GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.145.198/01 arrest van 7 november 2017 in de zaak van [de vennootschap 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: [de vennootschap 1] , advocaat: mr. J.G.M. Stassen te Enschede, tegen [de vennootschap 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, na splitsing voortgezet door:
(10)werkdagen na ondertekening van de koopovereenkomst, op afspraak, een gezamenlijke inspectie uitvoeren. Eventueel resterende gebreken op datum levering worden in onderling overleg gewaardeerd en worden in mindering gebracht op de koopprijs. Niet gesteld of gebleken is dat [geintimeerden c.s.] geweigerd heeft om mee te werken aan een gezamenlijke inspectie zoals bedoeld in voormeld artikel 16 lid 2 van de koopovereenkomst. [de vennootschap 1] stelt weliswaar dat [geintimeerden c.s.] een nadere inspectie van de gebreken aan het plafond niet heeft toegelaten, maar het hof begrijpt uit de stukken van partijen dat de onenigheid over een nadere inspectie pas is ontstaan (ver) ná de beoogde leveringsdatum van de panden, nadat tussen partijen geschillen waren ontstaan over het al dan niet nakomen van de overeenkomst door [de vennootschap 1] . 9.7.5. Van belang is verder dat het bedrijfsgebouw in [plaats 1] een oud pand betreft, volgens [geintimeerden c.s.] daterend uit 1960. Uit het rapport van [expertbureau] volgt dat, als gevolg van het gebruik van het pand in het verleden, op een tweetal plaatsen in het plafond van de bedrijfshal scheurvorming in het beton is ontstaan als gevolg van corrosie van de wapening. Door [geintimeerden c.s.] is gesteld dat zij, na de bevindingen van [expertbureau] , de door [expertbureau] geadviseerde werkzaamheden aan de plafondconstructie heeft uitgevoerd. Dat die werkzaamheden destijds inderdaad hebben plaatsgevonden is op zichzelf niet door [de vennootschap 1] weersproken en vindt ook bevestiging in het rapport van de deskundige Fontein. Gelet op het voorgaande is de enkele omstandigheid dat [geintimeerden c.s.] voorafgaande aan de koopovereenkomst geen melding heeft gemaakt van het rapport van [expertbureau] en van de herstelwerkzaamheden in het verleden (indien al juist; [geintimeerden c.s.] stelt immers dat [de vennootschap 1] wél de beschikking had over het rapport [expertbureau] ) onvoldoende om het beroep van [de vennootschap 1] op dwaling te rechtvaardigen. Bij een gebouw van meer dan 50 jaar oud mag een koper niet verwachten dat nimmer herstelwerkzaamheden aan het gebouw hebben plaatsgevonden. 9.7.6. Niet in geschil is dat in de dakconstructie, op de plaatsen waar sprake is van corrosie, (opnieuw) scheurvorming in het beton is ontstaan. Volgens de deskundige Fontein is die scheurvorming vanaf de winkelvloer visueel waar te nemen. [geintimeerden c.s.] heeft onbetwist gesteld dat het pand van de zijde van [de vennootschap 1] meermalen is bezichtigd voorafgaande aan de aankoop door [de vennootschap 1] en dat [de vennootschap 1] deskundig is op het terrein van aankoop van onroerend goed. Naar het oordeel van het hof mocht [geintimeerden c.s.] er onder deze omstandigheden van uit gaan dat [de vennootschap 1] kennis had genomen van de scheurvorming in de dakconstructie. Het hof neemt verder in overweging dat, gelet op het rapport van Fontein, met het herstel van het hier bedoelde gebrek in de dakconstructie een relatief gering bedrag is gemoeid (circa € 30.000,-), indien dit wordt afgezet tegen het bedrag dat gemoeid was met de aankoop van de twee bedrijfsverzamelgebouwen (circa € 8 miljoen). 9.7.7. Het hof neemt verder nog in overweging dat door [geintimeerden c.s.] onweersproken is gesteld dat de gebruiker van de desbetreffende bedrijfshal, [gebruiker van bedrijfshal] , nimmer heeft geklaagd over de gebreken aan de dakconstructie en dat uit het rapport van de deskundige Fontein blijkt dat de bedrijfshal geschikt is om als zodanig te worden gebruikt. 9.7.8. Naar het oordeel van het hof hoefde [geintimeerden c.s.] , gelet op de hiervoor onder 9.7.3 tot en met 9.7.7 genoemde omstandigheden, geen rekening te houden met de mogelijkheid (indien al juist is dat [de vennootschap 1] geen kennis droeg van het rapport van [expertbureau] en van de bestaande scheurvorming) dat het rapport van [expertbureau] en de bestaande scheurvorming van zodanige betekenis waren dat [de vennootschap 1] de koopovereenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij op dit punt door [geintimeerden c.s.] zou zijn geïnformeerd. De enkele omstandigheid dat er op enig moment een brok beton van het plafond is losgekomen (door [de vennootschap 1] ter griffie gedeponeerd) acht het hof ontoereikend om tot een andersluidende conclusie te komen. 9.7.9. Het voorgaande betekent dat het beroep van [de vennootschap 1] op dwaling als hier bedoeld, niet kan worden aanvaard. 9.7.10. Uit het voorgaande volgt tevens dat de stelling van [de vennootschap 1] dat [geintimeerden c.s.] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen vanwege de aanwezigheid van de gebreken aan het pand in [plaats 1] , niet kan worden aanvaard. Van belang in dit verband is in het bijzonder dat partijen in artikel 16 lid 2 van de koopovereenkomst hebben voorzien in de mogelijkheid dat ná de sluiting van de koopovereenkomst gebreken zouden worden vastgesteld en wat hiervan de gevolgen zijn. Door [geintimeerden c.s.] is onbetwist gesteld dat zij bereid was de herstelkosten, zoals geschat door de door haar ingeschakelde deskundige [deskundige] (welke schatting als juist is bevestigd door de deskundige Fontein) voor haar rekening te nemen. Bovendien moet op basis van het rapport van Fontein worden aangenomen dat het pand in [plaats 1] geschikt was voor het overeengekomen gebruik en dat de scheurvorming in het beton van de dakconstructie daaraan niet in de weg stond. 9.7.11. Op grond van hetgeen in het voorgaande is overwogen kan het handelen dan wel nalaten van [geintimeerden c.s.] met betrekking tot de gebreken aan het pand in [plaats 1] evenmin worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens [de vennootschap 1] . 9.7.12. De conclusie is dat de zesde grief van [de vennootschap 1] faalt. 9.8. Het afwerken van de dakbedekkingslaag van het pand in [plaats 1] . 9.8.1. Met betrekking tot de dakbedekkingslaag op het pand in [plaats 1] is in de koopovereenkomst (in artikel 5 lid 7) het volgende bepaald: Verkoper dient voor transport de nieuw aangebrachte dakbedekkingslaag op het pand [plaats 1] volledig en deugdelijk te hebben laten afwerken. Het betreft hier onder andere het afwerken van alle naden, opstanden, lichtkoepels, lichtstraten en of randen. 9.8.2. [de vennootschap 1] stelde zich aanvankelijk op het standpunt (conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 23) dat de overeengekomen werkzaamheden in het geheel niet waren uitgevoerd. Nadat [geintimeerden c.s.] bewijsstukken van het tegendeel had overgelegd (producties 25 tot en met 28 bij haar akte indienen producties d.d. 6 juni 2013, waaruit blijkt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door het bedrijf [dakdekkersbedrijf] ) heeft [de vennootschap 1] dit standpunt verlaten en stelt zij dat de werkzaamheden niet deugdelijk en niet tijdig zijn uitgevoerd (conclusie van repliek, randnummer 31). 9.8.3. Naar het oordeel van het hof heeft [de vennootschap 1] haar stelling dat het afwerken van de dakbedekkingslaag ondeugdelijk is gebeurd, ontoereikend onderbouwd, dit gelet op de door [geintimeerden c.s.] overgelegde bewijsstukken, te weten de opdrachtbevestiging waaruit gedetailleerd de uit te voeren werkzaamheden zijn beschreven, alsmede foto’s van het resultaat van de uitgevoerde werkzaamheden en de facturen van [dakdekkersbedrijf] . Het hof merkt hierbij op dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van de – volgens [de vennootschap 1] - ondeugdelijkheid van de uitgevoerde werkzaamheden, bij [de vennootschap 1] ligt. Het hof ziet, in het licht van het voorgaande, onvoldoende grond voor een omkering van de bewijslast. Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat [de vennootschap 1] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Daar komt bij dat bewijslevering door middel van een deskundigenonderzoek, zoals door [de vennootschap 1] is bepleit, niet mogelijk is gebleken doordat de huidige eigenaar van het pand weigert hieraan medewerking te verlenen. 9.8.4. Met betrekking tot de stelling van [de vennootschap 1] dat het afwerken van de dakbedekkingslaag te laat is geschied overweegt het hof het volgende. In artikel 5 lid 7 van de koopovereenkomst is bepaald dat het afwerken “voor transport” diende plaats te vinden. Partijen zijn het erover eens dat die bepaling zo dient te worden uitgelegd dat de afwerking diende plaats te vinden vóór de boogde transportdatum. In de overeenkomst is die datum bepaald op 1 oktober 2012; partijen zijn nadien als transportdatum 5 oktober 2012 overeengekomen. 9.8.5. Door [geintimeerden c.s.] is erkend dat de afwerking van de dakbedekkingslaag niet vóór 5 oktober 2012 heeft plaatsgevonden. Gelet op de door [geintimeerden c.s.] overgelegde producties 25 tot en met 28 bij haar akte overlegging producties d.d. 6 juni 2013 gaat het hof ervan uit dat de werkzaamheden door [dakdekkersbedrijf] zijn uitgevoerd tussen 17 oktober 2012 (datum opdrachtbevestiging) en 26 oktober 2012, zijnde de datum van facturering én de datum waarop [geintimeerden c.s.] per fax aan [de vennootschap 1] heeft bericht dat de werkzaamheden waren uitgevoerd (inleidende dagvaarding randnummer 35). Omtrent de achtergrond van de vertraging heeft [geintimeerden c.s.] het volgende aangevoerd: - ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden aan de dakbedekkingslaag had [geintimeerden c.s.] een tweetal offertes ontvangen: een offerte van [de vennootschap 6] d.d. 19 september 2012 ten bedrage van € 31.777,- en een offerte van [de vennootschap 7] d.d. 18 september 2012 ten bedrage van € 42.500,- (producties 87 en 88 bij MvA/MvG); - op 20 september 2012 heeft [geintimeerden c.s.] de offertes met [de vennootschap 1] besproken waarbij bleek dat [de vennootschap 1] zich op het standpunt stelde dat in totaal voor een bedrag van € 200.000,- aan werkzaamheden moest worden uitgevoerd; - omdat partijen het niet eens werden is een nieuwe bijeenkomst belegd op 27 september 2012. Voorafgaande aan die bespreking heeft [geintimeerden c.s.] nog een derde offerte gevraagd en gekregen. Dit is de offerte van [dakdekkersbedrijf] die de werkzaamheden aan de dakbedekkingslaag wilde uitvoeren voor een bedrag van € 25.817,-. Ook op 27 september 2012 werden partijen het niet eens over de uit te voeren werkzaamheden; - op 3 oktober 2012 heeft [de vennootschap 1] aan [geintimeerden c.s.] een ingebrekestelling gezonden waarin [geintimeerden c.s.] werd gesommeerd “de koopovereenkomst na te komen”. Na ontvangst van die ingebrekestelling heeft [geintimeerden c.s.] , ondanks het ontbreken van overeenstemming met [de vennootschap 1] , aan [dakdekkersbedrijf] opdracht gegeven de geoffreerde werkzaamheden uit te voeren. 9.8.6. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de voormelde gang van zaken die door [de vennootschap 1] niet (toereikend) is weersproken, niet geconcludeerd worden dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming van artikel 5 lid 7 van de koopovereenkomst die de ontbinding van de koopovereenkomst dan wel opschorting van de afnameverplichting rechtvaardigde. Van belang in dit verband is dat ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW ontbinding pas mogelijk is wanneer sprake is van verzuim aan de zijde van [geintimeerden c.s.] , welk verzuim ingevolge artikel 6:82 lid 1 BW eerst intreedt nadat aan de schuldenaar een redelijke termijn is gegund om alsnog na te komen en nakoming binnen die termijn uitblijft. Aan [geintimeerden c.s.] was door [de vennootschap 1] bij brief van 3 oktober 2012 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) een termijn voor de uitvoering van de werkzaamheden gegeven van vijf dagen. Naar het oordeel van het hof kan die termijn niet worden aangemerkt als een redelijke termijn in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW, dit gelet op het feit dat [geintimeerden c.s.] voor de uitvoering van de werkzaamheden afhankelijk was van een in te schakelen aannemer, hetgeen aan [de vennootschap 1] bekend was. Hierbij komt dat een termijnoverschrijding van drie weken voor het afwerken van de dakbedekkingslaag, in relatie tot het financieel belang dat gemoeid was met de onderhavige koopovereenkomst, niet anders dan van geringe betekenis kan worden aangemerkt zodat ook om die reden ontbinding van de koopovereenkomst door [de vennootschap 1] dan wel opschorting van de afnameverplichting niet gerechtvaardigd was. 9.8.7. De conclusie is dat ook de grieven 9 en 10 van [de vennootschap 1] falen. 9.9. Aangezien alle grieven van [de vennootschap 1] die betrekking hebben op de afwijzing door de rechtbank van de vordering in conventie (de grieven 1 tot en met 10) falen, dient het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, te worden bekrachtigd. 9.10. De reconventionele vordering van [geintimeerden c.s.] . 9.10.1. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in reconventie als volgt beslist (samengevat): - [de vennootschap 1] is veroordeeld tot opheffing van de ten laste van [geintimeerden c.s.] gelegde beslagen; - [de vennootschap 1] is bevolen mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst, dit op straffe van een dwangsom; - [de vennootschap 1] is veroordeeld tot betaling van de contractuele boete ex artikel 13 lid 3 van de koopovereenkomst, welke boete door de rechtbank is gematigd tot € 797.985,-; - [de vennootschap 1] is veroordeeld tot betaling van de door [geintimeerden c.s.] gestelde schade ad € 478.791,- wegens het mislopen van een regeling met de Belastingdienst; - [de vennootschap 1] is veroordeeld tot betaling van de door [geintimeerden c.s.] gestelde schade wegens misgelopen huuropbrengsten, welke schade door de rechtbank is bepaald op € 21.376,74 en een maandelijks bedrag van € 1.781,39 over de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 april 2014, tot het moment dat [de vennootschap 1] de onroerende zaken conform de koopovereenkomst heeft afgenomen. 9.10.2. De grieven 11 tot en met 15 van [de vennootschap 1] richten zich tegen de voormelde toewijzing van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] in reconventie. Grief 11 betreft de opheffing van de destijds door [de vennootschap 1] ten laste van [geintimeerden c.s.] gelegde conservatoire beslagen. Die grief faalt gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist. Grief 12 is gericht tegen het bevel aan [de vennootschap 1] om mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst. Die grief is gegrond, immers: nu de vordering tot nakoming door [geintimeerden c.s.] is ingetrokken kan de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand blijven. De grieven 13, 14 en 15 van [de vennootschap 1] worden hierna besproken. Grief 16 van [de vennootschap 1] is gericht tegen de proceskostenbeslissing van de rechtbank en wordt eveneens hierna besproken. Grief 17 van [de vennootschap 1] heeft, naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis. Die grief behoeft geen afzonderlijke bespreking. 9.10.3. [geintimeerden c.s.] heeft incidenteel geappelleerd. Haar memorie van grieven in incidenteel appel bevat geen concreet als zodanig aangeduide grieven, met dien verstande dat uit de inhoud van de memorie volgt dat [geintimeerden c.s.] zich niet kan verenigen met de matiging door de rechtbank van de door haar in eerste aanleg gevorderde contractuele boete ex artikel 13 lid 3 van de koopovereenkomst. Voor het overige bevat de memorie van grieven in incidenteel appel slechts eiswijzigingen. 9.10.4. Na de eiswijziging bij antwoordmemorie na tussenarrest luidt de vordering van [geintimeerden c.s.] in hoger beroep als volgt: i.
- i)veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van Є 1.801.830,48 aan wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW), vermeerderd met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over dit bedrag vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen.
- ii)veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 797.985,-, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening. iii) veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 23.806.514,10, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 2 oktober 2015 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen.
- iv)veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 478.791,-, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 6 juni 2013 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen.
- v)veroordeling van [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 39.190,58, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 2 september 2014 tot en met de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie vast te stellen voorziening te treffen.
- vi)[de vennootschap 1] te veroordelen in de kosten van de procedure. 9.10.5. Tussen partijen staat vast dat [de vennootschap 1] ook na ingebrekestelling haar medewerking aan het notarieel transport van de twee panden heeft geweigerd. [geintimeerden c.s.] was op grond hiervan gerechtigd de koopovereenkomst te ontbinden. Omdat de tekortkoming aan [de vennootschap 1] kan worden toegerekend is zij schadeplichtig jegens [geintimeerden c.s.] . De stelling van [de vennootschap 1] dat zij niet gehouden was om mee te werken aan het notarieel transport omdat aan de zijde van [geintimeerden c.s.] sprake was van schuldeisersverzuim kan niet worden aanvaard, gelet op hetgeen hiervoor in dit arrest en in het tussenarrest van 14 februari 2017 is overwogen en beslist. Voor zover het beroep van [de vennootschap 1] op schuldeisersverzuim is gebaseerd op haar stelling dat zij het pand in [plaats 1] niet mocht inspecteren, overweegt het hof nog dat die omstandigheid niet heeft te gelden als een beletsel voor de nakoming van de verplichtingen aan de zijde van [de vennootschap 1] in de zin van artikel 6:58 BW. Evenmin kan de stelling van [de vennootschap 1] worden aanvaard dat levering niet mogelijk was omdat door een derde, [gebruiker van bedrijfshal] , beslag was gelegd op het pand in [plaats 1] . Door [geintimeerden c.s.] is hieromtrent – onbetwist – aangevoerd dat door [gebruiker van bedrijfshal] op 23 oktober 2012, dus na de overeengekomen leveringsdatum, beslag is gelegd op het pand in [plaats 1] en dat het beslag in mei 2013 weer is opgeheven. Naar het oordeel van het hof is deze omstandigheid op zichzelf ontoereikend om te kunnen concluderen dat de medewerking aan de uitvoering van de koopovereenkomst blijvend onmogelijk was dan wel dat de niet nakoming niet aan [de vennootschap 1] kan worden toegerekend. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken. 9.10.6. [geintimeerden c.s.] vordert zowel de contractuele boete op grond van artikel 13 lid 2 van de koopovereenkomst als de boete op grond van artikel 13 lid 3 van de overeenkomst. Artikel 13 lid 2 geeft een partij aanspraak op boete in geval van ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie van de wederpartij; artikel 13 lid 3 geeft een partij aanspraak op boete in het geval dat die partij van de wederpartij die wanpresteert nakoming verlangt. De boete ex artikel 13 lid 3 werd door [geintimeerden c.s.] reeds in eerste aanleg gevorderd; de boete ex artikel 13 lid 2 vordert zij - na ontbinding van de (volledige) koopovereenkomst - bij wijze van wijziging van haar eis in haar antwoordmemorie na tussenarrest. 9.10.7. [de vennootschap 1] heeft bestreden dat zij de gevorderde boetes aan [geintimeerden c.s.] verschuldigd is. Subsidiair doet zij een beroep op matiging. 9.10.8. Naar het oordeel van het hof kan [geintimeerden c.s.] , nu zij van [de vennootschap 1] niet langer nakoming van de koopovereenkomst verlangt, geen aanspraak meer maken op de contractuele boete ex artikel 13 lid 3 van de koopovereenkomst; slechts de boete ex artikel 13 lid 2 ten bedrage van € 797.985,- komt voor toewijzing in aanmerking. Weliswaar heeft [geintimeerden c.s.] niet alleen schade geleden door het niet doorgaan van de koop maar ook door het uitblijven van betaling door [de vennootschap 1] tot aan de ontbinding, maar in de vergoeding van die schade is voorzien doordat [geintimeerden c.s.] aanspraak maakt op de wettelijke handelsrente over de koopsom. 9.10.9. Het hof ziet aanleiding het (subsidiair gedane) verzoek van [de vennootschap 1] tot matiging van de contractuele boete ex artikel 13 lid 2 te honoreren, dit gelet op het volgende. [de vennootschap 1] heeft er terecht op gewezen dat [geintimeerden c.s.] voordeel heeft genoten uit het niet doorgaan van de overeengekomen levering van de twee panden in die zin dat de huurinkomsten met betrekking tot de twee panden ook ná de beoogde leveringsdatum 5 oktober 2012 door [geintimeerden c.s.] zijn ontvangen. Indien de levering zou zijn doorgegaan, zouden de huurinkomsten vanaf die datum zijn toegevallen aan [de vennootschap 1] . Het exacte bedrag aan voordeel dat hierdoor door [geintimeerden c.s.] is genoten kan niet worden vastgesteld omdat daartoe de benodigde gegevens ontbreken. Echter: uitgaande van het feit dat de huuropbrengst per 1 juli 2012 € 797.985,- per jaar bedroeg en de huurinkomsten door [geintimeerden c.s.] met betrekking tot het pand in [plaats 1] zijn ontvangen tot 1 oktober 2015 en met betrekking tot het pand in [plaats 2] tot 16 juni 2014, is evident dat het genoten voordeel aanzienlijk is. Onder deze omstandigheden zou, naar het oordeel van het hof, onverkorte toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leiden, zodat voldaan is aan de eis in artikel 6:94 BW dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd. Het hof zal de boete matigen tot een bedrag van € 300.000,-. 9.10.10. [geintimeerden c.s.] vordert wettelijke rente over het boetebedrag vanaf 2 oktober 2015. Die wettelijke rente is echter niet eerder toewijsbaar dan vanaf het moment dat door [geintimeerden c.s.] aanspraak op de boete is gemaakt. Wat betreft een deel groot € 148.282,- betekent dit dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de datum 2 oktober 2015 zoals gevorderd; vanaf 25 april 2017 (de datum van de laatste wijziging van eis) is de wettelijke rente toewijsbaar over het volledige bedrag van € 300.000,-. 9.10.11. Het voorgaande betekent dat grief 13 van [de vennootschap 1] in zoverre gegrond is; de grief van [geintimeerden c.s.] in incidenteel appel faalt. 9.10.12. [geintimeerden c.s.] vordert (naast de wettelijke handelsrente) een tweetal bedragen aan schadevergoeding, te weten: - een bedrag van € 478.791,- met wettelijke rente. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij (samen met anderen) een overeenkomst had gesloten met de Belastingdienst ter zake van openstaande belastingaanslagen. Op grond van die overeenkomst diende (onder meer) [geintimeerden c.s.] aan de Belastingdienst een bedrag van € 4.500.000,- te betalen. Onderdeel van de overeenkomst was dat de overdrachtsbelasting die verschuldigd zou zijn bij levering van de panden in [plaats 1] en [plaats 2] aan [de vennootschap 1] , welke overdrachtsbelasting € 487.791,- zou bedragen, aangemerkt zou worden als een deelbetaling op het aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag. Voorwaarde was, dat de levering van de panden uiterlijk op 31 december 2012 zou plaatsvinden. Aan die voorwaarde is niet voldaan doordat [de vennootschap 1] geweigerd heeft aan de levering van de panden mee te weken. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden tot voormeld bedrag; - een bedrag van € 39.190,58 met wettelijke rente. [geintimeerden c.s.] stelt dat zij, als gevolg van het niet meewerken aan de uitvoering van de koopovereenkomst door [de vennootschap 1] , van een van de huurders van het pand in [plaats 1] , [gebruiker van bedrijfshal] , minder huur heeft ontvangen en daardoor schade heeft geleden. [de vennootschap 1] was, vooruitlopend op de eigendomsoverdracht van het pand in [plaats 1] , met [gebruiker van bedrijfshal] een nieuwe huurovereenkomst voor langere duur overeengekomen ter vervanging van de lopende huurovereenkomst, maar dit tegen een lagere huurprijs. [geintimeerden c.s.] had zich hiermee akkoord verklaard en was aan de lagere huur gebonden, ook toen de levering aan [de vennootschap 1] niet doorging. 9.10.13. [de vennootschap 1] heeft de verschuldigdheid van de hiervoor genoemde schadebedragen op verschillende gronden bestreden. Ook heeft zij een beroep gedaan op voordeeltoerekening (artikel 6:100 BW). Zij wijst er op dat [geintimeerden c.s.] , als gevolg van het niet doorgaan van de levering van de panden in [plaats 1] en [plaats 2] , de huurinkomsten met betrekking tot de twee panden is blijven ontvangen en uiteindelijk de twee panden “voor een goede prijs" aan derden heeft kunnen verkopen. 9.10.14. Met betrekking tot de door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade ad € 478.791,- overweegt het hof het volgende. Ingevolge artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. De door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade hangt samen met afspraken die door [geintimeerden c.s.] (en anderen) met de belastingdienst zijn gemaakt; [de vennootschap 1] heeft hiermee niets van doen gehad. Naar het oordeel van het hof is het verband tussen de door [geintimeerden c.s.] gestelde belastingschade en de tekortkoming van [de vennootschap 1] in de nakoming van de koopovereenkomst zodanig ver verwijderd dat [de vennootschap 1] daarmee geen rekening hoefde te houden. De schade kan daarom niet aan haar worden toegerekend, zodat de vordering van [geintimeerden c.s.] op dit punt niet toewijsbaar is. 9.10.15. Het door [geintimeerden c.s.] gevorderde bedrag van € 39.190,58 wegens huurschade is niet toewijsbaar omdat de gestelde schade niet het gevolg is van het tekortschieten van [de vennootschap 1] in de nakoming van de koopovereenkomst maar van het feit dat [geintimeerden c.s.] als verhuurder akkoord is gegaan met wijziging van de met [gebruiker van bedrijfshal] gesloten huurovereenkomst. Bovendien is naar het oordeel van het hof op dit punt geen sprake van schade maar van vermindering (met een in verhouding gering bedrag) van het door [geintimeerden c.s.] genoten voordeel. Immers: [geintimeerden c.s.] heeft ná de beoogde leveringsdatum 5 oktober 2012 de huurinkomsten met betrekking tot de twee panden genoten die zij niet zou hebben genoten indien [de vennootschap 1] haar verplichtingen zou zijn nagekomen. 9.10.16. De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven 14 en 15 van [de vennootschap 1] in zoverre terecht zijn aangevoerd en dat het vonnis waarvan beroep op deze onderdelen niet in stand kan blijven. 9.10.17. [geintimeerden c.s.] vordert wettelijke handelsrente over de overeengekomen koopprijs vanaf 5 oktober 2012 tot aan de datum waarop de koopovereenkomst is ontbonden. Ten aanzien van het pand in [plaats 2] heeft die ontbinding op 16 juni 2014 plaatsgevonden; ten aanzien van het pand in [plaats 1] op 1 oktober 2015. 9.10.18. [de vennootschap 1] heeft de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente bestreden. Het hof begrijpt de stellingen van [de vennootschap 1] in eerste aanleg (in het bijzonder in de conclusie van dupliek in reconventie, randnummer 20) aldus dat zij zich (onder meer) beroept op artikel 6:92 lid 2 BW. 9.10.19. Het hof overweegt hieromtrent dat in artikel 13 lid 2 van de koopovereenkomst is bepaald dat bij ontbinding van de koopovereenkomst de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een boete van 10% van de kooprijs zal verbeuren “onverminderd het recht op verdere schadevergoeding en vergoeding van kosten en verhaal”. Het hof verstaat dit beding aldus dat partijen in zoverre hebben willen afwijken van het bepaalde in artikel 6:92 lid 2 BW. Uit de geciteerde zinsnede, met name de term verdere schadevergoeding, heeft [de vennootschap 1] bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs mogen afleiden dat de boete strekt tot vergoeding van schade en dat door [geintimeerden c.s.] gevorderde schade, met inbegrip van wettelijke handelsrente, slechts toewijsbaar zou zijn voor zover het bedrag van de schade hoger zou zijn dan het bedrag van de contractuele boete. Een en ander betekent dat de wettelijke handelsrente slechts toewijsbaar is voor zover deze het bedrag van de contractuele boete ex artikel 13 lid 2 van de koopovereenkomst (een bedrag van € 797.985,-) overschrijdt. [geintimeerden c.s.] heeft de wettelijke handelsrente berekend op € 1.801.830,48. Die berekening is op zichzelf niet door [de vennootschap 1] bestreden; het hof gaat uit van de juistheid van die berekening. Gelet op het voorgaande is de wettelijke handelsrente toewijsbaar tot een bedrag van (€ 1.801.830,48 minus € 797.985,- =) € 1.003.845,48, te vermeerderen met de (gewone) wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 oktober 2015 zoals gevorderd. 9.11. De conclusie uit het voorgaande is dat het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, moet worden bekrachtigd. Voor zover het vonnis is gewezen in reconventie kan het niet in stand blijven, behoudens voor zover [de vennootschap 1] daarin is veroordeeld de ten laste van [geintimeerden c.s.] gelegde beslagen op te heffen. Het hof zal ten aanzien van de reconventionele vorderingen van [geintimeerden c.s.] in zoverre opnieuw recht doen. 9.12. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. Er zijn echter geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, mits bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat het hof aan het bewijsaanbod voorbij gaat. 9.13. In de uitkomst van de procedure ziet het hof aanleiding om de proceskostenveroordeling van de rechtbank in stand te laten, hetgeen betekent dat grief 16 van [de vennootschap 1] faalt. De proceskosten in hoger beroep zullen door het hof worden gecompenseerd. De reden hiervoor is dat de grieven van [de vennootschap 1] , voor zover betrekking hebbend op de beslissing van de rechtbank in conventie, weliswaar ongegrond zijn, maar de grieven van [de vennootschap 1] zijn grotendeels gegrond voor zover deze betrekking hebben op de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van [geintimeerden c.s.] . Die in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geintimeerden c.s.] komen grotendeels niet voor toewijzing in aanmerking. 10De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie en voor zover het betrekking heeft op de proceskosten in conventie en in reconventie; bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voorts voor zover in reconventie [de vennootschap 1] is veroordeeld om de ten laste van [geintimeerden c.s.] gelegde conservatoire beslagen op te heffen; vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in reconventie voor het overige en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [de vennootschap 1] tot betaling aan [geintimeerden c.s.] van een bedrag van € 1.003.845,48 aan wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 oktober 2015 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt [de vennootschap 1] verder om aan [geintimeerden c.s.] een bedrag te betalen van € 300.000,- aan boete ex artikel 13 lid 2 van de koopovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 148.282,- vanaf 2 oktober 2015 tot 25 april 2017 en over een bedrag van € 300.000,- vanaf 25 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; wijst af hetgeen meer of anders door [geintimeerden c.s.] is gevorderd; verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, D.A.E.M. Hulskes en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 november 2017. griffier rolraadsheer