GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 19 oktober 2017 Zaaknummer : 200.223.071/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/239542 / JE RK 17-1890 in de zaak in hoger beroep van: [de minderjarige] , thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp Horizon te [verblijfplaats] , appellante, hierna te noemen: [de minderjarige] , advocaat: mr. H.C. Ingelse, tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kerkrade, zetelend te Kerkrade, verweerster, hierna te noemen: het college, advocaat: mr. F.H. Kuiper. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [belanghebbende 1] (hierna te noemen: de vader); - [belanghebbende 2] (hierna te noemen: de moeder). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 september 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 september 2017, heeft [de minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van het college alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 september 2017, heeft het college verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, [de minderjarige] niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep althans dit beroep af te wijzen, met bekrachtiging van voormelde beschikking. Zo nodig onder verbetering van rechtsgronden. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [de minderjarige] , bijgestaan door mr. Ingelse; - het college, vertegenwoordigd door de heer [de vertegenwoordiger namens het college] en bijgestaan door mr. Kuiper. 2.3.1. De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen, zoals voorafgaand was aangekondigd. 2.3.2. Bij brief van 26 september 2017 heeft mr. Ingelse verzocht om [de minderjarige] voorafgaand aan de zitting van het hof te horen. Ter zitting heeft de voorzitter [de minderjarige] voorgehouden dat het hof heeft begrepen dat dit verzoek was gedaan om [de minderjarige] in de gelegenheid te stellen om in afwezigheid van de ouders haar verhaal te kunnen doen, hetgeen [de minderjarige] heeft bevestigd. De voorzitter heeft [de minderjarige] vervolgens medegedeeld dat het hof voor inwilliging van dit verzoek in het onderhavige geval, gezien de afwezigheid van de ouders ter zitting, geen aanleiding ziet. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 september 2017; het V6-formulier met bijlagen van mr. Ingelse d.d. 22 september 2017; de brief met één bijlage van mr. Ingelse d.d. 26 september 2017; de brief met bijlagen van mr. Kuiper d.d. 27 september 2017; de ter zitting door mr. Ingelse overgelegde pleitnota, die mr. Ingelse gedeeltelijk heeft voorgedragen, namelijk met uitzondering van de alinea’s met nummers 1, 4 en 13. 3De beoordeling 3.1. [de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] . De ouders zijn met het gezag over [de minderjarige] belast. 3.2. Bij beschikking van 10 mei 2017, bij beschikking van 24 mei 2017 en bij beschikking van 2 juni 2017 is ten aanzien van [de minderjarige] steeds een (spoed)machtiging tot gesloten jeugdhulp verleend, laatstelijk tot 7 september 2017. 3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend om [de minderjarige] met ingang van 7 september 2017 tot uiterlijk 3 december 2017 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. 3.4. Aanvankelijk verbleef [de minderjarige] bij Icarus te [verblijfplaats] . Op 18 augustus 2017 is [de minderjarige] overgeplaatst naar Horizon, locatie [locatie] , te [verblijfplaats] . 3.5. [de minderjarige] kan zich met de voornoemde bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6. [de minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld bij brief van 22 september 2017, overgelegd bij voormeld V6-formulier van 22 september 2017 en zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. Het college heeft het verzoek tot verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp verzonden op 2 augustus 2017. Dit betekent dat het verzoek op 3 of 4 augustus 2017 bij de rechtbank moet zijn ingediend. Door de griffie van de rechtbank is pas op 15 augustus 2017 de stempel “ingekomen” gezet. Het is niet aannemelijk dat het verzoek pas op die datum is binnengekomen. De bijlagen bij het verzoek zijn weliswaar van een latere datum, maar dat wordt verklaard door het feit dat die bijlagen later zijn verzonden. De kinderrechter had blijkens de wet in ieder geval binnen drie weken na de indiening van het verzoekschrift op het verzoek moeten beslissen, maar heeft dit pas op 4 september 2017 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gedaan. De door de rechtbank genomen beslissing is daarom niet rechtsgeldig. [de minderjarige] en [de vriend] zijn verliefd op elkaar. [de minderjarige] wil graag een leven opbouwen met [de vriend] , haar school afmaken en een normaal contact hebben met haar ouders. Ten onrechte wordt [de minderjarige] gezien als de bron van de problemen. Het zijn de ouders die het contact met [de vriend] verboden hebben. De ouders accepteren [de vriend] niet, enkel op grond van het feit dat hij een ‘buitenlander’ is. Dit moet worden meegewogen. [de minderjarige] betwist al hetgeen de ouders over [de vriend] hebben verklaard, in het bijzonder dat hij een loverboy zou zijn en dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedreiging, verkrachting en mishandeling. De blauwe plekken bij [de minderjarige] zijn op onverklaarbare wijze ontstaan, hetgeen [de minderjarige] ook zo met haar ouders en dokter heeft besproken. Er is geen sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, althans niet van zodanige problemen dat deze de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. De rechtbank heeft ten onrechte systeemproblematiek ten grondslag gelegd aan de toewijzing van het verzoek van het college. Deze grondslag blijkt niet uit de onderliggende stukken. In de stukken wordt verwezen naar geruchten over [de vriend] , de omgang tussen [de minderjarige] en [de vriend] , de reactie van [de minderjarige] op de vrijheidsbeneming en het verbod om met [de vriend] om te gaan. Aan [de minderjarige] worden allerlei eisen gesteld en als zij daar niet aan voldoet, als zij haar boosheid uit over haar onterechte opsluiting of als zij de zorgen over [de vriend] wil wegnemen, wordt dit geïnterpreteerd als problematiek, bagatelliseren, ontkennen, wegloopgedrag en onttrekking aan het gezag. Goed gedrag van [de minderjarige] wordt gezien als sociaal wenselijk gedrag. [de minderjarige] betwist dat bij haar de diagnose ‘angststoornis NAO’ of ‘ouder-kindrelatieproblematiek’ is vastgesteld. De rechtbank heeft bovendien op onjuiste gronden vastgesteld dat [de minderjarige] (nog altijd) last heeft van agressieregulatieproblemen. In dit kader wordt ten onrechte verwezen naar het incident met het bekertje water. [de minderjarige] heeft zich, ondanks haar situatie, al maanden rustig gehouden. Ook de weigering van [de minderjarige] om zich te onderwerpen aan het gezag van de ouders en aan de voorwaarden van het veiligheidsplan (nadat [de minderjarige] door de ouders was voorgelogen over [de vriend] ), kan niet worden gekwalificeerd als een ernstig opgroei- of opvoedingsprobleem. Ter zitting van het hof wordt door het college gesteld dat gewerkt moet worden aan het loskomen van de afhankelijkheidsrelatie, hetgeen weer een nieuw argument is. Er is geen behandeling van de gestelde problematiek in het vooruitzicht gesteld. De overplaatsing naar [verblijfplaats] in een groep met slachtoffers van loverboypraktijken was om het contact tussen [de minderjarige] en [de vriend] in de weg te staan. [de minderjarige] staat tot haar achttiende open voor hulpverlening, maar dan moet dat wel passend zijn. Gesloten jeugdhulp is noodzakelijk noch passend. [de minderjarige] ziet niet in waarom zij niet bijvoorbeeld in een pleeggezin of open groep geplaatst had kunnen worden. Enkel de verwachting dat zij bij gesloten jeugdhulp gebaat zou zijn, is onvoldoende grond om de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen. De overheid dient op grond van artikel 3 lid 2 IVRK de jeugdige te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn en hiertoe alle passende maatregelen te nemen, waaraan op dit moment niet wordt voldaan. Onderzoek dient plaats te vinden naar de schadelijke gevolgen van de vrijheidsbeneming, dit om te bepalen of deze opwegen tegen te behalen winst. Voortzetting van het verblijf van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is schadelijk omdat [de minderjarige] dan haar opleiding niet verder kan volgen. Dit kan betekenen dat zij het schooljaar 2017/2018 opnieuw moet doen, of dat zij haar opleiding helemaal niet meer afrondt. De vrijheidsbeneming is voorts in strijd met artikel 37 sub b IVRK en artikel 5 EVRM. De inbreuk in [de minderjarige] ’s privéleven is in strijd met artikel 16 IVRK en artikel 8 EVRM. Subsidiair geldt dat de rechtbank slechts een machtiging voor ten hoogste drie weken had behoren af te geven, dit om een eerder toetsingsmoment in te lassen. Nu lijkt men de gesloten jeugdhulp enkel te willen voortzetten, omdat [de minderjarige] nu eenmaal al gesloten zit. Ten slotte voert [de minderjarige] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen grond is om [de vriend] te horen en dat de rechtbank haar beslissing ter zake mede heeft gebaseerd op e-mailberichten van de ouders van 23 augustus 2017 en 1 september 2017, waarvan [de minderjarige] geen kennis heeft gekregen. Grief 1 heeft [de minderjarige] ter zitting niet gehandhaafd, zodat die grief geen bespreking meer behoeft. 3.7. Het college voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. Reeds uit de bijlagen, die volgens het verzoekschrift gelijktijdig met het verzoekschrift zijn ingediend, blijkt dat het verzoek niet op 2 augustus 2017 is verstuurd. Bijlage 6 dateert namelijk van 8 augustus, de bijlagen 2 en 3 zijn niet eerder verzonden dan 9 augustus en bijlage 4 niet eerder dan 10 augustus 2017. Doorslaggevend is evenwel de stempel van de griffie met de datum van binnenkomst, zodat niet van belang is op welke datum het verzoek is verstuurd. Het verzoek is binnen de gemeente op 2 augustus 2017 administratief verwerkt, maar feitelijk pas op donderdag 10 augustus 2017 verstuurd. Gelet op de beperkte postverwerking en -bezorging op vrijdag(ochtend), in het weekend en op maandag, is het aannemelijk dat het verzoek pas op dinsdag 15 augustus 2017 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen. In februari 2017 is door gezondheidszorgpsycholoog en kind- en jeugdpsycholoog mevrouw [gezondheidszorgpsycholoog en kind- en jeugdpsycholoog] (Moventis) de diagnose angststoornis en ouder-kindrelatieproblematiek, alsmede agressieregulatieproblematiek gesteld, welke problematiek nog onverminderd aanwezig is. De gestelde diagnose wordt gedragen door meerdere deskundigen. [de minderjarige] blijft haar eigen verantwoordelijkheid ontkennen door de schuld van haar gedrag bij haar ouders en hulpverleners te leggen. [de minderjarige] laat aangaande haar relatie met [de vriend] zeer vergaand zelfbepalend gedrag zien. Zij aanvaart het gezag van de ouders niet en zij vertoont vergaand oppositioneel gedrag. Hulpverlening wil [de minderjarige] alleen accepteren als dat in haar ogen passend is. Waar het volgens [de minderjarige] allemaal om draait is dat de ouders niet willen wat zij wil. Daarnaast is er sprake van wegloopgedrag en onvoldoende vermogen om tot zelfreflectie te komen. Bij Icarus werd gezien dat [de minderjarige] “schreeuwt, scheldt, om zich heen slaat, spuugt en zeer bedreigende opmerkingen naar de groepsleiding maakt wanneer gesproken wordt over de zorgen over de relatie met [de vriend].” Volgens drs. [registerpsycholoog kinder en jeugd] , Registerpsycholoog Kinder en Jeugd, – zie diens instemmingsverklaring d.d. 9 augustus 2017 – is zorgwekkend dat [de minderjarige] haar eigen identiteit afhankelijk maakt van een relatie die niet in balans is. Tegenover medewerkers van Icarus heeft [de minderjarige] , in een periode dat er weinig contact was met [de vriend] , gesproken over hetgeen zij heeft meegemaakt tijdens haar relatie met hem. Daarbij sprak zij over agressie, angst en onvrijwilligheid en heeft zij besloten om aangifte te doen van mishandeling door hem. Inmiddels tracht zij deze mishandeling weer goed te praten, althans te bagatelliseren. De rechtbank heeft naar de mening van het college terecht en gemotiveerd overwogen dat en waarom een minder vergaande maatregel niet langer toereikend is en dat het een consequentie is van haar eigen houding en gedrag dat [de minderjarige] haar opleiding nu niet kan volgen, alsmede dat in verband met haar ontwikkeling een verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp nu voorrang dient te hebben op het volgen van een gewenste opleiding. [de minderjarige] heeft genoeg kansen gehad om in een open groep aan de problemen te werken. Er is veel energie gestoken in het opstarten van een adequate behandeling, waarvoor diverse behandelplannen zijn opgesteld die telkens moesten worden bijgesteld, omdat [de minderjarige] zich niet aan de afspraken hield. Vele toetsingsmomenten hebben al plaatsgevonden, zodat het inlassen door de rechtbank van een extra toetsingsmoment geen toegevoegde waarde zou hebben gehad. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [de vriend] een loverboy is. De behandeling bij Horizon is echter gericht op het loskomen van de zorgwekkende afhankelijkheidsrelatie waarin [de minderjarige] zich bevindt. Vanwege de zorgen daarover, in combinatie met het feit dat [de vriend] [de minderjarige] bleef opzoeken bij Icarus, heeft men besloten tot een plaatsing van [de minderjarige] bij Horizon over te gaan. Recent is een nieuw voorlopig plan opgesteld door Horizon, met de uitvoering waarvan men onmiddellijk is gestart. Horizon heeft een compleet behandelpakket ingezet waarbij, gezien de beperkte tijd die resteert tot het einde van het gesloten verblijf, de nadruk is gelegd op de meest essentiële elementen. Het doel is [de minderjarige] meer inzicht te geven, haar te leren op eigen benen te staan en haar technieken aan te leren om met vrijheden om te gaan en eigen doelen te verwezenlijken. [de minderjarige] geeft nu aan zichzelf voortaan op de eerste plaats te zetten en vooral te willen werken aan het op eigen benen staan, maar het college heeft een ander beeld van de realiteit. Op 13 september 2017 heeft [de minderjarige] nog een klacht ingediend vanwege het feit dat zij [de vriend] niet mocht zien. De rechtbank was vrij om te bepalen of zij [de vriend] wenste te horen. Uit de bestreden beschikking blijkt voorts niet dat de e-mailberichten van de ouders een rol hebben gespeeld in de besluitvorming. 3.8. Het hof overweegt het volgende. Formele aspecten 3.8.1. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Hoger beroep [de minderjarige] 3.8.2. Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [de minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe. Instemming ouders 3.8.3. Een machtiging als hiervoor bedoeld kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.