GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.187.393/01 arrest van 5 september 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, hierna aan te duiden als: [appellant] , advocaat: mr. P.J. de Bruin te Rotterdam, tegen [Zorgverzekeraar N.V.] Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] , advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer, op het bij exploot van dagvaarding van 26 februari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4190805 CV EXPL 15-2930) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord; de in het kader van het schriftelijk pleidooi door partijen overgelegde pleitnota's, die van [appellant] met twee producties, en de reacties van partijen op elkaars pleitnota's. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1.1. [geïntimeerde] is een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1 onder b van de Zorgverzekeringswet (Zvw). 3.1.2. [appellant] heeft op [geboortedatum] 2013 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Ingevolge artikel 2.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz) is [appellant] als ingezetene van Nederland van rechtswege verzekerd overeenkomstig de bepalingen van die wet. Op grond van artikel 2 van de Zvw is degene die ingevolge de Wlz van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te (laten) verzekeren tegen het in artikel 10 Zvw bedoelde risico (kort gezegd: de kosten van geneeskundige zorg). 3.1.3. Omdat [appellant] aan de verplichting een zorgverzekering te sluiten niet voldeed, heeft het College zorgverzekeringen, na het opleggen van boetes, op de voet van artikel 9d lid 1 Zvw namens [appellant] een zorgverzekering afgesloten bij [geïntimeerde] . Dat artikellid luidde destijds: "Indien een verzekeringsplichtige aan wie de bestuurlijke boete en de last, bedoeld in artikel 9c, is opgelegd, niet binnen drie maanden na verzending van de beschikking tot oplegging daarvan alsnog verzekerd is, sluit het College zorgverzekeringen namens hem een zorgverzekering waarin hij hem verzekert". 3.1.4. [geïntimeerde] heeft ter zake van de premies voor de periode van maart 2014 tot en met september 2014 diverse facturen aan [appellant] gezonden, die door [appellant] onbetaald zijn gelaten. Vanaf oktober 2014 heeft [geïntimeerde] [appellant] op de voet van artikel 18c Wvw aangemeld bij het Zorginstituut (eerder: het College zorgverzekeringen, thans: het CAK). Gezien artikel 18f Zvw heft en int het Zorginstituut de vanaf die maand verschuldigde bestuursrechtelijke premie. 3.2.1. [geïntimeerde] vordert in conventie veroordeling van [appellant] tot betaling van € 818,77 in totaal (€ 683,65 aan hoofdsom, € 11,03 ter zake van tot 8 april 2015 verschenen wettelijke rente en € 124,09 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 8 april 2015 tot de voldoening. [geïntimeerde] voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat [appellant] uit hoofde van de zorgververzekering gehouden is tot genoemd bedrag van € 683,65 premies en acceptgirokosten te betalen ter zake van de periode van maart 2014 tot en met september 2014, maar dat [appellant] daarmee ondanks aanmaning in gebreke is gebleven. 3.2.2. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in conventie. In reconventie vordert [appellant] voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig en in strijd met het overeenkomstenrecht, het verzekeringsrecht, het vertegenwoordigingsrecht en de wettelijke regeling inzake bewind en curatele handelt en daarom jegens hem schadeplichtig is. [appellant] vordert in reconventie voorts veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 375,-, ter zake van de kosten van rechtskundige bijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2015 tot de voldoening. Als verweer tegen de vordering in conventie en ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie heeft [appellant] aangevoerd, kort weergegeven, dat hij geen zorgverzekering heeft afgesloten en ook niemand heeft gemachtigd om dat namens hem te doen. Tussen partijen kan derhalve geen zorgverzekeringsovereenkomst tot stand zijn gekomen, zodat er geen rechtsgrond bestaat voor de door [geïntimeerde] gevorderde premies. [geïntimeerde] handelt jegens hem onrechtmatig door premies te vorderen die zijn gebaseerd op een overeenkomst die niet bestaat dan wel op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. 3.2.3. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het standpunt van [appellant] verworpen, de vordering in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat in de Zvw sprake is van een bijzondere vorm van een wettelijke verplichting om een verzekering af te sluiten. Artikel 9d van die wet voorziet in een mogelijkheid tot wettelijke dwangvertegenwoordiging die er toe leidt dat een verzekeringsplichtige tegen zijn wil partij wordt bij een zorgverzekering. Door uitvoering te geven aan die bevoegdheid, heeft het College zorgverzekeringen op grond van de Zvw kunnen bewerkstelligen dat [appellant] in weerwil van zijn bezwaren wel degelijk zelf partij is geworden bij de zorgverzekering waarop [geïntimeerde] haar vordering in conventie baseert. [appellant] is daarom de door [geïntimeerde] gevorderde premies verschuldigd geworden. Van onrechtmatig handelen is geen sprake, noch van het College zorgverzekeringen, noch van [geïntimeerde] , aldus de kantonrechter. 3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vordering in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in reconventie. 3.3.2. [geïntimeerde] stelt zich bij memorie van antwoord in de eerste plaats op het standpunt dat [appellant] , gelet op artikel 332 Rv, in hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het belang van de zaak volgens [geïntimeerde] een lager bedrag beloopt dan € 1.750,-. Voorts bestrijdt [geïntimeerde] de grief van [appellant] . 3.4. Ingevolge artikel 332 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750,- of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan dat bedrag. Was in eerste aanleg een vordering in reconventie ingesteld, dan is beslissend het totale beloop of de totale waarde van de vordering in conventie en van de vordering in reconventie. Het hof overweegt dat de in reconventie gevorderde verklaring voor recht niet alleen ertoe strekt te worden bevrijd van de verplichting tot betaling van de in conventie gevorderde premies. De vordering in reconventie beoogt immers ook de totstandkoming en het bestaan van de zorgverzekeringsovereenkomst als zodanig en het beroep daarop door [geïntimeerde] aan de orde te stellen. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering in conventie (€ 818,77), het in reconventie gevorderde geldbedrag van € 375,- en de in reconventie gevorderde verklaring voor recht tezamen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 1.750,-. [appellant] is derhalve ontvankelijk in hoger beroep. 3.5. Met zijn grief betoogt [appellant] dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst is gesloten. Verkort weergegeven heeft [appellant] daartoe aangevoerd dat van wilsovereenstemming, vereist voor de totstandkoming van een overeenkomst, geen sprake is geweest. Het zonder rechterlijke toets afdwingen van een zorgverzekering is in strijd met het Nederlandse rechtsbestel en het civiele recht. [geïntimeerde] kan geen rechten ontlenen aan een overeenkomst die op een dergelijke, onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. [appellant] betoogt dat het opdringen van een zorgverzekeringsovereenkomst inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Protocol EVRM), een ongerechtvaardigde inmenging in zijn persoonlijke levenssfeer oplevert (artikel 8 EVRM) en conflicteert met zijn levensbeschouwelijke opvattingen over genezing en ziekte (artikel 9 EVRM). [appellant] wenst niet mee te betalen aan een medisch systeem dat naar zijn morele overtuiging uitgaat van onjuiste, materialistische principes en niet het belang van de gezondheid van de verzekerden centraal stelt, maar de financiële belangen van de overheid, de (aandeelhouders van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.