Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-000288-16 Uitspraak : 15 augustus 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2016, zittingsplaats Breda, in de strafzaak met parketnummer 02-810639-14 tegen: [verdachte] , geboren te Radom (Polen) op [geboortedag] 1994, thans verblijvende in PI Z-O, Locatie Ter Peel, te Evertsoord. Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte vrijspreekt van moord (het impliciet primair ten laste gelegde) en verdachte ter zake van doodslag (het impliciet subsidiair ten laste gelegde) veroordeelt tot een gevangenisstraf van 9 jaar, met aftrek van voorarrest in plaats van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 6 jaar. Ter zake van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd de beslissing van de rechtbank over te nemen. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord wegens het ontbreken van de voorbedachte rade en heeft subsidiair bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer. De verdediging heeft meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op 27 december 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp voorwerp, een of meer keren in de hals en/of in de keel en/of in de nek en/of in vitale delen van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Vrijspraak Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat zij van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord wordt vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (impliciet) subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 27 december 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes een keer in de hals van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: doodslag. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zij van het impliciet subsidiair ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu zij zich mocht en moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lijf (noodweer). Indien het hof van oordeel is dat verdachte bij de verdediging de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden, wordt een beroep gedaan op noodweerexces. Indien het hof noodweerexces niet aannemelijk acht, wordt bepleit dat verdachte heeft gehandeld vanuit de gerechtvaardigde overtuiging dat zij werd aangevallen, tegen welke aanval zij zich wel moest verdedigen (putatief noodweer). De verdediging heeft kort gezegd de volgende gang van zaken geschetst. Op 27 december 2014 hebben verdachte en haar vriend [slachtoffer] ruzie. Verdachte verlaat de woning en gaat naar een vriend. [slachtoffer] is daar niet blij mee en stuurt haar boze sms’jes. Later op de dag wacht hij haar voor de deur van de woning op en eenmaal weer samen in de woning ruziën ze verder. [slachtoffer] is inmiddels behoorlijk dronken en agressief: hij scheldt verdachte uit, gooit haar op de grond, trekt aan haar haren, slaat haar, gooit haar mobieltje stuk en vernielt in de woonkamer onder meer de ruit van een kastje. Als verdachte de scherven van die ruit heeft opgeveegd en heeft weggegooid in afvalemmer in de keuken, ziet ze dat [slachtoffer] een mes in zijn handen heeft en op haar af komt lopen. Er ontstaat een worsteling, die zich vanuit de keuken naar de gang verplaatst. [slachtoffer] zegt: “Jij komt hier niet weg” en hij blokkeert de weg naar buiten door voor de trap - en met zijn rug naar de trap - te staan. Bij de worsteling valt het mes op de grond. Verdachte pakt het mes van de grond op, doet haar ogen dicht en maakt een zwaaiende beweging. Ze hoort ’au!’, doet haar ogen open en ziet bloed. Ze vlucht naar buiten en ook [slachtoffer] verlaat de woning. Buiten ziet verdachte de verwonding aan [slachtoffer] ’s hals en probeert ze hem te helpen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Van deze door de verdediging geschetste feitelijke toedracht van de gebeurtenissen op 27 december 2014 kan op basis van het dossier slechts het volgende worden vastgesteld: verdachte heeft de woning verlaten en is naar een vriend gegaan (onder andere verklaring [getuige] , politiedossier pagina 460 en verder); [slachtoffer] heeft boze sms’jes naar verdachte gestuurd (bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, politiedossier pagina 494 en verder); verdachte is weer teruggekeerd naar de woning (onder andere verklaring [getuige] , politiedossier pagina 460 en verder); [slachtoffer] heeft vlak voor zijn overlijden een behoorlijke hoeveelheid alcohol gebruikt (onder andere NFI rapport ‘Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] , d.d. 21 januari 2015); de telefoon van verdachte is in stukken geraakt (onder andere proces-verbaal van bevindingen, politiedossier p. 492 en verder); er is een pluk haar in de vuilniszak uit de prullenbak in de woonkamer gevonden (onder andere proces-verbaal van bevindingen, politiedossier pagina 251); het glas van het wandmeubel in de woonkamer is gebroken (onder andere proces-verbaal sporenonderzoek, forensisch dossier pagina 10); de staande lamp in de woonkamer is verbogen (proces-verbaal sporenonderzoek, forensisch dossier pagina 10); er zijn diverse spullen, zoals sieraden, peuken en as, op de vloer van de verschillende ruimtes terechtgekomen (proces-verbaal sporenonderzoek, forensisch dossier pagina 7 en verder); verdachte heeft [slachtoffer] met een mes in zijn hals gestoken (verklaring van verdachte, in combinatie met de omstandigheid dat uit het dossier niet is gebleken van een ander persoon die de steekverwonding kan hebben toegebracht en met de conclusie van de onderzoekers uit het bloedbeeld dat een misdrijf aannemelijker is dan een suïcide; proces-verbaal bloedbeeldonderzoek, forensisch dossier pagina 74); verdachte heeft de woning verlaten voordat [slachtoffer] de woning verliet (rapport M.J.P. Eversdijk d.d. 26 juli 2017). Op grond hiervan acht het hof aannemelijk dat verdachte en [slachtoffer] in de woning ruzie hebben gehad en dat op enig moment bij die ruzie spullen kapot zijn gegaan en op de grond terecht zijn gekomen. Het hof acht op basis van het onderzoek ter terechtzitting evenwel niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] met een mes in zijn handen op verdachte af is komen lopen, dat hij haar heeft belet de woning te verlaten en dat zij hem tijdens een worsteling het – op de grond gevallen – mes afhandig heeft weten te maken. Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het procesdossier zijn voor deze gang van zaken met het mes geen aanknopingspunten naar voren gekomen. Het is enkel de verdachte die – uiteindelijk pas in hoger beroep – in deze zin heeft verklaard. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte sterk uiteenlopende verklaringen over het mes heeft afgelegd. In haar eerste vijf verklaringen bij de politie heeft verdachte niet verklaard dat zij het mes in handen heeft gehad. Vanaf haar zesde verklaring bij de politie heeft verdachte verklaard dat zij in een worsteling [slachtoffer] het mes afhandig heeft weten te maken. In een latere, in aanwezigheid van onder meer de RC, afgelegde verklaring heeft verdachte verklaard dat zij tijdens de worsteling [slachtoffer] het mes heeft afgepakt, maar ook dat zij niet in staat is uit te leggen hoe dat ging. In datzelfde verhoor verklaart zij op het ene moment dat [slachtoffer] het mes ‘normaal’ vast hield en op het andere moment dat zij zich niet meer kan herinneren hoe [slachtoffer] het mes vast hield. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat zij het mes uit de handen van [slachtoffer] heeft getrokken. Nadat op die terechtzitting en in het daarna gewezen vonnis expliciet aan de orde is geweest dat bij verdachte vlak na het incident geen letsel (aan haar handen) is aangetroffen, hoewel dat wel te verwachten zou zijn geweest indien [slachtoffer] , zoals verdachte daar stelt, het mes bij het heft zou hebben vastgehouden en met de punt naar voren zou hebben gericht, heeft verdachte – voor het eerst – ter terechtzitting van het hof verklaard dat het mes tijdens de worsteling op de grond is gevallen en dat zij toen het mes van de grond heeft opgeraapt. Het hof merkt op dat uit het sectierapport blijkt dat [slachtoffer] , anders dan verdachte, wel letsels heeft aan de beide handen. Verdachte heeft niet alleen over het in handen krijgen van het mes wisselend verklaard, maar ook over het gebruik van dat mes. Bij de politie heeft zij in haar zesde verklaring enkel verklaard dat zij [slachtoffer] met het mes heeft geraakt. In haar zevende verklaring heeft zij verklaard en bevestigd dat zij met het mes een bovenhandse slaande beweging heeft gemaakt in de richting van de linkerschouder van [slachtoffer] . Ook ter terechtzitting van de rechtbank heeft zij een en ander uitgebeeld met een bovenhandse beweging. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte daarentegen verklaard dat zij, nadat zij het mes van de grond had opgeraapt, daarmee met haar ogen dicht een zwaaiende beweging had gemaakt. Ten slotte moet het hof constateren dat de verklaring van verdachte, dat [slachtoffer] met zijn rug naar de trap stond op het moment dat hij met het mes werd gestoken/geraakt, niet past bij de bevindingen van het bloedsporenonderzoek, blijkende uit het proces-verbaal bloedbeeldonderzoek, forensisch dossier pagina 51 en verder en bevestigt door het rapport van de deskundige M.J.P. Eversdijk d.d. 26 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.