GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.183.693/01 arrest van 12 september 2017 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] , 2. [appellante] ,wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] dan wel ieder voor zich als [appellant] of [appellante] , advocaat: mr. R. Jacobs te Heerlen, tegen Woningstichting [Woningstichting] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. S.M. van der Salm te Amsterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 april 2016 in het incident in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 3423943 CV EXPL 14-10023 gewezen vonnis van 4 november 2015. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het arrest van 5 april 2016 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv (schorsing tenuitvoerlegging vonnis); de memorie van grieven; de memorie van antwoord; de bij brief van 19 mei 2017 door mr. Van der Salm toegezonden akte houdende productie (productie 19); de fax van 30 mei 2017 van mr. Van der Salm met de door de griffie van het hof opgevraagde ontbrekende of onleesbare pagina’s 3 tot en met 6 van de memorie van antwoord, productie 14 bij de dagvaarding in eerste aanleg en de pagina’s 87, 103-104, 124-127 van de conclusie van antwoord; de akte houdende productie van 1 juni 2017 van mr. Jacobs (productie 3); het pleidooi van 1 juni 2017, waarbij zowel mr. Jacobs als mr. Van der Salm pleitnotities hebben overgelegd en waarbij mr. Van der Salm voornoemde akte houdende productie (productie 19) in het geding heeft gebracht; het H10-formulier van geïntimeerde van 13 juni 2017, waarbij arrest is verzocht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Zowel mr. Jacobs als mr. Van der Salm hebben ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen overlegging van voornoemde producties die op voorhand niet juist en tijdig aan de griffie van het hof en aan de wederpartij zijn toegezonden, zodat deze producties deel uitmaken van de gedingstukken. 6De beoordeling 6.1. In overweging 2 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. a. [geïntimeerde] en [appellanten] zijn op 20 juni 2012 een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot de woning gelegen [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). b. De huurovereenkomst is tot stand gekomen in het kader van het 'Moeilijk Plaats-baren’ traject (hierna: MP-traject), waarin de gemeenschappelijke gezondheidsdienst [GGD] (hierna: GGD [GGD] ), hulpverlenende instanties en woningcorporaties samenwerken, teneinde tot een hulpverleningstraject te komen voor (toekomstige) huurders met woonproblematiek. c. [appellanten] hebben hun medewerking aan het MP-traject toegezegd en met verhuizing ingestemd, nadat [geïntimeerde] hen bericht had dat zij - naar aanleiding van overlast-klachten van omwonenden - voornemens was om een ontbindings- en ontruimingsprocedure aanhangig te maken met betrekking tot de woning die [appellanten] op dat moment van [geïntimeerde] huurden ( [voormalig adres] , [postcode] [plaats] ). d. Tussen [appellanten] , [geïntimeerde] en de case-manager van de betrokken hulpverleningsinstantie [hulpverleningsinstantie] zijn in het kader van het MP-traject de navolgende afspraken gemaakt. Deze zijn neergelegd in een samenwerkingsovereenkomst van 20 juni 2012 en een daarin opgenomen individueel werkplan: “1. Teneinde huur- of andere woonproblemen te voorkomen cq. op te lossen verplicht de deelnemer zich tot begeleiding. Hij is bereid samen met de hulpverlening aan de problematiek te werken die met de overlast te maken heeft. (…) 4. Ingeval er opnieuw klachten van overlast binnenkomen bij de woningcorporatie, die ten koste gaan van het woongenot van de omgeving, worden deze zo snel mogelijk door de verhuurder doorgegeven aan de case-manager. Verhuurder, de deelnemer, de case-manager en andere betrokken instanties zullen proberen deze problemen op te lossen of te verminderen. 5. Indien verhuurder en case-manager niet in staat zijn de gesignaleerde woonproblemen op te lossen cq, te verminderen, dan wordt het meldpunt Moeilijk Plaatsbaren ingeschakeld. 6. Als de deelnemer in deze periode begeleiding weigert wordt de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig beëindigd. Aan deze overeenkomst zit het volgende individueel werkplan. A. Doelstelling van dit werkplan: [appellanten] door middel van koppeling van hulpverleningsafspraken aan het huurcontract [appellanten] woonruimte te bieden met als doel overlast en andere woonproblemen te voorkomen. B. De deelnemer spreekt af: - Voor minimaal een jaar begeleiding en behandeling aan te gaan met [hulpverleningsinstantie] en de behandeldoelen en afspraken na te komen. - Bij problemen met buren of omwonenden niet zelfstandig de problemen oplossen maar zich te wenden tot de casemanager en/of [geïntimeerde] - Geen overlast te veroorzaken in welke vorm dan ook. - Aanwezig te zijn bij tussentijdse evaluaties. (…) F. Evaluaties van deze overeenkomst. Na 3 (drie) en 12 (twaalf) maanden volgt een evaluatie waarin de afspraken en doelen bijgesteld kunnen worden. Indien een van de partijen het tussentijds nodig acht, kan het meldpunt hiervoor benaderd worden. (…).” e. De samenwerkingsovereenkomst is op 12 juni 2013 verlengd voor de duur van een jaar. f. Vanaf juli 2013 heeft [appellante] tientallen brieven aan omwonenden verstuurd. In deze brieven klaagt zij met name over (geluids)overlast die zij van de betreffende omwonenden ervaart. g. Bij tussentijdse evaluatie van 26 oktober 2013 zijn de ketenpartners in overleg getreden over de woonproblematiek van [appellanten] waren niet bij deze evaluatie aanwezig. h. Uit het naar aanleiding van de evaluatie opgemaakte gespreksverslag blijkt dat de betrokken ketenpartners gezamenlijk besloten hebben om het MP-traject stop te zetten, met een “Niet Plaatsbaren advies”: “Mevrouw [appellante] had per email aangegeven dat wat haar betreft het MP is afgesloten, omdat er geen overlast zou zijn. (…) Bij de evaluatie kwam naar voren dat er geen sprake is van verbetering van de afspraken, die waren gemaakt bij de eindevaluatie. - Geen behandelplan, dit valt niet te bespreken aldus [derde] , er is minimaal en moeizaam contact met mevrouw [appellante] . De heer [appellant] is niet aanwezig bij bezoek aan huis. Cliënte heeft alleen maar klachten over derden, van enig inzicht of openheid voor behandeling is geen sprake. Daarnaast hebben cliënten aangegeven geen contact meer met [hulpverleningsinstantie] te willen, omdat de problemen niet bij hen liggen. - Er wordt geklaagd door buurman over gedrag van mevrouw [appellante] . - Cliënten zijn beiden niet aanwezig bij MP-evaluatie. - Vanuit [hulpverleningsinstantie] wordt aangegeven dat van hun kant geen invloed is op het woongedrag van cliënten, nu niet en in de toekomst ook niet. Kortom: - Cliënten houden zich wederom niet aan de afspraken van de samenwerkingsovereenkomst, deelnemende aanwezigen zien geen meerwaarde in MP-traject, omdat cliënten hieraan niet meewerken. Gezamenlijk besluit is om het MP-traject stop te zetten met Niet Plaatsbaren advies. (…).” i. Bij brief van 28 maart 2014 heeft [geïntimeerde] , onder meer, het navolgende aan [appellanten] bericht: “(…) Ik vertrouw u ermee bekend dat u beiden met betrekking tot uw vorige huurwoning aan [voormalig adres] te [plaats] zodanige bewoningsproblemen hebt veroorzaakt dat [geïntimeerde] in overleg met u, en met toepassing van het traject Meldpunt Moeilijk Plaatsbaren en de daarbij gestelde stringente voorwaarden, aan u een andere woonruimte is aangeboden en wel genoemde [adres] te [plaats] . Dit traject is gepaard gegaan met een samenwerkingsovereenkomst waarin u beiden zich verplicht om mee te werken aan een werkplan en verdere voorwaarden, waaronder de acceptatie van begeleiding en behandeling, en voorts aan de daarin te maken afspraken na te komen. U hebt uw medewerking aan het M.P.-traject toegezegd om uw woongedrag te verbeteren en om te voorkomen dat de door u veroorzaakte overlast en andere klachten en de toen bestaande huurovereenkomst door de rechter zou worden ontbonden/beeindigd, waardoor u daardoor genoodzaakt zou worden uw woning te verlaten. In de nieuwe woning [adres] is opnieuw sprake van onaanvaardbaar woongedrag en overlast van uw zijde. Verder is [geïntimeerde] van mening dat u zich niet aan de in het M.P.-traject gestelde voorwaarden hebt gehouden, zelfs is de door u veroorzaakte overlast ook in uw huidige woning blijven bestaan. Alles bijeen genomen is [geïntimeerde] van mening dat u als huurder tekort bent geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit zowel de samenwerkingsovereenkomst dd 20 juni 2012 als de huurovereenkomsten. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat u zich zowel in het verleden als in het heden niet als een goed huurder hebt gedragen. [geïntimeerde] is dan ook voornemens om de rechter te verzoeken de beëindiging/ontbinding van de huurovereenkomst uit te spreken alsmede uw veroordeling tot ontruiming van de woning. Volledigheidshalve zegt [geïntimeerde] u hierbij ook de huur op van de door u gehuurde woning [adres] te [plaats] , en wel op de grond dat u zich niet hebt gedragen zoals een goed huurder betaamt, zoals de wet in artikel 7:274 lid 1 BW dit omschrijft. Deze huuropzegging wordt hierbij gedaan tegen de beëindigingsdatum van 1 juli 2014, met aanzegging dat u beiden per genoemde datum het gehuurde in ieder geval dient te ontruimen dan wel te hebben ontruimd. (…).” j. In reactie op voornoemde brief, hebben [appellanten] bij e-mail van 30 maart 2014 bericht dat zij niet instemmen met de beëindiging van de huurovereenkomst. k. Bij brief van 8 augustus 2014 heeft [geïntimeerde] - verwijzend naar de brief van 28 maart 2014 - de huur wederom, thans tegen 1 december 2014, opgezegd op de grond dat [appellanten] zich niet hebben gedragen zoals een goed huurder betaamt (artikel 7:274 lid 1 BW). 6.2.1. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad: Primair: 1. te ontbinden, althans ontbonden te verklaren de tussen [geïntimeerde] en [appellanten] bestaande huurovereenkomst op grond van ernstige (toerekenbare) tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst, en 2. [appellanten] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak, althans binnen een nader te bepalen termijn, de woning te verlaten en te ontruimen met het hunne en de hunnen, en dit met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [geïntimeerde] te stellen, voor zoveel nodig met machtiging van [geïntimeerde] om de ontruiming zo nodig zelf op kosten van [appellanten] uit te (doen) voeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie; Subsidiair 3. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met [appellanten] rechtsgeldig is opgezegd en dat deze is geëindigd en voorts het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst is geëindigd of zal eindigen, zulks met annexe bepaling van het tijdstip van de ontruiming van de woning door [appellanten] ; en 4. met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding. 6.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellanten] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun huurdersverplichtingen, door in of rondom de woning overlast te veroorzaken en door hun afspraken zoals neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst en het hieraan gekoppelde individuele werkplan niet na te komen. Mede bezien in het licht van de omstandigheid dat de woning bij wijze van laatste kans in gebruik is verstrekt, rechtvaardigt dit tekortschieten de ontbinding dan wel opzegging van de huurovereenkomst met haar gevolgen, aldus [geïntimeerde] . Daarnaast stelt [geïntimeerde] zich - na aanvulling van gronden - op het standpunt dat [appellanten] op grond van de artikelen 6:248 jo 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet van [geïntimeerde] kunnen vergen dat zij haar verplichtingen uit de huurovereenkomst nog langer nakomt. 6.2.3. [appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Tevens hebben [appellanten] in reconventie betaling van verhuis- en ontruimingskosten gevorderd (verweer [appellante] , p. 76-77). 6.3. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] met betrekking tot de door [appellanten] gehuurde woning ontbonden. [appellanten] zijn bij dat vonnis voorts veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis de woning te verlaten en te ontruimen. [appellanten] zijn hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. 6.4. Bij vonnis van 5 januari 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellanten] om de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te verbieden afgewezen. Op 7 januari 2016 zijn [appellanten] vervolgens naar aanleiding van het bestreden vonnis door de deurwaarder uit de woning ontruimd. 6.5. [appellanten] hebben in hoger beroep acht grieven, te weten grief I tot en met V en VIII, IX en X, aangevoerd. Grieven VI en VII ontbreken. Het hof zal bij de bespreking van de grieven dezelfde nummering aanhouden als [appellanten] . [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie en in reconventie voor zoveel als rechtens noodzakelijk voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] door de huurovereenkomst ter zake de woning te ontbinden en de woning voorts te ontruimen er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst alsmede de samenwerkingsovereenkomst en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellanten] de schade die het gevolg is van de tekortkoming in de nakoming, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ontbinding en ontruiming 6.6. Het hof zal eerst de grieven I tot en met V gezamenlijk behandelen, nu deze zich richten tegen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning, ofwel de primaire vordering van [geïntimeerde] . Door middel van deze grieven betogen [appellanten] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat: - het sturen van zodanig veel brieven met belerende en intimiderende inhoud – door in ieder geval [appellante] - aan diverse omwonenden als overlast is te kwalificeren en ruimschoots de grens van het toelaatbare heeft overschreden (grieven I en II); - vaststaat dat [appellanten] geluidsoverlast hebben veroorzaakt door te schreeuwen (grief III); en - door voormeld gedrag [appellanten] de bijzondere verplichting uit de samenwerkingsovereenkomst om niet zelf contact op te nemen met omwonenden hebben geschonden (grief IV). [appellanten] voeren hiertoe aan dat zij - en met name [appellante] - zelf geluidsoverlast hebben ervaren door omwonenden. Zij hebben op voorhand melding gemaakt van overlast. Doordat vanuit de hulpverleners en [geïntimeerde] niet adequaat werd opgetreden, hebben [appellanten] er bewust voor gekozen enkel schriftelijk te communiceren met de omwonenden. Verder betwisten [appellanten] dat er sprake is van ruimschoots overschrijden van de grens van het toelaatbare en zij maken zich ook niet schuldig aan discriminatie. Volgens [appellanten] blijkt uit de verklaringen van de omwonenden niet dat aan hun zijde sprake is of was van geluidsoverlast. [appellanten] stellen dat zij niet te kort zijn geschoten in de nakoming van de uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet voortvloeiende huurdersverplichting. Voor het geval het hof van oordeel is dat er wel sprake zou zijn van een tekortkoming dan stellen [appellanten] dat er geen sprake is van een zodanige ernstige tekortkoming dat daardoor ontbinding is gerechtvaardigd (grief V). 6.7. [geïntimeerde] stelt onder meer dat het zodanig veel brieven versturen aan omwonenden - nog los van de inhoud - al als overlast is te kwalificeren. [geïntimeerde] acht het ook niet de juiste wijze om contact met de omwonenden te zoeken, nu in de samenwerkingsovereenkomst de bijzondere verplichting is opgenomen dat [appellanten] niet zelf contact mogen opnemen met omwonenden. [appellanten] hebben deze verplichting geschonden. Dat zij uit ontevredenheid over de houding van [geïntimeerde] hebben gehandeld, kan hun schending evenwel niet rechtvaardigen, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt vervolgens dat [appellanten] de samenwerkingsovereenkomst niet konden opzeggen, zolang de begeleiding nog noodzakelijk werd geoordeeld. Verder stelt [geïntimeerde] dat de huurovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst een nauw en onverbrekelijk verband vormen en wel zodanig dat sprake is van een gemengde overeenkomst waarin het begeleidingsaspect zodanig overheerst dat de dwingendrechtelijke regels van het huurrecht voor woonruimte buiten beschouwing horen te blijven, althans dat [appellanten] zich daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet behoren te kunnen beroepen. [appellanten] hebben ook overlast veroorzaakt in hun vorige woning aan de [voormalig adres] te [plaats] . Deze overlast dient ook betrokken te worden bij de beoordeling van de overlast tijdens de bewoning van de onderhavige woning, aangezien [geïntimeerde] vanuit de zorgplicht als sociale verhuurder de rechtsverhouding en de huurrelatie met [appellanten] heeft voortgezet, zij het in een andere huurwoning en onder bijzondere voorwaarden. 6.8. Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient de rechter verder rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. Bij de beoordeling of een tekortkoming voldoende ernstig is om de ontbinding van een huurovereenkomst ter zake woonruimte te ontbinden, moet de rechter het gewicht van de tekortkoming afzetten tegen het woonbelang van de huurder (HR 30 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4914). 6.9. Het hof neemt de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende samenwerkingsovereenkomst als uitgangspunt om te bezien of [appellanten] te kort zijn geschoten in de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen. [geïntimeerde] heeft aan haar primaire vordering ten grondslag gelegd dat [appellanten] op meerdere punten tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verbintenissen, te weten het veroorzaken van overlast, door het versturen van brieven aan omwonenden, en het niet nakomen van afspraken zoals neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst en het hierin opgenomen individuele werkplan en door het (eenzijdig) opzeggen/beëindigen van de samenwerkingsovereenkomst. Voor wat betreft het sturen van de brieven door [appellante] aan de omwonenden oordeelt het hof als volgt. [appellanten] erkennen dat [appellante] brieven, die naarmate het aantal vermeerderde, grimmiger werden qua inhoud, heeft gestuurd naar omwonenden vanwege geluidsoverlast dat zij en [appellant] hebben ervaren (brieven aan mevrouw [omwonende 1] , de heer [omwonende 2] en de heer [omwonende 3] ). Op grond van het in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen individuele werkplan mochten [appellanten] bij problemen met buren of omwonenden echter niet zelfstandig deze problemen oplossen maar moesten zij zich wenden tot de casemanager en/of [geïntimeerde] (art. B). Nu zij toch vanwege geluidsoverlast rechtstreeks contact hebben gezocht met buren/omwonenden zijn [appellanten] in zoverre tekort geschoten in de nakoming van hun verbintenissen voortvloeiende uit de samenwerkingsovereenkomst en derhalve ook van de daarmee samenhangende huurovereenkomst. Daarbij komt dat, anders dan [appellanten] hebben betoogd, het sturen van de hoeveelheid van de brieven en de inhoud daarvan gezien kan worden als overlast voor de omwonende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.