GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.215.328/01 arrest van 13 juni 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te 's-Heer Arendskerke, tegen 1Hoefsmederij en Paardenfokkerij [Hoefsmederij en Paardenfokkerij] v.o.f.,gevestigd te [vestigingsplaats] geïntimeerde 1, hierna aan te duiden als [Hoefsmederij en Paardenfokkerij] vof, niet verschenen, 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] 3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] , 4. [geïntimeerde 4] , wonende te [woonplaats] , 5. [geïntimeerde 5] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden 2 tot en met 5, hierna aan te duiden als de bewaarders, niet verschenen, 6. mr. C.G.H. Hofland, in zijn hoedanigheid van curator van [gefailleerde] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] , geïntimeerde 6, hierna aan te duiden als de curator, niet verschenen, op het bij exploot van dagvaarding van 1 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 april 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en de bewaarders en de toen nog niet in staat van faillissement verklaarde [gefailleerde] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/324903 KG/ZA 16-849) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven; het tegen de bewaarders verleende verstek; het tegen de curator verleende verstek. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Zeer kort samengevat gaat het in dit hoger beroep om het volgende. a. [appellante] en [gefailleerde] zijn ex-echtgenoten. Zij waren mede-vennoten van de vof Stoeterij [de vof] (hierna: de vof). Zij hadden geen vennootschapsvoorwaarden opgesteld en zij waren gelijkwaardig vennoot in de vof. Het vermogen van de vof is tot op heden nog niet verdeeld. De vof is gevestigd op het huidige woonadres van [appellante] . b. Op 20 juni 2014 heeft [gefailleerde] verlof gekregen tot het leggen van conservatoir deelgenotenbeslag op diverse activa van de vof. Dit beslag is vervolgens gelegd op onder meer de volgende, zich onder [appellante] bevindende, paarden: - [paard 1] (hierna: [paard 1] ) - [paard 2] (hierna: [paard 2] ) - [paard 3] (hierna: [paard 3] ) - [paard 4] (hierna: [paard 4] ), Samen aangeduid als : de vier paarden. c. Vervolgens is – op verzoek van [gefailleerde] – de gerechtelijke bewaring bevolen van de vier paarden. Conform het voorstel in het verzoekschrift tot inbewaringgeving is [geïntimeerde 2] (thans geïntimeerde sub 2) van Stal [Stal] in [vestigingsplaats] aangesteld als bewaarder voor [paard 1] , [paard 2] en [paard 4] , en zijn de heer en mevrouw [geintimeerde 4 en 5] (thans geïntimeerden sub 4 en 5) aangesteld als bewaarders voor [paard 3] . d. De vier paarden bevinden zich sinds in ieder geval juni 2015 niet meer bij de respectieve bewaarders. [gefailleerde] is op 4 juni 2015 (bekrachtigd door het hof op 24 november 2015) in kort geding veroordeeld om de vier paarden naar hun respectieve bewaarders terug te brengen, en op 21 juli 2015 is hij in kort geding veroordeeld om de n.a.w. gegevens van de gestelde kopers – aan wie [gefailleerde] de vier paarden verkocht zou hebben - van de vier paarden bekend te maken, alles op straffe van dwangsommen. e. Uit enkele van de paarden zijn inmiddels veulens geboren f. [gefailleerde] weet waar [paard 2] , [paard 3] en [paard 1] zich bevinden (rov 3.4 bestreden vonnis), maar niet waar [paard 4] en de veulens zich bevinden. [appellante] weet waar de veulens zich bevinden, maar heeft geen wetenschap van de verblijfplaats van de vier paarden. g. De, zo door [appellante] genoemde, eigendomsbewijzen van de paarden bevinden zich bij [appellante] . h. [gefailleerde] is op 4 april 2017 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid. 3.2.1. [appellante] heeft [gefailleerde] en geïntimeerden 1 tot en met 5 in kort geding gedagvaard en kort samengevat gevorderd: Primair: I. opheffing van het beslag op de vier paarden; II. veroordeling van [gefailleerde] tot het terugbrengen van de paarden en hun veulens naar de bewaarders; III. veroordeling van de bewaarders tot het onder zich nemen van de vier paarden en hun veulens en tot het vervolgens afgeven daarvan aan het vestigingsadres van de vof; Subsidiair: IV. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000,00. 3.2.2. Thans geïntimeerden 1 tot en met 5 hebben in eerste aanleg verstek laten gaan; [gefailleerde] heeft verweer gevoerd. 3.2.3. Ten aanzien van geïntimeerde sub 1, Hoefsmederij en Paardenfokkerij [Hoefsmederij en Paardenfokkerij] v.o.f., heeft te gelden dat de voorzieningenrechter deze vof tezamen met thans geïntimeerden 2 tot en met 5 (de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] en de heer en mevrouw [geintimeerde 4 en 5] ) heeft aangeduid als “de bewaarders”. Tegen deze aanduiding is in hoger beroep geen grief gericht. Het hof gebruikt dezelfde aanduiding, nu voorshands ook aannemelijk is dat Hoefsmederij en Paardenfokkerij [Hoefsmederij en Paardenfokkerij] v.o.f. dezelfde is als de genoemde “Stal [Stal] ”. 3.2.4. Bij het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter, onder toepassing van artikel 30 lid 1 Fw, geoordeeld: Ad I: Het beslag wordt niet opgeheven. Het beslag kan niet als “onnodig” worden aangemerkt, omdat de handelwijze van [appellante] in het verleden maakt dat nog steeds gegronde vrees voor verduistering bestaat. Er is verder onvoldoende zekerheid aangeboden door [appellante] . Een afweging van de wederzijdse belangen leidt evenmin tot opheffing van het beslag. Ad II en III: De gerechtelijke bewaring van de vier paarden en hun veulens wordt wel opgeheven. De vordering tot afgifte van de paarden en hun veulens aan de bewaarders wordt afgewezen, evenals de vordering dat deze bewaarders de paarden en hun veulens aan het adres van de vof afgeven. Onder meer gelet erop dat [gefailleerde] de feitelijke beschikkingsmacht heeft over [paard 3] en [paard 2] en het belang van beide partijen bij het behouden van de waarde van de vof, wordt [gefailleerde] veroordeeld deze paarden binnen 3 dagen na betekening van het vonnis terug te brengen naar het adres van de vof. Ten aanzien van de overige paarden en de veulens staat onvoldoende vast dat [gefailleerde] in staat is deze af te geven en wordt de vordering afgewezen. Ad IV: De vordering tot betaling van een voorschot op de gestelde schadevergoeding wordt afgewezen. 3.3.1. In dit hoger beroep heeft [appellante] de curator (in het inmiddels uitgesproken faillissement van [gefailleerde] ), de vof [Hoefsmederij en Paardenfokkerij] en de bewaarders gedagvaard. [gefailleerde] zelf is geen partij in dit hoger beroep. [appellante] vordert in hoger beroep alsnog integrale toewijzing van haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen. 3.3.2. In verband met het faillissement van [gefailleerde] is het volgende van belang. I: vordering I (opheffing beslag): het faillissement van [gefailleerde] brengt niet mee dat de vof eveneens failliet is. De vof heeft een afgescheiden vermogen. De vier paarden (en hun eventuele veulens) behoren tot het vermogen van de vof. De vordering tot opheffing van het daarop rustende beslag (destijds gelegd op verzoek van [gefailleerde] ) is een niet- verifieerbare vordering als bedoeld in artikel 25 Fw; II: hetzelfde geldt m.m. voor vordering II, de veroordeling van [gefailleerde] tot het terugbrengen van de paarden (en hun veulens) naar de bewaarders; IV: de subsidiaire vordering tot veroordeling van (onder meer) [gefailleerde] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding, is een vordering als bedoeld in artikel 26 Fw. 3.3.3. Voor zover het hoger beroep is ingesteld tegen de curator (en niet tegen [gefailleerde] ) geldt het volgende. In deze zaak was vonnis gevraagd op 30 maart 2017. Op 4 april 2017 is [gefailleerde] failliet verklaard. Het vonnis is gewezen op 11 april 2017. De appeldagvaarding tevens houdende memorie van grieven is van 1 mei 2017 en op deze datum in gesloten envelop bij de curator achtergelaten. De curator heeft vervolgens verstek laten gaan. 3.3.4. Artikel 26 Fw bepaalt dat de aldaar genoemde vorderingen op geen andere wijze kunnen worden ingesteld dan door indiening ter verificatie. Bij lopende procedures met betrekking tot deze verifieerbare vorderingen geldt het bepaalde in artikel 29 Fw: het geding wordt van rechtswege geschorst. Uit HR 16 januari 2009, NJ 2009, 55 vloeit echter voort dat wanneer op datum faillissement reeds vonnis is gevraagd (de situatie van artikel 30 lid 1 Fw) het instellen van een rechtsmiddel tegen de beslissing over een verifieerbare vordering uitsluitend (door
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.