GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.198.412/01 arrest van 15 augustus 2017 in de zaak van [appellant] h.o.d.n. Staalvlechter [Staalvlechter], wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. B. Kaya te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R. Akkaya te Helmond, op het bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis waarvan beroep, op 7 april 2016 door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4559623 / 15-12558) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het herstelexploot van 22 juli 2016; de memorie van grieven met 6 producties (nummers 1 tot en met 5, 7); de memorie van antwoord met 6 producties (nummers 4 tot en met 9); een akte van 3 januari 2016 met de aanduiding “akte inbreng bewijsstukken/aanvulling memorie van grieven” met 5 producties (nummers 6, 9 tot en met 12) van [appellant] ; de akte van 31 januari 2016 met 1 productie (nummer 10) van [geïntimeerde] ; akten van depot van 12 september 2016 en van 2 november 2016 ( [appellant] ) en van 21 november 2016 ( [geïntimeerde] ); het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 19 mei 2017. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [geïntimeerde] is bij [appellant] in dienst geweest in de functie van betonstaalvlechter in de periode van augustus 2013 tot en met oktober 2014, met uitzondering van de maanden juni, juli en augustus 2014. b. Over deze gehele periode is [appellant] aan [geïntimeerde] aan loon een totaalbedrag van € 6.855,57 (netto) verschuldigd. Een gedeelte hiervan is door bankoverschrijvingen betaald. 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] betaling van een volgens hem onbetaald gebleven gedeelte van € 2.892,37 (netto) van het door [appellant] aan hem verschuldigde nettoloon, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 3.2.2. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer houdt in dat [appellant] aan [geïntimeerde] het gevorderde bedrag contant heeft betaald. 3.3. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter ten aanzien van het verweer van [appellant] onder meer in 3.4. van het vonnis waarvan beroep overwogen dat [appellant] te kennen heeft gegeven niet te beschikken over kwitanties en dat de WhatsApp berichten niet kunnen dienen tot bewijs dat er daadwerkelijk contante betalingen aan [geïntimeerde] zijn gedaan. De kantonrechter heeft het verweer van [appellant] verworpen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. 3.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep in punten 8 en verder van de memorie van grieven een aantal grieven aangevoerd. 3.4.2. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . 3.4.3. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep verweer gevoerd. 3.5. Tegen de beslissingen van de kantonrechter over de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke verhoging heeft [appellant] geen grieven aangevoerd. Deze beslissingen staan daarom in dit hoger beroep, als de toewijzing van de hoofdvordering in stand blijft, niet ter discussie. 3.6. Met de grieven is het geschil tussen partijen over de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van het volgens [geïntimeerde] onbetaald gebleven gedeelte van € 2.892,37 van het door [appellant] aan hem verschuldigde nettoloon in volle omvang aan het hof voorgelegd. 3.7. Partijen twisten over de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de vraag of het bedrag van € 2.892,37 door [appellant] aan [geïntimeerde] is betaald. Het hof overweegt daarover als volgt. Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit eisen van redelijkheid of billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. [appellant] beroept zich op het rechtsgevolg van een door hem gesteld feit, namelijk dat hij het gehele nettoloon, waarvan de verschuldigdheid op zichzelf vaststaat, heeft betaald. Volgens de hoofdregel draagt hij dus de stelplicht en de bewijslast. Voor dit geval geldt geen bijzondere regel. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaraan de conclusie kan worden verbonden dat uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid of billijkheid een andere bewijslast voortvloeit. [appellant] draagt dus de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de betalingen. 3.8. De stelling van [appellant] is dat hij het gedeelte van het nettoloon, dat hij niet door middel van bankoverschrijvingen heeft betaald, contant heeft betaald. [geïntimeerde] heeft dat betwist. Gezien die betwisting dient [appellant] zijn stelling voldoende te onderbouwen. Allereerst heeft [appellant] als productie 1 bij memorie van grieven een overzicht in het geding gebracht waarop is vermeld: het per maand door [appellant] verschuldigde nettoloon, de betalingen die volgens [appellant] per maand, al dan niet in gedeelten, per bankoverschrijving zijn gedaan, en de betalingen die volgens [appellant] , eveneens per maand, uit de kas zijn gedaan. Volgens het overzicht beloopt het totaal van de per bankoverschrijving en kas gedane betalingen precies (op een onverklaard verschil van € 0,40
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.