Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-004296-13 Uitspraak : 13 oktober 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-811085-09 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1963, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair vrijspraak bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen die hebben geleid tot een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. Het hof verwijst met betrekking tot de inhoud van dit verweer naar pagina 2 t/m 6 van de pleitnotitie. Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat het Open Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging daar: Er onvoldoende redelijk vermoeden was om het onderzoek jegens verdachte in juli 2010 opnieuw te starten; De dwangmiddelen jegens verdachte op disproportionele wijze zijn ingezet en; [medeverdachte 3] letterlijk is gevraagd belastend te verklaren over verdachte:. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in het geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Hiervan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Met betrekking tot de vraag of er voldoende redelijk vermoeden was om het onderzoek in jegens verdachte in juli 2010 opnieuw te staren overweegt het hof het volgende: Het onderzoek naar de verdachte is te onderscheiden in twee fasen. Fase 1 betreft de periode van aanvang van het onderzoek tot ongeveer oktober 2010. Fase 2 is de periode van oktober 2010 tot het sluiten van het dossier in mei 2012 (Raamproces-verbaal Rijksrecherche p. 8) In fase 2 werd het onderzoek gesplitst in het Rijksrecherche-onderzoek dat was gericht op de strafbare gedragingen gepleegd door verdachte en een onderzoek dat met name was gericht op de strafbare gedragingen van medeverdachten, in het bijzonder [medeverdachte 1] , met name in het kader van overtredingen van de Opiumwet. (Overigens wordt elders in het Raamproces-verbaal van de rijksrecherche als beginpunt van de tweede fase een CIE proces-verbaal van 8 juli 2010 genoemd.) Het rijksrecherche onderzoek had de naam Ob. Het druggerelateerde onderzoek de naam Atlas. In fase 1 kwam er in 2009 en in de eerste maanden van 2010 een aanzienlijke hoeveelheid CIE-informatie binnen met betrekking tot verdachte, waaronder de volgende berichten: Proces-verbaal 11 mei 2009: De in Tilburg werkende politieman [verdachte] verstrekt al een groot aantal jaren politie-informatie aan verschillende criminelen van Turkse afkomst. Hij verstrekt o.a. aan [naam 1] , [medeverdachte 1] en [naam 2] . Voor het verstrekken van de politie-informatie krijgt hij aanzienlijke geldbedragen. Proces-verbaal 6 augustus 2009: De politieman [verdachte] komt regelmatig in café “ [naam cafë] ” aan de [plaats] te Tilburg. [voornaam verdachte] heeft hier contact met diverse Turkse criminelen die zich bezig houden me de handel in verdovende middelen. (..) [verdachte] vertrekt politie informatie aan deze crimineel actieve personen o.a. met betrekking tot hennepkwekerijen. Proces-verbaal 23 september 2009: De politieagent [verdachte] woont in een zijstraat van de [straatnaam] in Tilburg. Enige tijd geleden heeft hij het huis van zijn directe buren gekocht. In het aangekochte huis heeft [voornaam verdachte] sinds 6 maanden een hennepkwekerij. Proces-verbaal 23 september 2009: Een Tilburgse politieman, [voornaam verdachte] genaamd, is corrupt. Hij perst mensen die een weekkwekerij hebben af. Hij gaat naar deze mensen toe en dreigt met het feit dat hij zal zorgen dat de kwekerij door de politie geruimd wordt als men hem niet betaalt. Proces-verbaal 7 april 2010: Bij de politie in Tilburg werken een tweetal Turkse politiemannen die corrupt zijn. [voornaam verdachte] en (..) verstrekken regelmatig vertrouwelijke politie-informatie aan de Turkse weedhandelaar [naam 3] in Tilburg. Proces-verbaal 1 juli 2010: Een Turkse politieman uit Tilburg, genaamd [voornaam verdachte] , geeft informatie door over lopende onderzoeken. Hij doet dit aan de criminele drugsorganisatie van [naam 4] en [naam 5] . Ook stelt hij ze in kennis als er telefoontaps lopen. [voornaam verdachte] is ongeveer 48 jaar en is rechercheur bij de politie in Tilburg. [naam 4] en [voornaam verdachte] kennen elkaar al heel lang en hebben vroeger bij elkaar op school gezeten. Proces-verbaal van 8 juli 2010: [verdachte] speelt tegen betaling politie-informatie door aan onder meer [naam 1] , [medeverdachte 1] en [naam 6] . [naam 1] en [medeverdachte 1] worden met enige regelmaat thuis bezocht door [voornaam verdachte] . Om [naam 6] van informatie te voorzien maakt [voornaam verdachte] gebruik van zijn broer [naam broer] . Deze laatstgenoemde fungeert dan als tussenpersoon. Verder maakt [voornaam verdachte] gebruik van een buschauffeur, [naam 7] genaamd, [voornaam verdachte] stapt dan op lijn 3 en gaat dan achter [naam 7] zitten en geeft dan vervolgens informatie door. Proces-verbaal 7 september 2010: [medeverdachte 1] betaalt regelmatig een geldbedrag aan een politieman om politie-informatie te krijgen. Naast deze informatie die uit de CIE processen-verbaal voortvloeide en rechtstreeks betrekking hadden op [verdachte] , waren er in de eerste fase van het onderzoek ook andere feiten en omstandigheden die deze verdenking versterkten. Verwezen zij bijvoorbeeld naar de observatie in september 2009 dat verdachte in de brandgang naast zijn woning een gesprek had met ene [naam 8] , over wie via de thematische recherche aan het onderzoeksteam was meegedeeld dat deze [naam 8] informatie zou krijgen over acties van de politie met betrekking tot het opsporen en ontmantelen van hennepkwekerijen, alsook naar het tapgesprek op 12 mei 2010 waarbij tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verdachtes voornaam werd genoemd, in combinatie met de benaming “kutwous”. De omstandigheid dat niet van alle voornoemde binnengekomen CIE-informatie een oordeel over de betrouwbaarheid ervan kon worden gegeven, doet aan de verdenking jegens verdachte die uit deze berichten voortvloeide niet af, nu de inhoud van die betreffende CIE-informatie naar het oordeel van het hof voldoende concreet is en geheel of gedeeltelijk steun vindt in de wel als betrouwbaar geoordeelde CIE-informatie Een voortdurende stroom van informatie bereikte het onderzoeksteam waaruit naar voren kwam dat verdachte inlichtingen zou doorspelen aan criminelen. Overigens kwam er ook elders vanuit het land informatie via CIE processen-verbaal dat een Tilburgse Turkse politieman corrupt zou zijn en betaald zou krijgen voor het verstrekken van informatie aan drugscriminelen (p. 26 Raamproces-verbaal OB). Onder die omstandigheden was er naar het oordeel van het hof ten tijde van de doorstart van het onderzoek (fase 2), een voldoende verdenking tegen verdachte om hiernaar (verder) strafrechtelijk onderzoek te verrichten. Het hof overweegt daarbij dat, anders dan de raadsvrouwe lijkt te veronderstellen, geen rechtsregel zich ertegen verzet dat “oude” CIE-informatie mede wordt gebruikt bij het formuleren van een verdenking. Voorts doet daaraan niet af, dat er in 2005 reeds eerder een onderzoek naar verdachte had gelopen met soortgelijke verdenkingen waar op dat moment geen aanknopingspunten voor strafbaar handelen uit konden worden afgeleid. De verdediging heeft op verschillende punten betoogd dat de binnengekomen CIE-informatie en de overige feiten en omstandigheden op onderdelen mogelijke onjuistheden of tegenstrijdigheden bevatten, alsmede dat deze ieder op zichzelf onvoldoende zijn voor een verdenking tegen verdachte. Het hof overweegt daaromtrent dat de binnengekomen CIE-informatie en de overige verdacht makende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd en aldus een voldoende verdenking jegens verdachte opleverden. Het hof verwerpt daarom het verweer tot niet-ontvankelijkheid op die grond. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat het onderzoek disproportioneel en niet-subsidiair is geweest, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden, overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie, mede gelet op de ernst van het feit waarvan verdachte werd verdacht, telkens op goede gronden geoordeeld dat het onderzoek dringend vorderde dat de verschillende bijzondere opsporingsmethoden dienden te worden ingezet. Daarbij geldt dat de inzet van de dwangmiddelen en het verlengen daarvan ook aan de rechter-commissaris ter toetsing is voorgelegd. Tevens heeft het hof in de overwegingen betrokken dat ook lopende het onderzoek CIE-informatie bleef binnenkomen over het handelen van verdachte: Proces-verbaal 3 februari 2011: [medeverdachte 1] (tegen wie toentertijd een onderzoek wegens overtredingen van de Opiumwet liep) en [verdachte] gaan met hun vrouwen regelmatig eten bij restaurant [naam restaurant] in Tilburg. Proces-verbaal 1 februari 2011: [verdachte] heeft kontakten met diverse weedcriminelen en is genegen om tegen betaling informatie te verschaffen. [voornaam verdachte] ontvangt geld voor het in de gaten houden van hennepkwekerijen en het verschaffen van informatie indien uit politiesystemen blijkt dat er iets over de adressen waar deze hennepkwekerijen zitten, bekend is/wordt. [voornaam verdachte] ontvangt voor meerdere locaties geldelijke bedragen. [voornaam verdachte] heeft op zijn computer meerdere adressen staan die hij in de gaten houdt. Proces-verbaal van 12 mei 2011: [voornaam verdachte] komt weer regelmatig in café “ [naam cafë] ”. Hij praat daar met Turkse mannen die in het weedmilieu bekend zijn. Proces-verbaal van 12 juli 2011: [voornaam verdachte] denkt dat de politie een onderzoek tegen hem begonnen is. Hij houdt zich daarom rustig en vermijdt contacten met bepaalde personen. Proces-verbaal van 6 oktober 2011: [voornaam verdachte] , een Tilburgse politieman, geeft informatie door aan criminele organisaties. Hij krijgt voor elke tip honderden euro’s. [voornaam verdachte] waarschuwt deze organisaties middels het versturen van een sms-bericht naar een tussenpersoon, waarbij hij gebruik maakt van bedekte termen, zoals bij voorbeeld over het weer. In relatie tot een recente politie-inval in Alphen heeft [voornaam verdachte] een sms-bericht verstuurd aan een tussenpersoon van die organisatie, die eigenaar was van de betreffende kwekerij. Hij verstuurde daarbij de tekst: “Het wordt zwaar weer bij jullie.”, of woorden van gelijke strekking. Uit deze CIE informatie komt tevens naar voren dat verdachte op enig moment op de hoogte was van het lopende onderzoek (12 juli 2011) waardoor hij ongetwijfeld extra op zijn hoede was. Tevens rechtvaardigen de onderzoeksresultaten dat de toepassing van reeds ingezette dwangmiddelen werden voortgezet. Het hof is dan ook van oordeel dat de aard en omvang van de verdenking de inzet van de verschillende middelen ook rechtvaardigde. Bij de aard van de verdenking heeft het hof met name het eminente belang van een integer en betrouwbaar politieorganisatie in zijn overwegingen betrokken. Als derde punt in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de verdediging aangevoerd dat [medeverdachte 3] door de politie zou zijn benaderd teneinde belastend over verdachte te verklaren. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij zou worden vrijgelaten als hij zou verklaren dat verdachte corrupt was, geen steun vindt in het dossier. Het hof acht genoemde verklaring ongeloofwaardig. Naar het oordeel van het hof is deze stelling van de verdediging onvoldoende aannemelijk geworden. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat de wijze van vertalen van de OVC- en tapgesprekken onzorgvuldig is geweest. In de pleitnota van de raadsvrouwe (p. 6) is opgenomen dat de gesprekken laat werden uitgewerkt en vertaald. Zij voert aan: “Het belangrijkste gesprek van 21 september 2011 werd pas op 5 oktober 2011 voor het eerst uitgewerkt. Op 6 oktober 2011 werd het gesprek vervolgens voor het eerst vertaald door tolk 04, op 20 oktober 2011 door tolk 03 en dan op 24 november nogmaals door tolk 03. Hetzelfde geldt voor de gesprekken d.d. 15 juli 2011 met [medeverdachte 3] . Het hof overweegt dat hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent heeft aangevoerd de conclusie dat van onzorgvuldigheden sprake is geweest niet kan dragen. Het feit dat in groot onderzoek het enige weken duurt voor een gesprek uitgewerkt en vertaald kan worden acht het hof begrijpelijk en een dergelijke termijn acht het hof voorts zeer aanvaardbaar. Ook het feit dat een gesprek door meerdere tolken wordt uitgeluisterd en vertaald duidt naar het oordeel van het hof eerder op zorgvuldigheid dan op onzorgvuldigheid van de leiders van het opsporingsonderzoek. Voor zover de raadsvrouwe tenslotte de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft bepleit ter zake van het onder 4 ten laste gelegde, overweegt het hof als volgt. Naar het hof de raadsvrouwe begrijpt, beroept verdachte zich op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat “bij niemand wordt gehandhaafd behalve bij verdachte”. Het hof is evenwel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij de vervolging van verdachte ter zake van het aantreffen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Hetgeen daartoe door de raadsvrouwe is aangevoerd, acht het hof onvoldoende in die zin dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat “bij niemand wordt gehandhaafd behalve bij verdachte” en er derhalve sprake zou zijn van willekeur in de vervolging. Het hof is ambtshalve bekend dat het vervolgen van het aanwezig hebben van op vuurwapens gelijke voorwerpen die in het kader van strafrechtelijke onderzoeken worden aangetroffen gangbare praktijk is en de vervolging van verdachte derhalve geen uitzondering inhoudt. Mitsdien wordt ook dit verweer verworpen. Gelet op al het vorenstaande acht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Mitsdien wordt het andersluidende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is door de raadsvrouwe een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van een tweetal getuigen. Het zou daarbij gaan om meerderen van verdachte, te weten de heren [naam 9] en [naam 10] , die zouden kunnen verklaren over de vraag of verdachte de gesprekken die hij zou hebben gevoerd met [medeverdachte 3] op 17 en 19 juli 2011 aan deze personen heeft gemeld. Het hof wijst het verzoek af, aangezien naar ’s hofs oordeel de noodzaak tot het horen van beide getuigen niet is gebleken. Het antwoord op genoemde vraag acht het hof niet relevant voor enige met betrekking tot de ten laste gelegde feiten te nemen beslissing, noch noodzakelijk met de oog op de volledigheid van het onderzoek. Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en dus is de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet gebleken. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 november 2011 te Tilburg en/of elders in Nederland, als ambtenaar een gift of belofte dan wel een dienst, te weten: - een etentje en/of een avondje uit in restaurant/uitgaansgelegenheid [naam restaurant] , heeft aangenomen, althans een of meer consumpties in restaurant/uitgaansgelegenheid [naam restaurant] heeft aangenomen, wetend of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte gedaan, verleend of aangeboden werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening was gedaan of nagelaten; en/of - ( een) geldbedrag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.