw huidige functie als “Director Technology” bij C-CONTENT in dienst te blijven. Indien gedurende deze periode een verandering in de benaming of de inhoud van jouw functie plaats zal vinden, zal dat altijd in goed onderling overleg en na jouw toestemming gebeuren. 2. Mede door jouw inzet en bijdragen, verwachten wij dat de waarde van de onderneming in de komende periode, nog meer zal toenemen. Om jouw bijdrage aan het realiseren van deze toekomstige waardestijging eveneens te belonen, wordt in het geval van een transactie in de aandelen van C-CONTENT in de toekomst, waarbij meer dan 50% van de aandelen door een derde wordt overgenomen, bij het voltooien van een dergelijke transactie, jou een recht toegekend van 3,5% (zegge drie en een half procent) van de waardetoename van C-CONTENT b.v. boven het huidige bedrag van (…)”. 3.1.4. Op 7 oktober 2015 heeft de heer [oprichter, aandeelhouder en directeur van C-Content] (oprichter, aandeelhouder en directeur van C-Content) [appellant] geïnformeerd dat zijn functie kwam te vervallen. [appellant] is door dit besluit overvallen. Hij is op geen enkel moment betrokken geweest bij de totstandkoming van dit besluit van C-Content om afscheid van hem te nemen. Ter afsluiting van het gesprek op 7 oktober 2015 is [appellant] met betaald verlof gestuurd. De dochter van [appellant] , die ook werkzaam was bij C-Content, werd diezelfde dag eveneens naar huis gestuurd met betaald verlof. Hun toegangspasjes werden geblokkeerd en hun account op de computer van C-Content werd geblokkeerd. 3.1.5. C-Content heeft op 6 oktober 2015 bij het UWV een verzoek ingediend voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [appellant] . Namens [appellant] is een verweerschrift ingediend, waarna C-Content heeft gerepliceerd en [appellant] heeft gedupliceerd. 3.1.6. Het UWV heeft op 30 november 2015 aan C-Content toestemming gegeven voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [appellant] . Vervolgens heeft C-Content op 2 december 2015 de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 1 maart 2016, waarbij aan [appellant] de wettelijke transitievergoeding is betaald van € 125.773,80 bruto. 3.1.7. Partijen hebben lopende de opzegtermijn overleg gevoerd over twee openstaande discussiepunten, te weten het aan [appellant] verstrekte recht op een procentueel gedeelte van de meerwaarde van C-Content boven een bepaald bedrag, zoals vastgelegd in de brief van 17 december 2012 met als onderwerp ‘Bevestiging afspraken’ onder punt 2 (hiervoor onder 3.1.3. opgenomen) en het non-concurrentiebeding. Hierover hebben partijen geen overeenstemming bereikt. [appellant] is een kort gedingprocedure gestart om schorsing van het concurrentiebeding te vorderen, hetgeen geleid heeft tot een schikking die is vastgelegd in een proces-verbaal van de terechtzitting van 11 maart 2016. 3.2. [appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, verzocht: I. hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 314.443,- bruto; II. C-Content te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 109.926,- bruto, en subsidiair een schadevergoeding van € 123.236,- bruto; III. beide bedragen onder I en II te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontslag, dan wel vanaf de dag van het verzoekschrift, tot de dag der voldoening; IV. C-Content te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten. C-Content heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 3.3. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft onder aanvoering van drie grieven geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot toekenning van zijn in eerste aanleg geformuleerde verzoeken, met dien verstande dat hij ter zake gefixeerde schadevergoeding een bedrag van € 108.092,50 bruto heeft gevorderd, in plaats van het in 3.2 onder II genoemde bedrag. 3.4. Grief 1 heeft betrekking op de vraag of aan [appellant] een billijke vergoeding dient te worden toegekend, omdat volgens [appellant] er voor het ontslag geen redelijke grond bestaat en omdat C-Content ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Grief 2 ziet op de vordering tot toekenning van (gefixeerde) schadevergoeding vanwege het niet in acht nemen van een overeengekomen opzegtermijn, althans vanwege een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst met betrekking tot een periode waarover partijen in ieder geval nog een arbeidsovereenkomst hadden moeten hebben. Grief 3 heeft betrekking op de proceskostenveroordeling. Daarnaast klaagt [appellant] met grief 3 over de afwijzing van de verzoeken en vorderingen. In zoverre mist die grief zelfstandige betekenis naast de grieven 1 en 2. Het hof zal eerst grief 2 beoordelen, nu de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beoordeling van grief 1. (gefixeerde) schadevergoeding 3.5. Grief 2 heeft betrekking op het verzoek van [appellant] om hem een gefixeerde schadevergoeding, althans een schadevergoeding toe te kennen. Volgens [appellant] is hij met C-Content overeengekomen dat hij tot en met 31 december 2016 bij C-Content in dienst zou blijven. C-Content heeft deze overeenkomst geschonden. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 maart 2016 geëindigd, maar had niet eerder opgezegd kunnen worden dan tegen 1 januari 2017. C-Content heeft dus een onjuiste opzegtermijn in acht heeft genomen, waardoor zij de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is geworden. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt tien maanden loon (inclusief vakantiebijslag). Subsidiair is [appellant] (om dezelfde reden) van mening dat C-Content toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat zij schadevergoeding aan hem verschuldigd is. De schadevergoeding is hoger dan de gefixeerde schadevergoeding omdat is gerekend met het loon inclusief alle emolumenten over een periode van tien maanden. 3.6. C-Content heeft betwist dat zij met [appellant] is overeengekomen dat hij tot en met 31 december 2016 in dienst zou blijven. 3.7. Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar tevens om de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Het gaat dus niet uitsluitend om de tekst van de overeenkomst zoals vastgelegd in de brief van 17 december 2012 met als onderwerp ‘Bevestiging afspraken’, maar ook om de context waarin die overeenkomst tot stand is gekomen en de reden waarom in die brief melding is gemaakt van “nog voor een periode van 4 (zegge vier) jaar (t/m 31-12-2016)” en van “Indien gedurende deze periode een verandering in de benaming of de inhoud van jouw functie plaats zal vinden, zal dat altijd in goed onderling overleg en na jouw toestemming gebeuren.”. 3.8. Partijen zijn het erover eens ( [appellant] heeft dat zelf aangevoerd) dat het doel van de beide overeenkomsten (zoals vastgelegd in de brieven van 17 december 2012) was [appellant] voor langere tijd te binden aan C-Content, dus om het voor hem interessant te houden om werkzaam te blijven bij C-Content. De verwachting was dat [appellant] een bijdrage zou kunnen leveren aan de toekomstige waardestijging van C-Content, en SDU (de koper van de aandelen) had deze voorwaarde gesteld aan C-Content. Aan [appellant] is betaling van een deel van de waardestijging toegezegd, waarbij als tegenprestatie werd verlangd dat hij nog in ieder geval voor vier jaar zou blijven. In het kader van het recht op betaling van de waardestijging van de onderneming, dient ook de hiervoor aangehaalde passage te worden gelezen over de functie. Die passage kan in die context niet anders worden verstaan dan dat C-Content zich ertoe verbond om [appellant] ook de feitelijke mogelijkheid te geven om de verwachte waardestijging te realiseren door hem zijn functie te laten behouden gedurende vier jaar. 3.9. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellant] op het moment van totstandkoming van de betreffende overeenkomsten ervan uit mocht gaan dat hij gedurende vier jaar mocht aanblijven om zodoende zijn aandeel in de waardestijging van de onderneming te kunnen realiseren. [appellant] heeft evenwel niet aangevoerd dat hem die kans is ontnomen en / of dat de waardestijging van de onderneming om die reden minder is dan hetgeen hij bij aanblijven tot 1 januari 2017 had kunnen realiseren. Het hof volgt [appellant] dus niet in zijn betoog dat deze afspraken los van de waardestijging van de onderneming betekenis hebben en dat C-Content ook los daarvan kon worden gehouden om hem tot 1 januari 2017 in dienst te houden. Partijen zijn in december 2012 geen nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan waaruit dat zou kunnen blijken. In de brieven van 17 december 2012 wordt daar ook niet naar verwezen en dat is ook niet aangevoerd door partijen. Evenmin valt in te zien op grond van welke verklaringen en / of gedragingen van C-Content [appellant] de verwachting kon hebben dat C-Content onder alle denkbare omstandigheden, waaronder de hier aan de orde zijnde reorganisatie, gehouden zou zijn hem tot 1 januari 2017 in dienst te houden. De betreffende afspraak is zozeer verweven met de afspraak over de certificatentransactie en het beloofde aandeel in de waardestijging van de onderneming, dat daaruit volgt dat het niet nakomen van de termijn van vier jaar door [appellant] enkel tot gevolg zou hebben dat hij dan geen recht meer zou hebben op de waardestijging. Andersom, dient een voortijdig einde van de arbeidsovereenkomst op initiatief van C-Content ertoe te leiden dat C-Content toch de volledige waardestijging dient te betalen die [appellant] had kunnen realiseren wanneer hij was aangebleven tot 1 januari 2017. Het hof is van oordeel dat de betreffende passages in de bedoelde brief geen zelfstandige arbeidsrechtelijke betekenis hebben in die zin dat daarmee is beoogd een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te sluiten en / of een langere opzegtermijn overeen te komen. Niet valt in te zien op grond van welke verklaringen en / of gedragingen van C-Content [appellant] een dergelijke verwachting mocht hebben. 3.10. Op grond van het voorgaande faalt grief 2. De vorderingen ter zake gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding worden afgewezen. billijke vergoeding 3.11. Volgens grief 1 dient aan [appellant] een billijke vergoeding te worden toegekend. Daartoe heeft [appellant] de volgende redenen aangevoerd: 1) er was geen redelijke grond voor ontslag omdat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.