GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 15 juni 2017 Zaaknummer: 200.172.505/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/276836 / FA RK 14-1720_3 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. F.A. van den Heuvel, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.L.P. Heuts. Als belanghebbende wordt aangemerkt: - Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie [locatie] , hierna: de GI. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, vestiging [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad. 5De tussenbeschikking van 26 november 2015 Bij die beschikking heeft het hof partijen verwezen naar Combinatie Jeugdzorg [vestigingsnaam] (hierna: De Combinatie) voor ouderschapsreorganisatie met het verzoek aan De Combinatie om aan het hof verslag uit te brengen onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden. 6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.1. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van: het faxbericht met bijlagen van De Combinatie van 4 mei 2016; de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 3 november 2015, 27 november 2015, 13 juni 2016 en 23 februari 2017; de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de vader van 26 januari 2016, 14 juni 2016, 27 februari 2017 en 8 mei 2017. 6.2. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - partijen, bijgestaan door hun advocaten; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] . 7De verdere beoordeling 7.1. Bij beschikking van 9 februari 2017 zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar onder toezicht zijn gesteld van de GI. 7.2. In hoger beroep ligt alleen de kwestie van het ouderlijk gezag ter beoordeling voor. De moeder wenst de ‘oude’ situatie te handhaven waarin zij de enige gezagsdrager van de kinderen was en de vader wenst, conform de door de moeder bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2015, met de moeder gezamenlijk te zijn belast met het gezag over de kinderen. 7.3. In hoger beroep voert de moeder – kort samengevat – het volgende aan. De kinderen dreigen klem of verloren te raken tussen de ouders vanwege de aanwezige kind eigen problematiek en het ontbreken van communicatie tussen de ouders; de ouders zijn niet in staat om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Evenmin kan worden verwacht dat hierin binnen afzienbare termijn verandering zal komen nu reeds langere tijd is verstreken waarin zonder resultaat hulpverlening is ingezet. De vader heeft geweigerd zijn toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een legitimatiebewijs voor [minderjarige 2] . De ouders dienen eerst te werken aan hun communicatie en een constructief overleg alvorens zij kunnen worden belast met het gezamenlijk gezag. Daarbij is de vader niet op de hoogte van de complexe kind eigen problematiek en de specifieke medische zorg die de kinderen nodig hebben. Dit vergt voortdurende aanpassing en aandacht. Nu er haast geboden kan zijn bij medische beslissingen, verzoekt de moeder subsidiair de vader te belasten met het zogenaamd ‘uitgekleed gezag’ waarbij de beslissingsbevoegdheid bij de moeder blijft liggen. 7.4. De vader voert in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aan. De ouders hebben regelmatig contact over de kinderen, zowel per mail als per telefoon. De ouders zijn in staat te overleggen over zaken waarin beslissingen moeten worden genomen. Communicatie is in het belang van de kinderen en de vader wenst die voort te zetten. Hij is bereid hierin te investeren. De vader ziet niet in dat de kinderen klem of verloren zouden dreigen te raken. De vader wenst tezamen met de moeder een volwaardig ouderschap uit te oefenen over de kinderen; de vader vertrouwt de moeder volledig, maar zou graag meer betrokken willen worden in de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen. De vader acht dit in het belang van de kinderen. Tot op heden was de vader vrijwel volledig afhankelijk van de moeder voor het verkrijgen van informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Wat betreft de toestemming voor een legitimatiebewijs voor [minderjarige 2] , had de vader aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben, maar de moeder heeft hem het betreffende formulier niet doen toekomen. Uitgekleed gezag is niet nodig. 7.5. De raad heeft bij de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep gepersisteerd bij het eerder uitgebrachte advies dat het inleidende verzoek van de vader om met de moeder belast te worden met het gezamenlijk gezag over de kinderen, dient te worden toegewezen. De raad acht gezamenlijk gezag ook aangewezen in het kader van de lopende ondertoezichtstelling, nu dat de gezinsvoogd de mogelijkheid geeft aan beide ouders aanwijzingen te geven. 7.6. De GI heeft ter zitting van 9 mei 2017 verklaard dat er geen contra-indicaties zijn voor gezamenlijk gezag. De beoordeling: 7.7.1. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.