GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 2 november 2017 Zaaknummer : 200.224.139/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/239827 / JE RK 17-1946 C/03/239829 / JE RK 17-1947 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , voorheen verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp Stichting Jeugdzorg St. Joseph – Icarus, inmiddels verblijvende te [verblijfplaats] (Kroatië), appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. J. Schepers, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , verweerder, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - de heer [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader), wonende te [woonplaats] (Kroatië); - de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, vestiging [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de GI). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2017, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van (naar het hof begrijpt:) de raad tot het verlenen van een machtiging om [appellant] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp te doen opnemen alsmede het verzoek tot ondertoezichtstelling van [appellant] , alsnog af te wijzen. Ter zitting is namens [appellant] verklaard dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de machtiging gesloten jeugdhulp. 2.2. Er is geen verweerschrift ingekomen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - namens [appellant] : mr. Schepers; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] . De vader, die tijdig kennis heeft gekregen van de oproep voor deze mondelinge behandeling, is niet verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de op 13 oktober 2017 ingekomen brief van de advocaat van [appellant] van diezelfde datum; de op 17 oktober 2017 ingekomen brief van de GI van 16 oktober 2017 met bijlagen; het op 18 oktober 2017 ingekomen raadsrapport van 24 augustus 2017 dat op verzoek van het hof door de raad is toegezonden. 3De feiten 3.1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (Kroatië). [appellant] heeft een Roma-achtergrond. 3.2. De vader heeft het ouderlijk gezag over [appellant] . De stukken van de raad en die van de GI vermelden dat niet met zekerheid is vast te stellen wie de moeder van [appellant] is. 3.3. Op 23/24 mei 2017 is [appellant] door de politie Maastricht aangehouden wegens verdenking van betrokkenheid bij twee woninginbraken, gepleegd op 23 mei 2017. Hij heeft een periode in voorlopige hechtenis doorgebracht. Op de strafzitting van 17 augustus 2017 is [appellant] veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 76 dagen (een straf conform het voorarrest). 3.4. Bij beschikking van 29 mei 2017 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, [appellant] (zich destijds nog noemende [andere naam van appellant] ) onder voorlopige voogdij gesteld van de GI voor de periode tot 29 augustus 2017. 3.5. Bij beschikking van 13 juli 2017 heeft de rechtbank de GI, op haar verzoek, machtiging verleend om [appellant] met ingang van 13 juli 2017 tot uiterlijk 29 augustus 2017 te doen opnemen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. 3.6. Op 23 augustus 2017 heeft het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten een verleningsbeschikking gegeven. 3.7. Bij de bestreden beschikking van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, een ondertoezichtstelling uitgesproken voor de periode tot 29 november 2017 en een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot uiterlijk 29 november 2017. 3.8. [appellant] heeft van 7 augustus 2017 tot 16 oktober 2017 op basis van voornoemde machtigingen verbleven in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp Stichting Jeugdzorg St. Joseph – Icarus, te [vestigingsplaats] . 3.9. Nadat de raad zich op 6 oktober 2017 schriftelijk akkoord had verklaard met het voornemen van de GI tot tussentijdse beëindiging van de uithuisplaatsing en na daarop volgend telefonisch contact tussen de GI en de vader op 11 oktober 2017, is [appellant] op 16 oktober 2017 overgedragen aan de vader. Die dag is [appellant] met de vader naar Kroatië afgereisd. 4De beoordeling 4.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, [appellant] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 augustus 2017 tot 29 november 2017, alsmede voor diezelfde periode een machtiging gesloten jeugdhulp ten aanzien van [appellant] verleend. 4.2. [appellant] is met drie grieven van deze beschikking in hoger beroep gekomen. 4.3. Gelet op het internationale karakter van de zaak dient allereerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te worden beoordeeld. 4.4. Ingevolge artikel 8 van de ten deze toepasselijke Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis), zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend. 4.5. De vraag is in welk land [appellant] ten tijde van indiening van het inleidend verzoek van de raad op 24 augustus 2017 zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 8 Brussel II-bis had. Het hof overweegt in dit kader als volgt. Uit de stukken komt naar voren dat [appellant] voorafgaande aan zijn aanhouding door de politie op 23/24 mei 2017 een min of meer zwervend bestaan buiten Nederland heeft geleid. Volgens het raadsrapport van 24 augustus 2017 heeft [appellant] aangegeven dat zijn ouders in Kroatië wonen en dat hijzelf bij zijn oma (vaderszijde) woont met wie hij in een camper rondreist. Voorts heeft [appellant] volgens het raadsrapport op de gecombineerde straf-/civiele zitting bij de rechtbank verklaard dat hij nooit naar school is geweest, dat hij nauwelijks kan lezen en schrijven, dat hij bij zijn oma is opgegroeid en dat zij deel uitmaken van een rondtrekkend Roma-gezelschap. Ook de vader heeft, zo volgt uit het raadsrapport, (schriftelijk) verklaard dat [appellant] van jongs af aan bij zijn oma heeft verbleven. In het beroepschrift wordt vermeld dat sprake was van een enigszins zwervend bestaan. Voorts blijkt uit het raadsrapport dat [appellant] in 2016 in Frankrijk is veroordeeld tot acht dagen hechtenis. Ook blijkt uit het raadsrapport dat hij tijdens een gesprek met de raad heeft gevraagd om een Italiaanse tolk, omdat hij aangaf Italiaans te spreken. In de briefrapportage van 23 augustus 2017 stelt de GI zich de vraag of [appellant] daadwerkelijk voor langere tijd in Kroatië gevestigd is geweest of dat hij met een groep volwassenen door Europa reist, aangezien naar voren is gekomen dat [appellant] nooit naar school is geweest en slechts gebrekkig Kroatisch spreekt. De instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper maakt melding van een verzoekschrift van de GI van 28 juni 2017, waarin wordt vermeld dat [appellant] vanuit Italië naar Nederland zou zijn gekomen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is vast te stellen waar [appellant] ten tijde van de indiening van het inleidend gedingstuk zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 8 Brussel II-bis had. Het feit dat [appellant] (volgens het overgelegde afschrift van de op zijn naam gestelde identiteitskaart) Kroatisch staatsburger is en officieel staat ingeschreven op het adres bij de vader in Kroatië, maakt het oordeel niet anders. 4.6. Volgens artikel 13 lid 1 Brussel II-bis zijn in een geval waarin de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld en de bevoegdheid niet kan worden bepaald op basis van artikel 12 Brussel II-bis, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt. [appellant] bevond zich ten tijde van indiening van het inleidend verzoek op Nederlands grondgebied, terwijl van prorogatie van rechtsmacht in de zin van artikel 12 Brussel II-bis geen sprake is. Daarmee komt de Nederlandse rechter in dit geval krachtens artikel 13 lid 1 Brussel II-bis bevoegdheid toe. 4.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands recht van toepassing. 4.8. Op grond van artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: voor [appellant] jeugdhulp noodzakelijk was in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en de opneming en het verblijf noodzakelijk waren om te voorkomen dat [appellant] zich aan deze jeugdhulp zou onttrekken of daaraan door anderen zou worden onttrokken. 4.9. Een machtiging gesloten jeugdhulp kan, gelet op artikel 6.1.2 lid 3 Jw, bovendien slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.