GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.179.885/01 arrest van 10 januari 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers te Dongen, tegen: Azza Yachting Belgium BVBA, gevestigd te [vestigingsplaats 1] (België), geïntimeerde, advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout. op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 29 april 2015 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in (deels voorwaardelijke) reconventie en geïntimeerde - Azza - als gedaagde in conventie, eiseres in (deels voorwaardelijke) reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/278207/HA ZA 14-177) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, waarin de rechtbank is aangeduid als rechtbank Breda, en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 30 juli 2014. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 27 juli 2015; - de memorie van grieven van [appellant] van 22 december 2015 met producties; - de memorie van antwoord van Azza van 2 februari 2016. Azza heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1 In het eindvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt: AZZA houdt zich onder meer bezig met het ontwikkelen van pleziervaartuigen. [appellant] heeft van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2009 een eenmanszaak gevoerd als scheepstimmerman. Deze eenmanszaak was ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] . Partijen hebben op 15 juli 2004 een koopovereenkomst gesloten, in het kader waarvan AZZA aan [appellant] heeft verkocht het casco van een schip, type AZZA CUTTER 1600 FB, kadastraal bekend en gebrandmerkt met nummer [schipnummer] (hierna het casco), tegen betaling van een koopsom van € 80.500,= met arbeidsuren. Eveneens op 15 juli 2004 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, in het kader waarvan [appellant] zich heeft verbonden om 4.600 uren arbeid voor AZZA te verrichten, bestaande uit het produceren en plaatsen van interieursegmenten in drie andere casco’s van schepen van AZZA, te weten type AZZA 1600, type AZZA 1320 en type AZZA 1700, althans enig ander door AZZA aangeboden casco. Partijen zijn overeengekomen dat ieder uur een waarde van € 32,50 vertegenwoordigt, waarvan € 17,50 wordt verrekend met de koopsom opdat [appellant] per uur 1/4.600ste deel van het eigendom van het casco verkrijgt. [appellant] heeft in totaal 1.837,5 uren aan de casco’s type AZZA 1600 en type AZZA 1320 gewerkt, waarna de casco’s op respectievelijk 25 februari 2008 en 26 maart 2009 zijn opgeleverd. Het casco type AZZA 1700 is niet aan [appellant] ter beschikking gesteld. Ten tijde van het sluiten van beide overeenkomsten handelde [appellant] onder de naam ‘ [handelsnaam appellant 1] ’. Vanaf 1 juni 2005 tot en met 31 december 2009 heeft [appellant] onder de naam ‘ [handelsnaam appellant 2] ’ gehandeld. Op 31 maart 2010 heeft [appellant] , handelend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding] Holding BV (hierna de Holding), de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yacht Design BV opgericht. Artikel 31 van de akte van oprichting vermeldt, voor zover thans van belang: “Ter storting op de aandelen zal de oprichter in de vennootschap inbrengen zijn gehele te [vestigingsplaats 2] gevestigde onderneming, die hij drijft onder de naam [handelsnaam appellant 2] (ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor Brabant, inschrijfnummer [nummer] ) - echter vanaf één januari tweeduizend tien (...) voor rekening en risico van de vennootschap - omvattende deze inbreng derhalve alle activa van gemelde onderneming, onder de vermelding voor de vennootschap alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen (…).” Op 17 oktober 2010 is Yacht Design BV failliet verklaard. Bij beschikking van 28 mei 2013 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten. [appellant] heeft op 31 december 2013 met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland -West-Brabant conservatoir beslag doen leggen op het casco. Bij dagvaarding van 7 januari 2014 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen Azza aanhangig gemaakt. 4.2 In deze procedure stelt [appellant] dat hij ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst werkzaamheden voor Azza heeft verricht, die een waarde vertegenwoordigen van € 32.156,25. Azza heeft volgens [appellant] verzuimd een derde casco aan hem ter beschikking te stellen, zodat Azza tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. [appellant] stelt dat hij Azza bij brieven van 8 april 2010 en 26 april 2010 heeft aangemaand, waarna hij beide overeenkomsten heeft ontbonden. Azza dient hem het bedrag van € 32.156,25 te voldoen. Subsidiair stelt [appellant] dat hij door zijn werkzaamheden een deel van het eigendom van het casco heeft verkregen. Op grond hiervan vordert [appellant] in conventie, samengevat, primair: te verklaren voor recht dat beide overeenkomsten zijn ontbonden, althans deze overeenkomsten te ontbinden, met veroordeling van Azza tot betaling van het bedrag van € 32.156,25, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 april 2010; subsidiair: verdeling van het casco door toedeling aan Azza dan wel door verkoop en levering aan een derde, in beide gevallen tegen betaling van € 32.156,25 aan [appellant] , althans 1.837,5/4.600ste deel van de waarde van het casco, vermeerderd met de wettelijke handelsrente met ingang van 8 april 2010; veroordeling van Azza in de proces-, beslag- en nakosten. Azza heeft deze vorderingen bestreden. Azza voert primair aan dat [appellant] de overeenkomsten heeft ingebracht bij de oprichting van Yacht Design BV, waaraan Azza stilzwijgend medewerking heeft verleend, zodat sprake is van contractoverneming door Yacht Design BV en [appellant] geen vordering heeft op Azza. Subsidiair betwist Azza dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. In reconventie vordert Azza, samengevat, een verklaring voor recht dat het beslag op het casco onrechtmatig is gelegd en opheffing van dat beslag. Daarnaast heeft Azza in voorwaardelijke reconventie een vordering inzake de verdeling van de opbrengst van het casco ingesteld. [appellant] heeft deze vorderingen op zijn beurt bestreden. 4.3 Bij tussenvonnis van 30 juli 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 6 maart 2015 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank in conventie het primaire verweer van Azza gehonoreerd en [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. In reconventie heeft de rechtbank het beslag op het casco opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. 4.4 Azza was ten tijde van de inleidende dagvaarding gevestigd in België. Het geschil heeft internationale aspecten, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het geschil kennis te nemen moet worden vastgesteld. Omdat de vordering in eerste aanleg is ingesteld vóór 10 januari 2015 wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ingevolge overgangsartikel 66 lid 2 Herschikte EEX-Verordening 1215/2012 beoordeeld op grond van de EEX-Verordening 44/2001 (hierna te noemen: Verordening). Het geschil betreft een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 Verordening. Artikel 5 lid 1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.