GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH afdeling civiel recht zaaknummer 200.204.827/01 arrest van 11 juli 2017 in de zaak van [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, advocaat: mr. V.V.A. Lipman te Nijmegen, tegen 1 [Beheer] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [Registergoederen 1] Registergoederen B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [Registergoederen 2] Registergoederen B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 4. Bakkerij [Bakkerij] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert, op het bij exploot van dagvaarding van 18 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, Burgerlijk recht, zittingsplaats Roermond, van 21 juli 2016, gewezen tussen appellante - [de vennootschap] - als gedaagde en geïntimeerden -respectievelijk Beheer, [Registergoederen 1] , [Registergoederen 2] en de Bakkerij, tezamen [geintimeerden c.s.] - als eiseressen. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/222964 / KG ZA 16-329) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd; - de memorie van antwoord, waarbij producties zijn overgelegd; - de akte na memorie van antwoord; - de antwoordakte. Partijen hebben gefourneerd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis onder “2. de feiten” vermeld waarvan in dit kort geding in eerste aanleg is uitgegaan. Daartegen zijn geen bezwaren gemaakt, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Hierna volgt een opsomming van datgene waar het hof van zal uitgaan. a. [geintimeerden c.s.] behoren tot een groep vennootschappen, waarin Beheer onder meer enig aandeelhouder en bestuurder is van [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] . b. Op 16 juli 1987 heeft [de vennootschap] als huurder met Vastgoed [Vastgoed] B.V. en/of Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V. (hierna [Aannemersbedrijf] ) als verhuurder een huurovereenkomst gesloten (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) met betrekking tot de (ver)huur van de bedrijfsruimte staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] (hierna het bedrijfspand). [Aannemersbedrijf] heeft de eigendom van het bedrijfspand eind januari 1988/begin februari 1988 overgedragen aan Beheer. c. Bij akte van 31 december 1996 is het bedrijfspand ingebracht in [Registergoederen 1] . d. Op 25 juni 2013 heeft een splitsing plaatsgevonden als gevolg waarvan het bedrijfspand in eigendom is overgegaan op [Registergoederen 2] . e. Een deel van het bedrijfspand (ongeveer 100 van de 700 m2) wordt verhuurd aan de Bakkerij. De Bakkerij exploiteert sinds 1987 in het bedrijfspand een broodboetiek. Tot 28 oktober 1991 voerde de Bakkerij de naam Supermarkten [Supermarkten] B.V. f. Op 4 november 1987 heeft [Aannemersbedrijf] met [de vennootschap] een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot (kort samengevat) de verkoop van brood- en banketproducten (hierna de brood- en banketovereenkomst, productie 5 dagvaarding in eerste aanleg). De afspraken zijn neergelegd in een door [Aannemersbedrijf] en [de vennootschap] ondertekende brief, waarin [Aannemersbedrijf] aan [de vennootschap] onder meer het volgende vermeldt: “Hierbij bevestigen wij gaarne de met U voorwaardelijk gemaakte afspraken (...). Die afspraken zijn voorwaardelijk namelijk onder de voorwaarde dat wij daarover ook volledige overeenstemming met [Bakkerij] (noot hof: de Bakkerij) bereiken. De afspraken laten zich als volgt samenvatten: - (...) - In de betreffende broodboetiek van [Bakkerij] zal een compleet assortiment brood en gebak inclusief nat gebak en Limburgse vlaaien worden gevoerd, waarbij het aan [Bakkerij] tevens is toegestaan producten al dan niet diepgevroren in de boetiek af te bakken; - U verplicht zich in de aan U verhuurde ruimte geen brood, gebak en nat gebak dan wel Limburgse vlaaien te verkopen dan wel in voorraad te hebben;” als inlas is hier vervolgens met de hand bij geschreven: “ter verduidelijking wordt hierbij vermeld dat deze verplichting geen betrekking heeft op diepgevroren gebak en “Kempenaar” half afgebakken klein brood.” “- (...) - [Bakkerij] verplicht zich de navolgende broodprodukten te voeren en aan te bieden tegen de door U in Limburg gehanteerde prijzen inclusief de voor die specifieke produkten gevoerde stuntprijzen. Het betreft hier veredeld witboord, tarwebrood en veredelde witte puntjes en kadetjes. Voor het overige is [Bakkerij] volledig vrij voor wat betreft het voeren van bakkerijprodukten als ten aanzien van de daarvoor te bedingen prijzen; - (...) - Ten aanzien van die hiervoren genoemde produkten waarbij [Bakkerij] Uw prijsniveau zal hanteren, garandeert [Bakkerij] minimaal dezelfde kwaliteit als door U in Uw overige Limburgse winkels wordt geboden; - De tussen U en ons overeengekomen huurovereenkomst blijft, met inachtneming van hetgeen hier is afgesproken, ongewijzigd van kracht, echter met dien verstande dat wij ons jegens U verplichten bij oplevering van de winkel een som ineens te betalen, groot f. 100.000, = =, zulks ter compensatie van de door U gedane toegeving betreffende het niet meer kunnen voeren van een brood-, gebak en nat gebak assortiment als voormeld; - [Bakkerij] verplicht zich haar broodboetiek op dezelfde tijden geopend en gesloten te hebben als U Uw supermarkt open heeft dan wel gesloten houdt; - (...) - Indien de broodboetiek hoe dan ook van eigenaar zal wisselen, dan zullen betrokken partijen de voormelde afspraken wederom bespreken. Dat geldt uitdrukkelijk ook wanneer een andere natuurlijke of rechtspersoon een meerderheid in [Beheer] zal krijgen; (...)“. g. Bij brief van 26 november 1987 (productie 6 dagvaarding in eerste aanleg) heeft [Aannemersbedrijf] aan [de vennootschap] meegedeeld dat inmiddels ook overeenstemming met [Bakkerij] is bereikt, “zodat de tussen ons in genoemde kwaliteit gemaakte afspraken thans onvoorwaardelijk gelden.” h. Nadat [Aannemersbedrijf] de eigendom van het bedrijfspand begin 1988 had overgedragen aan Beheer heeft [de vennootschap] bij brief van 5 februari 1988 (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg) bij [Aannemersbedrijf] geïnformeerd of de afspraken neergelegd in de brief van 4 november 1987 ook ter kennis waren gebracht aan Beheer. Daarop heeft [Aannemersbedrijf] per brief van 11 februari 1988 (productie 9 dagvaarding in eerste aanleg) als volgt gereageerd: “(…) In antwoord op Uw brief van 5 februari j.l. delen wij U mede dat wij de door U genoemde brief d.d. 4 november 1987 (…) aan [Beheer] hebben doen toekomen, sterker; dat wij met [Beheer] zijn overeengekomen dat zij Uw rechten en plichten uit die brief zal aanvaarden en de uit die brief voor ons voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening zal nemen. Die brief geldt dus nu tussen U en [Beheer] (noot hof: Beheer) (…)”. i. Tussen partijen is medio 1988 een geschil ontstaan, als gevolg waarvan Beheer [de vennootschap] in kort geding heeft gedagvaard. De president heeft op 23 juni 1988 uitspraak in kort geding gedaan (productie 13 bij dagvaarding in eerste aanleg) en in conventie [de vennootschap] veroordeeld om in het door haar gehuurde bedrijfspand geen brood, gebak, nat gebak dan wel Limburgse vlaaien te verkopen dan wel in voorraad te hebben. In reconventie werd Beheer veroordeeld om veredeld witbrood, tarwebrood, veredelde witte puntjes en kadetjes te koop aan te bieden tegen de door [de vennootschap] in Limburg gehanteerde prijzen tegen dezelfde kwaliteit als de producten van [de vennootschap] dienen te zijn. j. In 1999 hebben Beheer en [de vennootschap] afspraken gemaakt over de uitbreiding van het gehuurde. In dat kader werd tevens de volgende afspraak gemaakt, welke door [de vennootschap] per brief van 7 april 1999 aan Beheer (productie 14 dagvaarding in eerste aanleg) werd bevestigd: “Verder spraken wij af dat de status quo met betrekking tot de broodverkoop gecontinueerd zal worden. [de vennootschap] voert in dit pand uitsluitend houdbaar brood zoals roggebrood en enkele met name te noemen broodvarianten (“reclamebrood”).” k. In 2002 hebben Beheer en [de vennootschap] onder meer opnieuw afspraken over uitbreiding van het gehuurde gemaakt, hetgeen werd neergelegd in een aanvullende huurovereenkomst van 23 september 2002. In die aanvullende huurovereenkomst (productie 15 dagvaarding in eerste aanleg) was tevens opgenomen: “(…) 3. Het aanhangsel d.d. 07-04-1999 maakt deel uit van deze overeenkomst. (...)“ l. In 2014 zijn Beheer en [de vennootschap] opnieuw in overleg getreden over uitbreiding van het gehuurde in combinatie met een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. In dat kader hebben partijen ook gesproken over de brood- en banketovereenkomst en dat [de vennootschap] deze ter discussie wenst te stellen. Beheer heeft uiteindelijk een concept intentieovereenkomst opgesteld. In die overeenkomst is opgenomen dat in de nadien te sluiten nieuwe huurovereenkomst ook een afspraak zou worden opgenomen omtrent de brood- en banketverkoop door [de vennootschap] . m. Bij e-mail van 14 september 2015 gericht aan [verhuurder] (als productie 5 in eerste aanleg overgelegd door [de vennootschap] ), heeft [de vennootschap] , in de persoon van vastgoedmanager [vastgoedmanager] (hierna [vastgoedmanager] ) bericht, dat de afspraak over verkoop van brood waarop de verhuurder zich baseert dateert van eind jaren “80 en dat zij van mening is dat die afspraken niet meer van deze tijd zijn en dat [de vennootschap] er vrij zeker van is dat zij op basis van het mededingingsrecht ook in de bestaande situatie tot verkoop van brood over zouden kunnen gaan. n. Bij e-mail van 4 november 2015 (productie 18 dagvaarding in eerste aanleg), gericht aan [verhuurder] , heeft [de vennootschap] , in de persoon van [vastgoedmanager] , aangegeven dat een beperking van het assortiment niet bespreekbaar was voor [de vennootschap] en een breekpunt was in de verdere onderhandelingen. Daarbij werd tevens aangegeven dat de beperking van het assortiment, meer specifiek de brood- en banketafspraak, volgens [de vennootschap] juridisch ook niet houdbaar zou zijn. Het bericht bevat geen onderbouwing van de betwisting door [de vennootschap] van de stelling van [geintimeerden c.s.] dat de assortimentsbeperking juridisch niet houdbaar zou zijn. o. Bij e-mail van 30 maart 2016 (productie 19 dagvaarding in eerste aanleg) heeft [vastgoedmanager] aan [verhuurder] medegedeeld dat verhuurder en [de vennootschap] niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de huuruitgangspunten en dat [de vennootschap] op basis daarvan stopt met de verdere planontwikkeling. p. Bij brief van 3 juni 2016 (productie 20 dagvaarding in eerste aanleg) heeft [de vennootschap] aan [Registergoederen 2] meegedeeld dat zij op korte termijn een aantal formule-aanpassingen in haar supermarkt in [vestigingsplaats] gaat doen. q. [Registergoederen 2] en de Bakkerij hebben bij brief van 13 juni 2016 (productie 21 dagvaarding in eerste aanleg) aan [de vennootschap] gevraagd om meer duidelijkheid te geven over de formuleaanpassingen, in die zin dat zij willen weten wat er precies gaat veranderen. Daarbij hebben [Registergoederen 2] en de Bakkerij op de afspraak gewezen dat de verkoop van brood en gebak niet is toegestaan en ook niet zal worden getolereerd. r. Aangezien daarop zijdens [de vennootschap] niet werd gereageerd heeft de advocaat van [geintimeerden c.s.] [de vennootschap] bij brief van 24 juni 2016 (productie 22 dagvaarding in eerste aanleg) nogmaals gewezen op de brood- en banketovereenkomst en verzocht te bevestigen dat [de vennootschap] deze overeenkomst correct en volledig zal nakomen. Daarbij werd medegedeeld dat [de vennootschap] aansprakelijk zou worden gehouden als zij in strijd met de genoemde afspraken zou handelen. Verder werd gevraagd om een (juridische) onderbouwing van de betwisting door [vastgoedmanager] in de e-mail van 4 november 2015 van de stelling van [geintimeerden c.s.] dat de brood- en banketovereenkomst houdbaar zijn. s. Vanaf 29 juni 2016 biedt [de vennootschap] een volledig brood en gebak assortiment aan. Hiertegen hebben [geintimeerden c.s.] bezwaar gemaakt en ondanks sommatie blijft [de vennootschap] voortgaan met deze verkoop. 4.2.1 [geintimeerden c.s.] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel als wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [de vennootschap] : 1. veroordeelt om binnen 24 uur na dagtekening, althans betekening van het te wijzen vonnis, de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien en het op voorraad hebben daarvan in het gehuurde te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, alsmede op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend, dat de overtreding voortduurt; 2. verbiedt om binnen 24 uur na dagtekening, althans betekening van het te wijzen vonnis, reclame te maken voor en/of het plaatsen van advertenties (waaronder begrepen internet en sociale media zoals Facebook, LinkedIn, Instagram en Whatsapp) betreffende de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien en het op voorraad hebben daarvan in het gehuurde, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, alsmede op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend, dat de overtreding voortduurt; 3. veroordeelt in de kosten van de procedure in kort geding met bepaling dat indien [de vennootschap] het bedrag aan proceskosten niet heeft voldaan binnen 14 dagen na dagtekening, althans betekening van het te wijzen vonnis, [de vennootschap] vanaf de 15e dag over het bedrag aan proceskosten de wettelijke rente is verschuldigd zulks tot aan de dag der algehele voldoening. 4.2.2 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat Beheer nog steeds contractspartij is voor wat betreft de brood- en banketafspraken. De gemaakte afspraken zijn volgens de voorzieningenrechter niet in strijd met het mededingingsrecht en [de vennootschap] heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging op de desbetreffende markt. Er zijn verder, aldus de voorzieningenrechter, geen onvoorziene omstandigheden van dien aard aanwezig dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid brengen volgens de voorzieningenrechter evenmin mee dat de gemaakte afspraken moeten worden aangetast. Voor een onderzoek naar de vraag of sprake is van een noodzakelijk non-concurrentiebeding is in kort geding geen plaats. De belangen van [Registergoederen 2] en [Registergoederen 1] zijn zo ver verwijderd van een behoorlijke uitvoering van de gemaakte afspraken omtrent de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien, dat de vorderingen van die twee vennootschappen moeten worden afgewezen (rov. 4.21). De Bakkerij heeft volgens de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat [de vennootschap] bij haar handelen rekening moet houden met de belangen van de Bakkerij en dat die belangen voldoende evident zijn om zodanig te worden beschermd dat ook de vordering van de Bakkerij moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens [de vennootschap] veroordeeld: a. om binnen een week na betekening van het vonnis, de verkoop van brood en/of gebak en/of nat gebak en/of (al dan niet Limburgse) vlaaien en het op voorraad hebben daarvan in het gehuurde, te staken en gestaakt te houden; b. om aan Beheer en de Bakkerij gezamenlijk een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag, een gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 100.000,-; c. in de proceskosten, aan de zijde van Beheer en de Bakkerij begroot op € 1.517,54, te vermeerderen met rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde, waaronder, zo begrijpt het hof, alle vorderingen van [Registergoederen 2] en [Registergoederen 1] , is afgewezen. 4.3 [de vennootschap] heeft bij appeldagvaarding gevorderd dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 21 juli 2016 zal vernietigen, de vorderingen van [geintimeerden c.s.] zal afwijzen, [geintimeerden c.s.] zal veroordelen om al hetgeen [de vennootschap] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geintimeerden c.s.] heeft voldaan, aan [de vennootschap] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten van het geding in beide instanties. In haar memorie van grieven vordert [de vennootschap] onder het voordragen van negen grieven dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 21 juli 2016 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, I. [geintimeerden c.s.] niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen onder veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de achtste dag na betekening van het arrest tot aan de dag van betaling; II. [geintimeerden c.s.] zal veroordelen in de kosten van het geding in eerste en tweede instantie, alsmede de nakosten. [geintimeerden c.s.] voeren verweer. 4.4.1 Het hof zal recht doen op de vordering van [de vennootschap] zoals zij deze in haar memorie van grieven heeft geformuleerd. 4.4.2 Een kort geding leent zich gelet op de geboden haast met een uitspraak, niet voor bewijslevering, zodat het hof voorbij gaat aan de over en weer gedane bewijsaanbiedingen. 4.4.3 Niet in geschil is dat er voldoende spoedeisend belang bestaat bij de in hoger beroep gevorderde voorziening. 4.5 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen voor zover ingesteld door [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] afgewezen. [de vennootschap] is ten aanzien van [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] niet veroordeeld in de proceskosten. Nu de grieven van [de vennootschap] zich in geen enkel opzicht richten tegen de afwijzing van de vorderingen voor zover ingesteld door [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] , zal [de vennootschap] niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep voor zover ingesteld tegen [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] . Het is het hof niet gebleken dat [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] in dit hoger beroep proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof acht daarom geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling tussen enerzijds [de vennootschap] en anderzijds [Registergoederen 1] en [Registergoederen 2] . Waar hierna wordt gesproken over [geintimeerden c.s.] wordt nog enkel bedoeld Beheer en de Bakkerij. 4.6.1 De eerste twee grieven richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat, kort gezegd, met de brood- en banketovereenkomst art. 6 Mw niet is overtreden. Deze twee grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. 4.6.2 Art. 6, lid 1 Mw verbiedt, kort gezegd, overeenkomsten tussen ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het moet daarbij gaan om een merkbare beperking van de mededinging. Deze bepaling is geënt op artikel 101 VWEU, dat – voor zover van belang – alle overeenkomsten tussen ondernemingen verbiedt die de handel tussen de EU-lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt of op een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst (vgl. Kamerstukken II 1995-1996, 24 707, nr. 3, p. 24). 4.6.3 Het onderscheid tussen “inbreuken naar strekking” en “inbreuken naar gevolg” houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Bij de beoordeling of een overeenkomst mededingingsbeperkend is, en tevens bij de beoordeling of sprake is van een “merkbare” beperking van de mededinging, moet worden gelet op de bewoordingen en doelen van de overeenkomst, alsmede op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Voorts hoeven de bedoelingen van partijen niet in aanmerking te worden genomen bij het desbetreffende onderzoek, maar belet niets de rechter daarmee rekening te houden. Het essentiële criterium of een coördinatie tussen ondernemingen een dergelijke mededingingsbeperkende strekking heeft, valt samen met de vraag of die coördinatie op zich de mededinging in voldoende mate aantast (vgl. HvJ EU 11 september 2014, zaak C-67/13 P, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires/Commissie), punten 53, 54 en 57 en HvJ EU 20 januari 2016, zaak C-373/14 P, ECLI:EU:C:2016:26 (Toshiba/Commissie). 4.6.4 Wanneer vaststaat dat een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking heeft, behoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Wanneer echter uit de inhoud van de overeenkomst niet blijkt dat de mededinging in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (HvJ EU 14 maart 2013, nr. C-32/11 (Allianz)). 4.6.5 [de vennootschap] betoogt primair dat de brood- en banketovereenkomst naar haar strekking de mededinging beperkt en subsidiair dat deze overeenkomst ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt. In dat verband wijst het hof erop dat het bij de beoordeling van artikel 6 lid 1 Mw niet gaat om de vraag of tussen partijen de concurrentie wordt beperkt, maar of door de overeenkomst tussen partijen de concurrentie op de relevante markt merkbaar wordt beperkt. Voor zowel het primaire als het subsidiaire betoog van [de vennootschap] heeft te gelden dat zij, als de partij die aanvoert dat sprake is van een inbreuk op art. 6 Mw, de stelplicht en bewijslast daarvan draagt (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345/NJ 2013, 155). [de vennootschap] zal dus in dit kort geding, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geintimeerden c.s.] dat sprake is van overtreding van art. 6 Mw, allereerst voldoende moeten stellen omtrent de economische en juridische context in verband met de aard van de betrokken goederen en diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten, zodat tot de voorlopige conclusie kan worden gekomen dat hier sprake is van een overeenkomst die naar zijn strekking de mededinging op de relevante markt merkbaar beperkt dan wel tot gevolg heeft dat de mededinging aldus wordt beperkt. 4.6.6 [de vennootschap] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen beoordelen of de brood- en banketovereenkomst naar haar strekking de mededinging op de relevante markt beperkt. [de vennootschap] heeft onvoldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling van haar stelling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige (geografische - en product-) marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.