GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.181.450/01 arrest van 7 februari 2017 in de zaak van Villa Vredeoord B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, advocaat: mr. I. Schmohl te Rijen, tegen: 1Stichting Vieya Wooncorporatie, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, in hoger beroep niet verschenen, 2Casade Woonstichting, geïntimeerde, advocaat: mr. M. van Langeveld te Utrecht, op het bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 22 juli 2015 tussen appellante - Villa Vredeoord - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerden - Vieya en Casade - als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/292597 / HA ZA 14-953) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande verwijzingsvonnis van 17 december 2014 van de kantonrechter te Tilburg van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zaaknummer 3225274 CV EXPL 14-5662). 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 21 oktober 2015; - het op 8 december 2015 tegen Vieya verleende verstek; - de memorie van grieven van Villa Vredeoord van 16 februari 2016 met eiswijziging; - de memorie van antwoord van Casade van 29 maart 2016 met producties; - de akte tevens houdende voorwaardelijk incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv van Villa Vredeoord van 17 mei 2016 met een productie; - de antwoordakte van Casade van 14 juni 2016. Partijen hebben (in de hoofdzaak) arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1 Villa Vredeoord heeft bij memorie van grieven haar eis gewijzigd. Tegen Vieya is verstek verleend, zodat de vraag zich aandient of Villa Vredeoord deze eiswijziging op de voet van artikel 131 lid 3 Rv bij exploot aan Vieya kenbaar heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. Het hof ziet evenwel geen reden hieraan gevolgen te verbinden aangezien Vieya als gevolg van de fusie met Casade op 26 juni 2014 heeft opgehouden te bestaan (artikel 2:311 lid 1 BW). Casade heeft dit reeds in eerste aanleg gesteld (punt 2 cva/cve) en door Villa Vredeoord is het niet betwist. Haar wederpartij in deze procedure is steeds Casade, als rechtsopvolger onder algemene titel van Vieya. 4.2 In het vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank onder 3.1 een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Kortheidshalve verwijst het hof hier naar de - uitgebreide - weergave van de feiten in dit vonnis. 4.3 Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. Op 16 januari 2009 heeft Villa Vredeoord voor de duur van vijf jaar een huurovereenkomst gesloten met een rechtsvoorganger van Vieya met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Villa Vredeoord exploiteert hierin een horecaonderneming. In de huurovereenkomst is voor de huurder voor de duur van vijf jaar een koopoptie opgenomen tegen de stichtingskosten. In een allonge van 19 juli 2011 is de koopprijs vastgesteld op het bedrag van de stichtingskosten, € 2.949.109,= k.k. De huurovereenkomst bevat voor de periode na vijf jaar een eerste recht van koop. Na verder overleg tussen partijen over de aankoop van het bedrijfspand is op 8 november 2013 een koopovereenkomst gesloten tussen Vieya en Intrinsiek Plus BV, aandeelhoudster van Villa Vredeoord. De koopprijs bedroeg € 1.100.000,= exclusief btw. De koopovereenkomst bevatte een financieringsvoorbehoud. Na verlenging van de termijn daarvoor heeft Villa Vredeoord bij brief van 28 april 2014 een beroep op het financieringsvoorbehoud gedaan en de koopovereenkomst ontbonden. Deze brief bevat onder meer het volgende: U kunt ervan uitgaan dat als er ruimte is voor financiering ik onmiddellijk bij Vieya een bod zal doen: ik ken de prijs. Mijn wens tot aankoop is onverminderd nadrukkelijk aanwezig. Gezien de huidige situatie is het logisch dat Vieya gaat zoeken naar andere kopers en dat de huidige koopovereenkomst wordt ontbonden. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de hoogte van de huurprijs en over een voorkeursrecht van koop voor de huurder. De afspraken hierover zijn neergelegd in een allonge die door Vieya op 26 mei 2014 is ondertekend en door Villa Vredeoord op 28 mei 2014 (verder: de allonge van 28 mei 2014). Vieya heeft op 5 mei 2014 een koopvoorstel voor het pand gezonden aan [holding] Holding BV, die dit voorstel op 6 mei 2014 heeft aanvaard. De koopsom is hierin bepaald op € 1.100.000,= exclusief btw. Bij brief van 11 juni 2014 aan Vieya heeft Villa Vredeoord bezwaar gemaakt tegen de verkoop van het bedrijfspand aan een derde en meegedeeld dat Vieya een eventueel reeds tot stand gekomen koopovereenkomst zal moeten ontbinden. Op verzoek van Villa Vredeoord is op 17 juni 2014 conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand; dit beslag is op 7 juli 2014 door Villa Vredeoord opgeheven. Bij brief van 2 juli 2014 heeft de gemachtigde van Villa Vredeoord de partiële nietigheid van de allonge van 28 mei 2014 ingeroepen. De koopovereenkomst tussen Vieya en [holding] Holding BV is op 12 september 2014 aangevuld/gewijzigd en op die datum door Casade als rechtsopvolger onder algemene titel van Vieya geleverd aan [directeur van de holding] . 4.4 Bij dagvaarding van 1 juli 2014 heeft Villa Vredeoord de onderhavige procedure tegen Vieya en Casade aanhangig gemaakt voor de kantonrechter te Tilburg van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij vonnis van 17 december 2014 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant (team handelsrecht). De behandeling van de zaak is daar voortgezet. 4.5 In deze procedure stelt Villa Vredeoord dat Vieya jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd door het bedrijfspand na 1 mei 2014 niet aan haar te koop aan te bieden en tijdens de onderhandelingen over de allonge van 28 mei 2014 te verzwijgen dat zij inmiddels het pand had verkocht. Op grond hiervan vorderde Villa Vredeoord in eerste aanleg in conventie na eiswijziging (samengevat) een verklaring voor recht dat Vieya en Casade aansprakelijk zijn voor de door Villa Vredeoord geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, en veroordeling van Vieya en Casade tot betaling van een voorschot van € 500.000,= op die schadevergoeding. 4.6 Vieya en Casade hebben de vordering van Villa Vredeoord bestreden. In reconventie vorderden zij (samengevat) een verklaring voor recht dat de partiële vernietiging van de allonge van 28 mei 2014 zonder rechtsgevolg blijft en dat de rechtsverhouding tussen verhuurder en huurder wordt weergegeven in de huurovereenkomst van 16 januari 2009 en deze allonge, alsmede veroordeling van Villa Vredeoord tot betaling van schadevergoeding vanwege het gelegde beslag en betaling van een voorschot daarop. Villa Vredeoord heeft deze vorderingen op haar beurt bestreden. 4.7 Bij vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat in augustus 2012 vast stond dat van de koopoptie uit de overeenkomst van 16 januari 2009 geen gebruik gemaakt zou worden vanwege de daarvoor geldende koopprijs. Vervolgens is door Vieya aan de verplichting tot het eerste recht van koop gevolg gegeven en is een koopovereenkomst tot stand gekomen, die evenwel door Villa Vredeoord is ontbonden. Deze verplichting zou naar het oordeel van de rechtbank slechts herleven wanneer Vieya het bedrijfspand tegen een lagere prijs of wezenlijk minder bezwarende voorwaarden aan de derde te koop zou aanbieden, welke situatie zich niet heeft voorgedaan. Op 5 mei 2014, toen Vieya het pand aan [holding] Holding BV te koop aanbood, was de oorspronkelijke verplichting tot het eerste recht van koop vervallen en een nieuw voorkeursrecht nog niet overeengekomen. De rechtbank acht het een complicerende factor dat Vieya bij het tot stand komen van de allonge van 28 mei 2014 geen melding heeft gemaakt van de koopovereenkomst met [holding] Holding BV, maar op het voorkeursrecht dat in deze allonge is opgenomen kan Villa Vredeoord geen beroep doen nu hieraan geen terugwerkende kracht tot 1 mei 2014 kan worden toegekend. De ingangsdatum van 1 mei 2014 in de allonge van 28 mei 2014 geldt (alleen) de huurprijs en de huurperioden en Villa Vredeoord mocht onder de gegeven omstandigheden niet verwachten dat dit ook de ingangsdatum van het voorkeursrecht betrof. De rechtbank concludeert dat de vorderingen van Villa Vredeoord in conventie niet voor toewijzing in aanmerking komen. In reconventie heeft de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de overige vorderingen van Vieya en Casade afgewezen. In conventie en in reconventie zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. 4.8 Tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van Vieya en Casade in reconventie richt het hoger beroep van Villa Vredeoord zich niet. Tegen de gedeeltelijke afwijzing van de reconventionele vorderingen is niet (incidenteel) geappelleerd, zodat wat de reconventie betreft het vonnis van 22 juli 2015 in dit hoger beroep niet aan de orde is. 4.9 In hoger beroep heeft Villa Vredeoord de grondslag van haar vorderingen in conventie en de formulering ervan aangepast. Volgens Villa Vredeoord handelde Vieya in strijd met de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, met haar mededelingsplicht, met haar maatschappelijke zorgvuldigheid en met haar contractuele verplichtingen, door het bedrijfspand na 1 mei 2014 niet aan haar te koop aan te bieden en tijdens de onderhandelingen over de allonge van 28 mei 2014 te verzwijgen dat zij inmiddels het pand had verkocht. Villa Vredeoord vordert thans: I. te vernietigen het vonnis waarvan beroep, voor zover betrekking hebbend op de beslissingen in conventie; II. voor recht te verklaren dat geïntimeerde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.