GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/03754 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, en het incidenteel hoger beroep van de erven van [belanghebbende] , domicilie kiezende te [plaats] , hierna: belanghebbenden, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 juli 2016, nummer BRE 15/7017, in het geding tussen belanghebbenden, en de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbenden is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.07 over het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 262.162. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 8.644. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag en –naar het Hof verstaat- de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.2. Belanghebbenden zijn van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 66.028, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 990 en de Inspecteur gelast het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 45 aan hen te vergoeden. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. 1.4. Belanghebbenden hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 24 augustus 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , namens de belanghebbenden, bijgestaan door de gemachtigde de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] , [D] en [E] . 1.6. Belanghebbenden hebben vóór de zitting een pleitnota met bijlage toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. 1.7. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Wijlen [belanghebbende] (hierna: erflaatster), geboren [geboortedatum] 1959 en overleden op [datum] 2010, was onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met de heer [A] (hierna: de echtgenoot). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, in 1991 en in 1995. 2.2. De huwelijkse voorwaarden zijn op 8 november 1985 opgemaakt. Deze voorwaarden hielden in dat tussen de echtelieden een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestond met uitzondering van bepaalde zaken die tijdens het huwelijk werden verkregen. 2.3. Tot de gemeenschap van goederen behoorden alle aandelen in [bedrijf] B.V. (hierna: de BV). De echtgenoot heeft in 2005 zijn onderneming ingebracht in de BV. De BV heeft de echtgenoot een pensioen toegezegd. De daarmee corresponderende verplichting is door de BV in eigen beheer gehouden. De verkrijgingsprijs van voormelde aandelen is door de Inspecteur bij beschikking van 20 september 2006 vastgesteld op € 64.000. 2.4. Op 4 februari 2011 is door de belanghebbenden, namens erflaatster, de aangifte IB/PVV 2010 ingediend middels een zogenoemd F-biljet. In de aangifte is geen inkomen aangegeven. In de aangifte is geopteerd voor fiscaal partnerschap tussen erflaatster en de echtgenoot gedurende heel 2010. De definitieve aanslag IB/PVV 2010 is conform de ingediende aangifte met dagtekening 14 juni 2013 vastgesteld. 2.5. Bij brief van 15 januari 2015 heeft de Inspecteur vragen gesteld over het niet aangeven van een resultaat uit aanmerkelijk belang in verband met een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen ten gevolge van het overlijden van erflaatster. Daarop hebben belanghebbenden bij brief van 30 januari 2015 gereageerd. Tevens hebben belanghebbenden aan de Inspecteur verzocht om op grond van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel niet als een vervreemding aan te merken. 2.6. Bij brief van 4 februari 2015 heeft de Inspecteur zijn voornemen om een navorderingsaanslag IB/PVV 2010 op te leggen aan belanghebbenden kenbaar gemaakt. Belanghebbenden hebben daarop bij brief van 19 februari 2015 gereageerd en onder meer gesteld dat de Inspecteur niet over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt. 2.7. Met dagtekening 25 april 2015 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag aan belanghebbenden opgelegd. 2.8. Belanghebbenden hebben de jaarcijfers van de BV, zoals die luidden op 1 januari 2010 en 31 december 2010, overgelegd: Activa (1-1) Passiva (1-1) Materiële vaste activa € 21.225 Aandelenkapitaal € 18.000 Kapitaal maatschap € 54.525 Agio € 190.000 Vorderingen op directie € 469.341 Algemene reserves € 525.190 Liquide middelen € 240.599 Pensioenvoorziening € 23.032 Overige vorderingen € 1.934 Kortlopende schulden € 31.402 Totaal € 787.624 Totaal € 787.624 Activa (31-12) Passiva (31-12) Materiële vaste activa € 15.758 Aandelenkapitaal € 18.000 Kapitaal maatschap € 91.263 Agio € 190.000 Vorderingen op directie € 502.618 Algemene reserves € 674.214 Effecten € 96.310 Pensioenvoorziening € 27.108 Liquide middelen € 238.833 Kortlopende schulden € 36.735 Overige vorderingen € 1.275 Totaal € 946.057 Totaal € 946.057 2.9. Tot de gedingstukken behoort een niet ondertekende pensioenbrief, waarin de pensioenafspraken zijn vastgelegd, die zijn gesloten tussen de BV en de echtgenoot. De pensioeningangsdatum is de eerste dag van de maand, waarin de echtgenoot de 65-jarige leeftijd bereikt. De pensioenaanspraken bestaan uit een ouderdomspensioen dat ingaat op de pensioeningangsdatum, een nabestaandenpensioen ten behoeve van de partner dat ingaat direct na het overlijden van de echtgenoot en dat wordt uitgekeerd tot de datum van overlijden van de partner, een wezenpensioen ten behoeve van de kinderen tot de 30ste verjaardag van het kind of eerder overlijden van het kind, een nabestaandenoverbruggingspensioen, een voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid en een arbeidsongeschiktheidspensioen indien de echtgenoot langer dan twee jaar voor meer dan 35% arbeidsongeschikt is. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Mag de Inspecteur navorderen op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen? 2. Heeft de Inspecteur het vervreemdingsvoordeel, na toepassing van artikel 4.17a van de Wet IB 2001, juist vastgesteld? Belanghebbenden zijn van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Ter zitting heeft de Inspecteur de stelling dat navordering gerechtvaardigd is, omdat belanghebbenden te kwader trouw zijn, ingetrokken. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur en de navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 150.197. 4Gronden Overwegingen vooraf 4.1. De Inspecteur heeft ter zitting een nieuw standpunt verdedigd ten aanzien van de berekening van het ondernemingsvermogen van de BV als bedoeld in artikel 4.17a van de Wet IB 2001. Het Hof is van oordeel dat dit standpunt niet als zijnde tarief ter zijde moet worden gesteld. De Inspecteur heeft geen nieuwe feitelijke gegevens ingebracht, maar slechts de berekeningsmethodiek zoals die zijns inziens volgt uit artikel 4.17a van de Wet IB 2001 nader verdedigd. Het Hof gaat hierop nader in onder 4.16 hierna. Ten aanzien van het geschil Nieuw feit/ambtelijk verzuim 4.2. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Inspecteur niet over een nieuw feit beschikte, dan wel een ambtelijk verzuim heeft begaan, omdat hij de aanslag IB/PVV 2010 zonder nader onderzoek van de aangifte heeft opgelegd. 4.3. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, nr. 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181). Voorts heeft te gelden dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier, bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers, die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen, die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. Hoge Raad 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:29, BNB 2017/81 en Hoge Raad 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166). 4.4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur – gelet op de tot het dossier van erflaatster behorende aangiften over eerdere jaren - weliswaar bekend was met het feit dat erflaatster aanmerkelijkbelanghouder was in de BV en voorts dat zij was overleden in het onderhavige jaar, maar dat er geen reden bestond om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond, dat er geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang, bijvoorbeeld omdat de waarde in het economische verkeer niet hoger was dan de verkrijgingsprijs, of dat een eventueel inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte van de echtgenoot zou zijn opgenomen. Voorts is het Hof van oordeel dat – gelet op de onder 4.3 vermelde uitgangspunten – de Inspecteur niet verplicht was om de aangifte van de echtgenoot te raadplegen en ook niet verplicht was om het dossier van erflaatster bij de inspecteur belast met de heffing van de erfbelasting te raadplegen. 4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan en na ontvangst van de brief van 30 januari 2015 voor het eerst kennis nam van de meerwaarde van de aandelen en het daaruit voortvloeiende gevolg dat er mogelijk sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang. Inkomen uit aanmerkelijk belang 4.6. Aangezien de aandelen in de BV in de huwelijksgemeenschap vielen, had erflaatster een aanmerkelijk belang in de BV (Hoge Raad 10 maart 2006, nr. 38 044, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, BNB 2007/15). 4.7. Op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 (tekst 2010), wordt de overgang onder algemene titel dan wel de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel als een fictieve vervreemding aangemerkt. 4.8. Artikel 4.17a, eerste lid, van de Wet IB 2001, maakt een uitzondering op de onder 4.7 vermelde fictieve vervreemding: op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden wordt de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel niet als vervreemding aangemerkt. Het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap, blijft buiten beschouwing (tweede lid van artikel 4.17a, van de Wet IB 2001). In het zesde lid is bepaald dat voor de toepassing van dat artikel als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt: 1º. de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming, vermeerderd met: 2º. het beleggingsvermogen tot ten hoogste vijf percent van de waarde in het economische verkeer van de onder 1º bedoelde bezittingen en schulden. 4.9. Erflaatster is op [datum] 2010 overleden. Dit betekent dat op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001, sprake is van een fictieve vervreemding van 50% van de aandelen van de BV. De overdrachtsprijs wordt op grond van artikel 4.22 van de Wet IB 2001 gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Aangezien er geen balansgegevens op dat tijdstip bekend zijn, heeft de Rechtbank geoordeeld dat van een tijdsevenredige benadering moet worden uitgegaan, waarbij de waarde per 1 januari 2010 een gewicht heeft van 2/3 en de waarde per 31 december 2010 een gewicht van 1/3. Partijen hebben zich in hoger beroep daaraan geconformeerd en het Hof acht deze benadering redelijk. 4.10. Partijen zijn voorts eenparig van oordeel dat uitgegaan kan worden van de balansgegevens zoals opgenomen onder 2.8, waarbij partijen slechts verschil van mening hebben over de waarde van de pensioenverplichting, dan wel van mening verschillen over de vraag in hoeverre de liquide middelen, effecten en vorderingen op de directie tot het ondernemingsvermogen mogen worden gerekend. Partijen zijn het erover eens dat de pensioenverplichting en de daar tegenover staande bezittingen tot het ondernemingsvermogen behoren. 4.11. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de commerciële waarde van de pensioenverplichting aanzienlijk hoger is, dan de waarde van de pensioenverplichting zoals deze is opgenomen in de onder 2.8 vermelde balansen. De Inspecteur gaat – om pragmatische redenen - daar in zoverre in mee, dat hij de waarde van de pensioenverplichting (inclusief weduwen- en wezenpensioen) voor beide balansdata stelt op € 57.833 en dat op de balanswaardering een correctie van € 34.245 kan worden aangebracht. Belanghebbenden stellen dat voormelde waarde van € 57.833 uitsluitend betrekking heeft op het ouderdomspensioen en dat geen rekening is gehouden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.