GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.184.652/01 arrest van 31 januari 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , België, appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. A.C.G. Reezigt te Apeldoorn, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.B. de Bree te Etten-Leur, op het bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3898562 CV EXPL 15-945) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van 2 september 2015. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met drie grieven en één productie; de memorie van antwoord met twee producties; de akte uitlating producties van [appellant] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 3.1.1. Tussen [schuldenaar 1] en [geïntimeerde] als geldleners enerzijds (aanduid als de schuldenaar, enkelvoud) en [appellant] en zijn (inmiddels ex-)echtgenote als degenen die geld, € 5.000,-, hebben uitgeleend anderzijds (aangeduid als schuldeiser, enkelvoud) is op 17 april 2013 een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten (prod. 1 bij inl. dagv.). De overeenkomst is gesloten onder de volgende bedingen: Terzake van deze geldlening zijn ondergetekenden het navolgende overeengekomen: 1. Vanaf 17 april 2013 is over de hoofdsom, respectievelijk het restant daarvan, een rente verschuldigd van 5 procent (5 %) per jaar. 2. De looptijd van de lening eindigt op 30 april 2014. 3. De hoofdsom of het restant daarvan kan met de lopende en eventueel achterstallige rente in het hierna genoemde geval worden opgeëist, zonder enige waarschuwing of ingebrekestelling: bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening. 4. De schuldenaar zal in gebreke zijn door het enkele verloop van de bepaalde termijn of het enkele feit van de niet of niet behoorlijke nakoming of overtreding, zonder dat daartoe een bevel of soortgelijke akte nodig zal zijn. 5. De eerste aflossing dient te geschieden op 1 september 2013 of zoveel eerder de schuldenaar daartoe de mogelijkheid ziet. 6. Alle betalingen moeten geschieden door storting op een door schuldeiser aan te geven bankrekening. De overeenkomst is door alle vier de partijen ondertekend. 3.1.2. Op de hoofdsom is € 1.700,- afgelost. [geïntimeerde] erkent dat een bedrag van € 3.300,- onbetaald is gebleven. 3.1.3. [appellant] vordert [geïntimeerde] te veroordelen om aan hem het restant, € 3.300,-, te betalen, met nevenvorderingen (contractuele rente en buitengerechtelijke kosten). Deze vordering is door de kantonrechter afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartegen keert zich het hoger beroep. 3.2. De rechtsmacht en het toepasselijk recht 3.2.1. [appellant] woonde ten tijde van de inleidende dagvaarding in [woonplaats] , België. De overeenkomst van geldlening is blijkens de overeenkomst in [woonplaats] , België, gesloten. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. 3.2.2. Nu de gedaagde partij, [geïntimeerde] , in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening rechtsmacht (de inleidende dagvaarding dateert van ná 10 januari 2015, namelijk 18 februari 2015, artikel 66 lid 1 Herschikte EEX-Vo). 3.2.3. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op litispendentie, stellende dat in België een procedure aanhangig is. Dit beroep is verworpen (rov. 2.7 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis). Daarop is [geïntimeerde] in hoger beroep niet teruggekomen. Ook voor het hof bestaat er derhalve geen aanleiding om het geding op de voet van artikel 29 lid 1 Herschikte EEX-Vo aan te houden. 3.2.4. Ten aanzien van het toepasselijk recht zijn partijen Nederlands recht overeengekomen, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld (rov. 2.11 tot en met 2.13 van het bestreden vonnis). Daartegen is door partijen niet opgekomen, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen. 3.3. De procesbevoegdheid en de omvang van het vorderingsrecht, grief 1 3.3.1. Artikel 6:15 BW luidt: 1 Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. 2 Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht. 3 Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken. 3.3.2. [geïntimeerde] heeft, zich beroepende op artikel 6:15 lid 2 BW, aangevoerd dat [appellant] wellicht niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, zodat hij de vordering niet voor zichzelf had kunnen instellen. De kantonrechter heeft dienaangaande overwogen dat haar op de comparitie is gebleken dat [appellant] buiten iedere gemeenschap was gehuwd. Daartegen heeft [geïntimeerde] in hoger beroep geen stelling genomen, zodat ook het hof hiervan uitgaat. 3.3.3. [geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat [appellant] slechts de helft kan incasseren (14 cva/e). De kantonrechter heeft, onder toepassing van artikel 6:15 lid 1 en lid 2 BW geoordeeld dat sprake is van een deelbare vordering zodat [appellant] hooguit aanspraak kan maken op de helft van het openstaande bedrag (rov. 2.16 tot en met 2.18 van het bestreden vonnis). Daartegen keert zich grief 1. 3.3.4. Blijkens de toelichting op de grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat sprake is van ‘één vorderingsrecht’ als bedoeld in de slotwoorden van lid 1 van artikel 6:15 BW. Dit volgt uit de uitleg van de overeenkomst, als de Haviltex-maatstaf wordt toegepast, in het bijzonder uit het enkelvoud voor de schuldenaar en de schuldeiser. [appellant] stelt zich hiermee kennelijk op het standpunt dat de vier contractspartijen één vorderingsrecht zijn overeengekomen. Hij kan aldus, hoewel de vordering hun niet gezamenlijk toekomt, de prestatie van [geïntimeerde] toch voor het geheel vorderen, des dat de voldoening aan [appellant] haar, [geïntimeerde] , ook jegens de echtgenote van [appellant] bevrijdt (art. 6:16 BW, Asser/Sieburgh 6-I 2016/136). 3.3.5. Ingevolge Haviltex moet de betekenis van omstreden bedingen in een overeenkomst door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 3.3.6. Dat partijen over de onderhavige kwestie hebben onderhandeld en jegens elkaar dienaangaande verklaringen hebben afgelegd wordt niet gesteld en is ook niet gebleken. Aan een bewijsopdracht dienaangaande komt het hof mitsdien niet toe. Overigens beroept [appellant] zich enkel op de tekst van de overeenkomst en die is niet betwist. 3.3.7. Naar het oordeel van het hof hoefde [geïntimeerde] uit het gebruik van het enkelvoud van de woorden schuldenaar en schuldeiser niet te begrijpen of te verwachten dat wordt afgeweken van de hoofdregel uit artikel 6:15 BW (splitsing). Evenmin is waarschijnlijk dat partijen, juridisch niet geschoold, die bepaling voor ogen hebben gehad. Dienaangaande wordt niets gesteld. Het beroep op de gegeven uitleg van de overeenkomst faalt mitsdien. 3.3.8. Ten overvloede merkt het hof nog op dat niet is kunnen blijken dat de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.