Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001381-16 Uitspraak : 9 augustus 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 mei 2016, parketnummer 03-259740-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-139779-13, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats] . Hoger beroep De verdachte is door de eerste rechter ter zake van het aanwezig hebben van 7,4 gram (bruto) hennep veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 75,00, subsidiair één dag hechtenis. De vordering tot tenuitvoerlegging van een bij vonnis van 16 december 2013 door de politierechter te Maastricht opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand is afgewezen. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het vervoeren dan wel het aanwezig hebben van minder dan 5 gram hennep zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 150,00 met een proeftijd van 2 jaar. Ook is gevorderd dat de vordering tot tenuitvoer-legging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand zal worden toegewezen. Door en namens verdachte is primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich voor wat betreft de bewezenver-klaring gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de straf heeft de raadsman het hof in dat geval verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd. Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 25 december 2015, in de gemeente [gemeente] heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,4 gram (bruto) hennep, in elk geval een hoeveelheid van minder dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat verdachte is vervolgd in strijd met de Aanwijzing Opiumwet en de Richtlijn voor Strafvordering Opiumwet, softdrugs. Volgens de raadsman is bij de verdachte minder dan 5 gram hennep aangetroffen. Bruto bedroeg het gewicht van de zakjes inbeslaggenomen hennep 7,4 gram, maar nu een zakje 0,8 gram weegt en 4 zakjes in beslag zijn genomen resteert een netto gewicht van minder dan 5 gram hennep. De verdachte heeft afstand gedaan van de inbeslaggenomen hennep, zodat het openbaar ministerie volgens de Aanwijzing en Richtlijn voornoemd had dienen te volstaan met het onttrekken aan het verkeer van de inbeslaggenomen hennep. Voor het geval het hof oordeelt dat sprake is van méér dan 5 gram hennep heeft de raads-man verzocht om nader onderzoek te laten verrichten naar de netto-hoeveelheid hennep die onder de verdachte in beslag is genomen. In dat kader heeft de raadsman tevens betoogd dat verbalisant [verbalisant] kan worden bevraagd over de wijze waarop het gewicht van de hennep is vastgesteld en of de gripzakjes afzonderlijk zijn gewogen. Mocht het hof wel aannemen dat sprake is van minder dan 5 gram hennep dan vervalt de noodzaak aan het verzoek, aldus de raadsman. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte minder dan 5 gram hennep is aangetroffen, zodat geen reden bestaat tot nader onderzoek op dat punt. Desondanks is het openbaar ministerie volgens de advocaat-generaal ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Nu verdachte een dealerindicatie heeft kan geen sprake meer zijn van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs. In dergelijke gevallen mag het openbaar ministerie een verdachte derhalve wel vervolgen. Het hof neemt, met de advocaat-generaal en de raadsman, aan dat bij verdachte een hoeveel-heid van minder dan 5 gram netto hennep is aangetroffen. Gelet daarop vervalt de noodzaak aan het verzoek van de raadsman om nader onderzoek te verrichten naar de netto hoeveel-heid hennep die onder de verdachte is inbeslaggenomen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte voor het vervoer dan wel voor het aanwezig hebben van minder dan 5 gram hennep, overweegt het hof het volgende. De Aanwijzing Opiumwet zoals die gold van 1 maart 2015 tot heden (derhalve ook op de pleegdatum van 25 december 2015) vermeldt onder 4: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.