GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.181.475/01 arrest van 13 juni 2017 in de zaak van 1 [appellant 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [appellante 2] ,wonende te [woonplaats] , België, appellanten, hierna: “ [appellanten] ” advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard , tegen Coöperatieve Rabobank U.A. gevestigd te [vestigingsplaats] , rechtsopvolger van Coöperatieve Rabobank Westelijke Mijnstreek UA, geïntimeerde, hierna: “de Rabobank” advocaat: mr. F.J. Laagland te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 16 september 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 8 juli 2015 en 29 juli 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en de Rabobank als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/198515/HA ZA 14-656) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 16 september 2015; het herstelexploot van 18 november 2015; de memorie van grieven van 16 februari 2016 tevens akte wijziging van eis in reconventie met producties; de memorie van antwoord van 29 maart 2016 met producties; het pleidooi, waarbij partij [appellant 1] een pleitnota heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grief van [appellanten] verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. In overweging 2.1. tot en met 2.6. van het vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen als gesteld en onweersproken ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten. 4.1.1. Bij door [appellanten] aanvaard financieringsvoorstel van 27 juni 2002 heeft Rabobank aan [appellanten] , onder hun hoofdelijke aansprakelijkheid, een krediet verstrekt van in totaal € 350.000,-. Dit voorstel vermeldt dat het onlosmakelijk verbonden is met de door Rabobank aan [zoon van appellanten] (de zoon van [appellanten] ) en aan Bakkerij [Bakkerij] B.V. c.s. aangeboden financieringsvoorstellen. Voorts vermeldt het financieringsvoorstel dat als zekerheid een (eerste) hypotheek van € 600.000,- zal worden gevestigd op het pand [pand 1] , [pand 2] en [pand 3] te [vestigingsplaats] (hierna: het winkelpand). Deze hypotheek geldt volgens het voorstel tevens “als zekerheid voor de aan de heer [zoon van appellanten] te verstrekken lening”. De heer [zoon van appellanten] zal hierna worden aangeduid als [zoon van appellanten] . 4.1.2. Eveneens op 27 juni 2002 heeft Rabobank een geldlening van € 250.000,- aan [zoon van appellanten] verstrekt (leningnummer [leningnummer 1] ). 4.1.3. Op 30 juli 2002 is de hypotheek gevestigd op het winkelpand. De hypotheekakte d.d. 30 juli 2002 houdt onder meer het volgende in: (…) Overeenkomst tot het vestigen van hypotheek- en pandrechten De comparanten verklaarden dat de hypotheekgever en de bank zijn overeengekomen dat door de hypotheekgever ten behoeve van de bank het recht van hypotheek en pandrechten worden gevestigd op de in deze akte en na te melden algemene voorwaarden omschreven goederen, tot zekerheid als in deze akte omschreven. Hypotheekverlening De comparanten onder A. ( [appellant 1] , [appellante 2] en [zoon van appellanten] , toev. hof) genoemd verklaarden, ter uitvoering van voormelde overeenkomst, aan de bank hypotheek te verlenen tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van de comparanten onder A genoemd, zowel van hen tezamen als van ieder afzonderlijk voor zover in deze akte niet anders aangeduid, hierna zowel tezamen als ieder van hen afzonderlijk te noemen: debiteur, te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke anderen hoofde ook." (…) Hypotheekbedingen De comparanten verklaarden dat deze hypotheekverlening is geschied onder de volgende bedingen: Volgorde verhaal door banken en verdeling opbrengst (…) De bank bepaalt zowel bij uitwinning als bij vrijgave/verval van de in deze akte en na te melden algemene voorwaarden vermelde zekerheden op welke wijze en aan welke schulden van de debiteur de netto-opbrengst respectievelijk de ontvangen gelden in verband met vrijgave/verval wordt respectievelijk worden toegerekend. (…)" 4.1.4. Bij overeenkomst van 13 juni 2008 heeft Rabobank een tweede geldlening aan [zoon van appellanten] verstrekt, groot € 282.500,- (leningnummer [leningnummer 2] ), ter financiering van een perceel bouwgrond in [plaats] (België). 4.1.5. Nadat Rabobank tot opzegging van de aan [appellant 1] en [zoon van appellanten] verleende kredieten was overgegaan en de uitstaande bedragen had opgeëist, hebben [appellant 1] en [zoon van appellanten] het winkelpand waarop de hypotheek was gevestigd omstreeks 27 mei 2014 in het kader van een executieverkoop onderhands verkocht tegen een koopsom van € 1.225.000,-. Rabobank heeft uit hoofde van haar hypotheekrecht een bedrag van in totaal € 682.427,32 ontvangen (hierna: ‘de verhaalsopbrengst’). 4.1.6. Vervolgens heeft Rabobank [appellanten] tevergeefs aangesproken tot betaling van de volgens haar nog openstaande restantvordering terzake het aan hen verleende krediet, groot € 82.937,06. 4.1.7. Op 2 oktober 2014 heeft Rabobank ter verzekering van verhaal van de restantvordering, na daartoe van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht verkregen verlof, conservatoir beslag gelegd onder en ten laste van [appellanten] op een aantal onroerende zaken, die hen in eigendom toebehoren. 4.2. Bij dagvaarding van 13 oktober 2014 heeft de Rabobank de onderhavige procedure tegen [appellanten] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt de Rabobank, samengevat, dat uit de hypotheekakte blijkt dat het winkelpand, dat aan [appellant 1] en [zoon van appellanten] gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoorde, strekte tot meerdere zekerheid van verhaal van al hetgeen Rabobank te vorderen had of mocht hebben van [appellant 1] , [appellante 2] en [zoon van appellanten] . De Rabobank was gerechtigd de verhaalsopbrengst van het winkelpand, zoals zij ook heeft gedaan, eerst in mindering te brengen op haar vorderingen op [zoon van appellanten] uit hoofde van de aan hem in 2002 en 2008 verleende kredieten. [appellanten] zijn volgens de Rabobank dan ook onverminderd jegens haar gehouden tot betaling van de niet op de verhaalsopbrengst verhaalbare restantvordering van € 82.937,06. Op grond daarvan vordert de Rabobank in conventie, samengevat, de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 82.937,06, vermeerderd met rente en kosten. 4.2.1. [appellanten] hebben in conventie betwist dat de Rabobank een vordering op hen heeft. 4.2.3. In reconventie stellen [appellanten] , samengevat, dat de Rabobank ten onrechte haar vordering op [zoon van appellanten] uit 2008 (ad in totaal € 329.291,82) op de verhaalopbrengst in mindering heeft gebracht. Daardoor is de helft van die vordering, derhalve € 164.645,91, ten onrechte door de Rabobank ten laste van [appellanten] gebracht als ook uit de aan [appellant 1] toekomende gelden voldaan. Op grond daarvan vordert (alleen) [appellant 1] in reconventie van de Rabobank een bedrag van € 164.645,91 ten titel van onverschuldigde betaling. Bij dat bedrag dient te worden opgeteld de helft van de door de Rabobank ten onrechte in rekening gebrachte advocaatkosten, taxatiekosten en veilingkosten. Dit bedrag wordt geschat op € 5.000,-, waardoor de reconventionele vordering van [appellant 1] op de Rabobank uitkomt op een totaalbedrag van € 169.645,91 vermeerderd met rente. Aangezien de Rabobank geen vordering heeft op [appellanten] , vorderen zij in reconventie (samen) de opheffing van de door Rabobank gelegde conservatoire beslagen. 4.2.4. De Rabobank betwist de reconventionele vorderingen. 4.2.5. Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank de vordering in conventie van de Rabobank toegewezen en de vorderingen van [appellanten] in reconventie afgewezen. Bij vonnis van 29 juli 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de Rabobank, dat strekt tot verbetering van vermeld vonnis, afgewezen. 4.3. Van beide vonnissen hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. [appellanten] hebben in hoger beroep één grief aangevoerd tegen het vonnis van 8 juli 2015. Tegen de in het vonnis van 29 juli 2015 is geen grief gericht. [appellanten] zijn dan ook in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 29 juli 2015. Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo heeft ook de Rabobank de omvang van het hoger beroep verstaan - dat [appellanten] de beslissing van 29 juli 2015 (om het vonnis niet te verbeteren) niet bestrijden. De grief komt erop neer dat de rechtbank de vordering van Rabobank ten onrechte heeft toegewezen en de vorderingen van [appellanten] ten onrechte heeft afgewezen. 4.4. Het hof zal eerst de vordering van de Rabobank, die strekt tot de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 82.937,06, beoordelen. 4.5. Partijen gaan ervan uit dat het hof bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep. Rabobank stelt onweersproken dat [appellanten] volgens de toepasselijke algemene voorwaarden worden geacht woonplaats te hebben gekozen ten kantore van de bank (destijds: [kantoorplaats] ) (algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobank-organisatie, 2001). Het hof is dan ook bevoegd. In de op de overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Bankvoorwaarden, zo stelt Rabobank eveneens onweersproken, is een rechtskeuze gedaan voor Nederlands recht. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vordering. Partijen zijn hier ook vanuit gegaan. 4.6. Primair voeren [appellanten] tegen de vordering aan dat zij nimmer met de Rabobank zijn overeengekomen dat de toekomstige lening van [zoon van appellanten] uit 2008 valt onder de reikwijdte van de door [appellant 1] in 2002 verstrekte hypotheek, zodat deze schuld ten onrechte is afgeboekt op de gehele opbrengst van de hypotheek. In dat kader spitst het geschil zich eerst toe op de beantwoording van de vraag of de toekomstige schuld van [zoon van appellanten] uit 2008 valt onder de reikwijdte van de in 2002 verstrekte hypotheek, zoals de Rabobank stelt en [appellanten] betwisten. In dat verband dient te worden bezien wat partijen in 2002 zijn overeengekomen. De leningen uit 2002 4.6.1. [appellanten] erkennen dat zij met de Rabobank zijn overeengekomen dat de hypotheek strekt tot zekerheid van betaling voor de op 27 juni 2002 aan hen verstrekte twee geldleningen tot een totaalbedrag van € 350.000,- en de door de Rabobank aan [zoon van appellanten] op 27 juni 2002 verstrekte geldlening ten bedrage van € 250.000,-. Het hof neemt dit dan ook als vaststaand aan en constateert dat dit in overeenstemming is met de hypotheekakte (4.1.3 hiervoor). Hierin ligt besloten dat [appellanten] erkennen dat de hypotheek tevens geldt tot zekerheid voor de door Rabobank aan [zoon van appellanten] verstrekte lening d.d. 27 juni 2002 ondanks het feit dat [appellant 1] geen schuldenaar is van deze aan [zoon van appellanten] verstrekte lening. Deze hypotheekverstrekking door [appellant 1] voor hetgeen de Rabobank van [zoon van appellanten] te vorderen heeft, kan worden gekwalificeerd als een derdenhypotheek. 4.6.2. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de voor de vestiging van de derden- hypotheek vereiste titel ontbreekt, gaan zij er ten onrechte aan voorbij dat de titel door "de overeenkomst tot het vestigen van hypotheek- en pandrechten" als vervat in de hypotheekakte wordt gevormd en dat daarin ook de vestiging van de derdenhypotheek als bankhypotheek wordt geregeld. Dit verweer treft dus geen doel. Het verweer van [appellanten] dat er geen derdenhypotheek zou zijn gevestigd omdat in de hypotheekakte niet expliciet en dus met die bewoordingen zou zijn vermeld dat de gevestigde hypotheek (ook) een derdenhypotheek is, gaat niet op. Immers, het bezigen van de bewoordingen "derdenhypotheek" in de hypotheekakte is geen constitutief vereiste om een hypotheek, die kan worden gekwalificeerd als een derdenhypotheek, rechtsgeldig tot stand te brengen (art. 3:260 BW). De (toekomstige) lening van [zoon van appellanten] uit 2008 4.6.3. [appellanten] betogen dat uit de hypotheekakte niet duidelijk blijkt, laat staan expliciet, dat door [appellant 1] een derdenhypotheek werd verstrekt voor toekomstige leningen van [zoon van appellanten] aan de Rabobank. In ieder geval was bij het vestigen van de hypotheek noch [appellant 1] , noch [appellante 2] noch [zoon van appellanten] duidelijk dat die bepaling inhield dat een derden- hypotheek werd verstrekt voor andere (toekomstige) schulden dan in de financierings-overeenkomsten d.d. 27 juni 2002 genoemde geldleningen. In dit kader is de Haviltex-maatstaf, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in 4.3. van het vonnis overweegt, wel degelijk van belang volgens [appellanten] . Ten onrechte heeft de rechtbank bij de uitleg van de betreffende standaardbepaling in de hypotheekakte. dit niet tot uitgangspunt genomen. Bij de uitleg van een dergelijk beding komt het dus niet alleen aan op de zuiver taalkundige uitleg van dat beding, maar op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht (Haviltex-arrest 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Volgens [appellanten] dient voormelde bepaling in de hypotheekakte conform de Haviltax-maatstaf te worden uitgelegd en leidt dit tot de gevolgtrekking dat zij nimmer met de Rabobank zijn overeengekomen dat de (toekomstige) lening van [zoon van appellanten] uit 2008 onder de reikwijdte van de verstrekte hypotheek valt. 4.6.4. Het hof deelt dat betoog niet. Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de onderhandse overeenkomst van 27 juni 2002 (conclusie van antwoord, 33; productie 1 bij inleidende dagvaarding) geen toereikende titel oplevert voor een verlening van hypotheek voor toekomstige vorderingen op [zoon van appellanten] . In deze overeenkomst staat immers niets meer dan dat de te verstrekken hypotheek tevens als zekerheid geldt voor de aan [zoon van appellanten] te verstrekken lening (bladzijde 7). In de hypotheekakte (zie 4.1.3 hiervoor) is echter een nadere overeenkomst aangegaan die wel een toereikende titel oplevert. Het hof is van oordeel dat de hiervoor onder 4.1.3. vermelde bepaling uit de hypotheekakte niet conform de Haviltex maatstaf moet worden uitgelegd, maar aan de hand van de objectieve maatstaf. Deze maatstaf geldt volgens vaste rechtspraak voor uitleg van notariële akten tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop, zoals in dit geval de vestiging van het hypotheekrecht. De ratio daarvan is dat derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een dergelijke akte is vermeld (vergl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511). Bij de uitleg van een notariële akte tot vestiging van een hypotheekrecht op een registergoed komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht, en moet deze bedoeling worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van deze akte. Deze maatstaf moet naar het oordeel van het hof worden gehanteerd voor de beantwoording van de vraag voor welke vorderingen een hypotheek tot zekerheid strekt. Derden hebben immers veelal en ook hier belang bij de beantwoording van deze vraag. 4.6.5. Het hof is met de Rabobank van oordeel dat uit de uitleg van voormelde bepaling aan de hand van de objectieve maatstaf volgt dat de toekomstige lening van [zoon van appellanten] uit 2008 valt onder de reikwijdte van de door [appellant 1] verstrekte hypotheek. Uit de bepaling blijkt onmiskenbaar dat [appellant 1] ook hypotheek verstrekt voor hetgeen de Rabobank in de toekomst uit hoofde van alsnog te verstrekken geldleningen van [zoon van appellanten] te vorderen zal krijgen. Het gaat er niet om of [appellant 1] heeft begrepen dat de hypotheekverstrekking voor hetgeen Rabobank (in de toekomst) van zijn zoon te vorderen heeft, de juridische kwalificatie van derdenhypotheek draagt. Het gaat erom dat [appellant 1] heeft moeten begrijpen dat hij hypotheek verstrekte voor de (toekomstige) schulden van zijn zoon [zoon van appellanten] aan de Rabobank en dat is onmiskenbaar het geval bij lezing van de betreffende bepaling in de notariële akte. Indien de Haviltex-maatstaf zou worden gehanteerd voor de beantwoording van de vraag voor welke vorderingen die hypotheek tot zekerheid strekt, zou de uitkomst in dit geval overigens niet anders zijn. [appellanten] hebben geen omstandigheden naar voren gebracht die niet bij de uitleg naar objectieve maatstaven maar wel bij de uitleg naar de Haviltex-maatstaf in aanmerking zouden moeten worden genomen. Het hof legt voormelde bepaling in de hypotheekakte dus, met de Rabobank, op dezelfde wijze uit als de rechtbank. De grief faalt dus op dit punt. 4.6.6. Vervolgens voeren [appellanten] aan dat het derdenhypotheekbeding niet duidelijk en onbegrijpelijk is opgesteld, zodat er twijfel is over de betekenis van dat beding. Bij twijfel over de betekenis van het beding prevaleert op grond van art. 6:238 lid 2 BW, althans op grond van art. 5 van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (EG-richtlijn 93/13 van 5 april 1993, PbEG L95/29) de voor de wederpartij meest gunstige uitleg. Het beding dient volgens [appellanten] dan ook op de voor hen meest gunstige wijze te worden uitgelegd. Die uitleg is dat er geen derdenhypotheek is gevestigd voor toekomstige schulden van [zoon van appellanten] , aldus [appellanten] . 4.6.7. Uit hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6.4. en 4.6.5. is overwogen, vloeit voort dat ook dit onderdeel van de grief faalt. Nu het hof heeft geoordeeld dat voormelde bepaling in de hypotheekakte niet als onduidelijk of onbegrijpelijk is aan te merken, is toepassing van art. 6:238 lid 2 BW respectievelijk art. 5 van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (EG-richtlijn 93/13 van 5 april 1993, PbEG L95/29) reeds daarom niet aan de orde. 4.6.8. Het hof komt op grond van het voorgaande tot hetzelfde oordeel als de rechtbank namelijk dat de Rabobank op grond van de overeenkomst, en meer in het bijzonder het in de hypotheekakte opgenomen toerekeningsbeding, zoals hiervoor onder 4.1.3. opgenomen, vrij stond om de verhaalsopbrengst toe te rekenen op de wijze en in de volgorde waarin zij dat heeft gedaan. 4.6.9. Deze wijze van toerekening van de verhaalsopbrengst heeft volgens de door [appellanten] niet bestreden berekening van de Rabobank geresulteerd in een restantschuld van [appellanten] van € 82.937,06. Schending zorgplicht 2002 ? 4.7. Subsidiair verwijten [appellanten] de Rabobank dat zij bij de vestiging van de derdenhypotheek in 2002 de op haar rustende zorgplicht en meer in het bijzonder haar waarschuwingsplicht jegens [appellanten] heeft geschonden. 4.7.1. [appellanten] betogen in dit verband dat zij allebei particulier cliënt bij de Rabobank waren, zodat de zorgplicht van de Rabobank (tevens) voortvloeide uit art. 2 van de algemene bankvoorwaarden (hierna: AB). Dit artikel bepaalt dat de Rabobank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en dat zij daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden. Uit hoofde van die zorgvuldigheid had de Rabobank [appellanten] vooraf uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.