Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-002358-16 Uitspraak : 10 november 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-879320-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, wonende te [adres] , thans verblijvende in P.I. Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. Ten aanzien van de benadeelde partij [slager] heeft de advocaat-generaal geëist dat het hof de vordering integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 31.733,76 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede het toewijzen van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.252,50 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en meer subsidiair dat bewijsuitsluiting en/of strafvermindering moet volgen. Uiterst subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de raadsman betoogd dat het hof hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel zal afwijzen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich derhalve mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 1 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 2.hij op of omstreeks 21 februari 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een slagerij gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en/of een hoeveelheid garnalen en/of een hoeveelheid messen en/of een hoeveelheid (keuken- en/of snij)machines en/of een hoeveelheid weegschalen en/of een hoeveelheid snijplanken en/of een hoeveelheid barbecues en/of een hoeveelheid gasflessen en/of een hoeveelheid broodmanden en/of een hoeveelheid plastic lepels en/of een hoeveelheid afvalbakken en/of een hoeveelheid (ham)haken en/of een hoeveelheid beeldschermen en/of een hoeveelheid bewakingscamera's en/of een decoder en/of een koffiezetapparaat en/of een biertap en/of een messenslijper en/of een hogedrukreiniger en/of een bestelauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slager] Slagerij en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
(1)zijn veroorzaakt. 47. Het proces-verbaal waarnemer afname celmateriaal d.d. 9 april 2015 (pg. 1441), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] : Er is wangslijmvlies van [slachtoffer 1] afgenomen en inbeslaggenomen, RABB3158NL. 48. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2015 (pg. 1-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] : In de schuur van de [adres] werd een oranje breekijzer in beslag genomen (nummer 775190). Het breekijzer werd op drie plaatsen bemonsterd: bemonstering 1 monster beitel SIN AAGT6089NL#01 bemonstering 2 monster middenstuk tot beitel SIN AAGT6089NL#02 bemonstering 3 monster midden tot spijkerstuk SIN AAGT6089NL#03. Deze monsters werden aangeboden aan het NFI. 49. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 21 augustus 2015, zaaknummer 2015.05.11.105, opgemaakt door NFI-deskundige dr. [deskundige] (pg. 1-4), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur: Het onderzoeksmateriaal AAGT6089NL#01, -#02 en -#03 is onderworpen aan een DNA onderzoek (LCN DNA-analyse). De DNA-profielen van onder meer [slachtoffer 1] (RABB3158NL) en [verdachte] (RAAP0944NL) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. SIN AAGT6089NL#01 betreft een DNA mengprofiel van minimaal drie personen, met het DNA-hoofdprofiel van een vrouw [slachtoffer 1] , matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. SIN AAGT6089NL#02 betreft een DNA mengprofiel van minimaal vier personen, met het DNA-hoofdprofiel van een vrouw [slachtoffer 1] , matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. SIN AAGT6089NL#03 betreft een DNA mengprofiel van minimaal vier personen, waaronder [verdachte] . 50. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2016 (pg. 1-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] : Gedurende het onderzoek heeft een telefoontap gelopen op nummer 0629881629 in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] . Bij de start van de tapgesprekken op 7 mei 2015 te 16:55:55 uur en 13 mei 2015 te 16:36:05 uur telkens met zijn broer [naam] , spreken zowel verdachte [medeverdachte 2] als zijn broer met een buitenlands accent. 51. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 februari 2016, opgenomen als bijlage 2 bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (proces-verbaalnummer 21DRA15008-345), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] : Ik ben met twee jongens naar het appartementencomplex aan de [adres] te Oss gegaan. We zijn via een loopdeur, direct naast de roldeur het complex binnengegaan. We zijn via de trap naar het appartement gegaan. De voordeur werd opengebroken met een koevoet. De oranje koevoet is afkomstig uit de schuur van [verdachte] . 52Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 8 juli 2016 (pg. 8), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : De oranje koevoet die in mijn schuur is aangetroffen is van mij. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank de bewijsmiddelen te kort door de bocht heeft beoordeeld en ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen. De bewijsmiddelen bevatten volgens de raadsman geen enkele aanwijzing dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de inbraak in het bedrijfspand van [slager] Slagerij. Uit de tapgesprekken kan dit niet worden afgeleid. Zo duidt het tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte van 21 februari 2015 te 00.34.19 uur erop dat zij op dat moment niet bij elkaar waren. Ook heeft de rechtbank ten onrechte en zonder onderbouwing geconcludeerd dat het tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte van 22 februari 2015 te 19.41 uur gaat over het in brand steken van de bij [slager] weggenomen bestelbus. Verder kan uit de inbeslagneming van vlees en garnalen spiezen bij de verdachte op 19 maart 2015 geen betrokkenheid worden afgeleid. De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet is vast te stellen waar de foto’s op dossierpagina 76 zijn gemaakt, noch welke foto’s aan aangever [slager] zijn getoond. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de herkenning door [slager] van goederen ziet op het vlees en de garnalen die een maand na de inbraak bij verdachte zijn aangetroffen, aldus de raadsman. Tot slot wordt betwist dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en voorts van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk bij de bedrijfsinbraak aan de [adres] te Oss aanwezig is geweest. Voorts is niet vast te stellen wie welke rol heeft gehad, wat de onderlinge taakverdeling was en of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Mogelijk is de verdachte betrokken geweest als medeplichtige, hetgeen niet ten laste is gelegd. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank ten onrechte gebruikt heeft gemaakt van een schakelbewijsconstructie (feit 4). Voorts heeft hij betoogd dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen de veroordeling niet kunnen dragen, dat de rechtbank selectief is geweest bij het beoordelen van de bewijsmiddelen en daaraan een niet dragende interpretatie heeft toegevoegd. Zo kan uit het tapgesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 maart 2015 omstreeks 00.20 uur niet worden afgeleid dat de verdachte is meegegaan naar het adres [adres] te Oss. Dat in de schuur bij de woning van verdachte een koevoet is aangetroffen die is gebruikt bij de woningoverval, zegt niets over de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt immers dat de verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij het onder 5 ten laste gelegde. Ten onrechte heeft de rechtbank die verklaring als ongeloofwaardig aangemerkt. Dat er DNA van de verdachte op de koevoet is aangetroffen is verklaarbaar en duidt evenmin op de betrokkenheid van de verdachte. Volgens de raadsman zijn er ook ontlastende punten, zoals de omstandigheden dat er van de verdachte geen schoensporen zijn aangetroffen in de woning [adres] te Oss, dat op de camerabeelden van de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] niet te zien is dat de verdachte daar die nacht is geweest, dat er die nacht geen tapgesprekken zijn tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] en dat er bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen buit afkomstig van de [adres] te Oss is aangetroffen. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat sprake is geweest van de voor medeplegen benodigde nauwe en bewuste samenwerking c.q. dat verdachte een wezenlijke bijdrage met een zekere intensiteit heeft geleverd. Het hof overweegt als volgt. Feit 2 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, vast staat dat de verdachte als dader betrokken is geweest bij de bedrijfsinbraak bij [slager] Slagerij. Het hof merkt de rol van de verdachte bij de inbraak aan als die van medepleger met medeverdachte [medeverdachte 1] en in ieder geval een derde persoon. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een gezamenlijke uitvoering en van telefonisch overleg over de afwikkeling. Evenals de rechtbank is voor het hof op grond van de diverse bewijsmiddelen afdoende duidelijk dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met de woorden “ja, afmaken hè!” en “komt goed” hebben gesproken over het zich ontdoen van de bij de inbraak weggenomen bedrijfsbus. Voorts stelt het hof vast dat er sprake is van verdeling van de buit; bij verdachte zijn immers vlees en garnalen van [slager] aangetroffen en bij [medeverdachte 1] garnalen spiezen, bolcamera’s en opnameapparatuur van het merk Quadplex. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd omtrent de foto’s van het in beslag genomen vlees en tonen van foto’s aan aangever [slager] doet het hof niet twijfelen aan de juistheid van de herkenning van [slager] van de onder verdachte in beslag genomen goederen. Alleen bij verdachte is dergelijk vlees in beslag genomen. Weliswaar zijn ook bij medeverdachte [medeverdachte 1] vleesproducten in beslag genomen, maar dat gaat om andersoortige vleesproducten, te weten zogenaamde Bouwmanballen, snackballen en worstenbroodjes. Er kan om die reden naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van verwisseling van de foto’s van het in beslag genomen vlees. Voorts is in het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 662 te lezen dat aangever [slager] heeft gezegd dat het batchnummer op de verpakking van foto 1 overeenkomt met de gegevens op een factuur op naam van [slager] , welke stukken als bijlagen bij het proces-verbaal zijn gevoegd. Wat betreft het vlees op foto’s 3, 4 en 5 heeft [slager] op de verpakking het handschrift herkend van een van zijn medewerkers en wat betreft foto 6 heeft hij te kennen gegeven dat het vlees is dat hij verkoopt. Het hof heeft gelet op het bovenstaande geen reden om te twijfelen aan de herkenning door aangeven [slager] van het onder verdachte in beslag genomen vlees. Dat er sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is evident en behoeft naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen. Feit 3 Uit de inhoud van de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt evident van het daderschap van verdachte bij de onder 3 ten laste gelegde bedrijfsinbraak. Het hof merkt de rol van de verdachte bij deze bedrijfsinbraak aan als die van medepleger, met in elk geval medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een gezamenlijke uitvoering en van verdeling van de buit. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] zijn Bouwmanballen, snackballen en worstenbroodjes van aangever [slager] in beslag genomen, terwijl op de camerabeelden van de woning van verdachte te zien is dat hij die nacht diverse dozen zijn woning binnen heeft gebracht. Bovendien heeft verdachte op 12 maart 2015, de pleegdatum, om 17:02:32 met een derde betrokkene, vermoedelijk zijn vader, telefonisch gesproken over diens deel van de buit. In dat gesprek heeft NN-man gezegd “Vind je het goed als ik die bolle ook wat geef want anders moet ik het weggooien ik kan het niet kwijt”, waarop verdachte heeft geantwoord “Ja moet zelf weten is van jou toch”. Voor het hof is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de verdachte slechts als medeplichtige betrokken zou zijn geweest bij de inbraak aan de [adres] te Oss. Deze mogelijkheid is door de verdediging slechts veronderstellenderwijs opgeworpen en vindt geen steun in het dossier. Het verweer wordt verworpen. Feit 5 Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 4 maart 2015, omstreeks 02:00 uur, in de slaapkamer van de woning gelegen aan de [adres] te Oss in hun slaap werden verrast door drie jonge mannen met gezichtsbedekking. De mannen eisten goud en geld. Slachtoffer [slachtoffer 2] werd met een koevoet tegen het hoofd en op de ribben geslagen. Slachtoffer [slachtoffer 1] werd ook met een hard voorwerp tegen het gezicht geslagen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de langste man met een licht Surinaams accent sprak en dat de twee andere daders Nederlanders waren. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat een dader, een Nederlands manneke, tussen de 1.68 en 1.77 meter lang was, de man met het licht Surinaams accent tussen de 1.77 en 1.87 meter lang en de derde man, een Nederlander, tussen de 1.75 en 1.85 meter lang. De woning is door de mannen doorzocht en de uiteindelijke buit bestond uitgaande van de verklaring van [slachtoffer 1] uit een geldbedrag van € 28.000,00 en vele sieraden die van het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn getrokken. De politie heeft vastgesteld dat de voordeur van de woning braaksporen vertoonde. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij betrokken is geweest bij de onderhavige woningoverval. Hij heeft evenwel verklaard dat hij daar was met twee Antillianen, niet met verdachte. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat alleen de twee Antillianen verder in de woning zijn geweest. [medeverdachte 2] verklaart dat hij slechts bij de voordeur op de uitkijk stond en maar een paar stappen in de gang van de woning heeft gezet. Deze lezing van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt weersproken door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zowel aangevers [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben immers verklaard dat er niet twee maar drie mannen aan hun bed stonden. Bovendien heeft [slachtoffer 2] verklaard dat het ging om twee Nederlanders en een man die sprak met een licht Surinaams accent. Dat twee van de daders personen van Antilliaanse afkomst zouden zijn komt niet overeen met beide aangiften. De geloofwaardigheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt ook aangetast door het onderzoek naar de schoensporen in de woning [adres] te Oss. Niet alleen in de gang van de woning, maar ook in de badkamer is een schoenspoor aangetroffen dat volgens de bevindingen van de deskundige schoen- en bandsporen [verbalisant] is veroorzaakt door de linkerschoen van medeverdachte [medeverdachte 2] . Gelet op het hiervoor staande hecht het hof, evenals de rechtbank, geen geloof aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , inhoudende dat de verdachte niet betrokken zou geweest bij de overval in de woning [adres] te Oss. Dat verdachte als dader betrokken is geweest en op de plaats delict aanwezig is geweest, leidt het hof af uit de navolgende feiten en omstandigheden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de daders gezichtsbedekking droegen, waardoor enkel hun ogen zichtbaar waren. In de woning van de verdachte is door de politie op 19 maart 2015 een bivakmuts aangetroffen, met enkel twee gaten voor de ogen. Voorts is op 23 maart 2015 in de schuur bij de woning van verdachte een oranje koevoet aangetroffen met daarop het DNA van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het DNA van verdachte. In het politieonderzoek is verder vast komen te staan dat de braakschade aan de voordeur van de woning [adres] te Oss is veroorzaakt met deze koevoet. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank erkend dat de desbetreffende oranje koevoet van hem is. Daarnaast past de lengte van de verdachte binnen het door aangever [slachtoffer 2] gegeven signalement, nu de verdachte 1,78 meter lang is. Uit het telefoongesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] van 4 maart 2015 te 00:22:31 leidt het hof - evenals de rechtbank - af dat verdachte zich die nacht niet lang voor de overval in de directe nabijheid van de plaats delict bevond, terwijl uit de camerabeelden van het balkon van de woning van [medeverdachte 1] te zien is dat ook mededader [medeverdachte 2] daar aanwezig was. Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de onderhavige woningoverval. Dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking c.q. een wezenlijke bijdrage met een zekere intensiteit blijkt afdoende uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft geen nadere bespreking. De door de raadsman aangehaalde, door hem als ontlastend betitelde punten, brengen het hof niet tot een ander oordeel. Het gegeven dat er geen schoensporen van verdachte zijn aangetroffen in de woning [adres] te Oss betekent niet dat verdachte daar niet is geweest. Evident is dat er drie daders binnen in de woning zijn geweest, terwijl maar van één dader de schoensporen zijn onderzocht. Dat er in de nacht van 4 maart 2015 geen tapgesprekken zijn tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] kan ook betekenen dat zij niet met elkaar hoefden te bellen, omdat zij in elkaar aanwezigheid verkeerden. De omstandigheid dat er bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen buit afkomstig van de [adres] te Oss is aangetroffen ontlast de verdachte ook geenszins, nu de doorzoekingen pas later in maart 2015 hebben plaatsgevonden en de buit vermoedelijk al lang verkocht of verstopt was. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Het onder 3 bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Het onder 5 bewezen verklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf of maatregel Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof, mede gelet op de inhoud van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van maximaal 8 jaren. Voorts heeft de raadsman het hof verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder de moeilijke situatie van zijn gezin. Ten aanzien van de ernst van de feiten overweegt het hof dat de bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte zich met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan twee bedrijfsinbraken en een gewelddadige woningoverval. Het onder 5 bewezen verklaarde houdt in dat de verdachte zich samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan een brutale en zeer gewelddadige woningoverval die is gepleegd in het holst van de nacht. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden in hun slaapkamer, tijdens de slaap, verrast door drie mannen met gezichtsbedekking die hen in het gezicht schenen met zaklampen, de dekens van hen aftrokken en geld en goud eisten. Een van hen had een koevoet in zijn handen, waarmee beide slachtoffers hard zijn geslagen, onder meer tegen het hoofd. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft hierdoor haar rechter jukbeen en rechter oogkas gebroken en slachtoffer [slachtoffer 2] heeft een schedelbreuk opgelopen. De verdachte en zijn mededaders hebben een aanzienlijk geldbedrag en vele gouden sieraden buitgemaakt. De verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit op grove wijze geschonden. Een woningoverval, zeker wanneer daarbij sprake is van het gebruik van buitensporig geweld, is voor slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang in het dagelijkse bestaan last van kunnen hebben. Immers, een woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen. Het spreekt voor zich dat deze overval grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers heeft veroorzaakt. Verdachte heeft zich van die gevoelens geen althans onvoldoende rekenschap gegeven toen hij besloot samen met twee anderen de slachtoffers te beroven. Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat zij nog altijd kampen met de gevolgen van de gewelddadige woningoverval. Bij het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn door de klap enkele zenuwen in het gezicht onherstelbaar beschadigd en het gevoel in dat gedeelte van haar gezicht zal niet terugkeren. Het onder 5 bewezen verklaarde betreft voorts een feit waardoor de rechtsorde zeer ernstig is geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt. De onder 2 en 3 bewezen verklaarde bedrijfsinbraken hebben aanzienlijke schade en veel overlast bij de benadeelden veroorzaakt. Met name de inbraak in slagerij [slager] is van een zelden vertoonde omvang, die de bedrijfsvoering heeft ontwricht. Dergelijke feiten brengen aanzienlijke financiële en materiële schade met zich voor de eigenaar van de onderneming en/of hun verzekeraars. Bovendien leiden dergelijke feiten tot grote overlast, ongemak en ergernis voor de benadeelden. Bij het bepalen van de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een woningoverval met ander geweld: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Het hof heeft hierop een verhoging toegepast vanwege het uitgeoefende buitensporige geweld dat is te vergelijken met een poging tot doodslag gepleegd ten opzichte van beide personen. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op: de inhoud van het hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie; de inhoud van het beknopte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 11 juni 2015, waarin is te lezen dat de verdachte heeft besloten dat hij niet wil meewerken aan het opstellen van een rapport; de inhoud van de Pro Justitia rapportages van psychologisch onderzoek van respectievelijk 18 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek; de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt. Gelet op het buitengewoon grove geweld dat verdachte en zijn mededaders bij het onder 4 bewezen verklaarde hebben toegepast, de omvang van de bewezen verklaarde bedrijfsinbraken en de ingrijpende gevolgen van die feiten voor de slachtoffers, acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest. Beslag Van het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (goednummer 773360), zal de teruggave aan hem worden gelast. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.773,00, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en in hoger beroep onverminderd gehandhaafd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededader(
- s)rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte en zijn mededader(
- s)zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering integraal toewijsbaar is, te weten tot een bedrag van € 13.773,00 en te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging. Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. De verdachte en zijn mededader(
- s)zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 38.752,50 (bestaande uit € 1.252,50 aan materiële schade en € 37.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.252,50 (bestaande uit € 1,252,50 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in het overige gedeelte van zijn vordering. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] voorts aangevoerd dat de daadwerkelijke omvang van de materiële schade hoger is en inmiddels dient te worden gesteld op een bedrag van € 2.291,04. Namens hem is het hof verzocht tevens voor het in eerste aanleg niet gevorderde gedeelte van de materiële schade de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en € 1.252,50 aan materiële schade. Dit gedeelte van de vordering acht het hof voldoende duidelijk onderbouwd en niet ingewikkeld van aard. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 6.252,50 toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling vereisten. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige niet in zijn vordering worden ontvangen en kan dat gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Wat betreft het verzoek van de benadeelde partij [slachtoffer 2] om in hoger beroep de schadevergoedingsmaatregel niet alleen op te leggen voor het in eerste aanleg gevorderde bedrag aan materiële schade, maar voor een bedrag van € 2.291,04 overweegt het hof als volgt. Als een civiele vordering niet-ontvankelijk of niet-toewijsbaar is, kan naar andere sanctiemodaliteiten of maatregelen worden gezocht om het slachtoffer van een strafbaar feit schadeloos te stellen. Ingevolge artikel 36f, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij een veroordeling wegens een strafbaar feit de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Uitgangspunt van het wettelijk systeem is echter dat de omvang van de civiele vordering in eerste aanleg wordt bepaald en in hoger beroep niet kan worden verhoogd. Naar het oordeel van het hof kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om dit uitgangspunt via het opleggen van een verhoogde maatregel te omzeilen. Het hof ziet dan ook geen reden om in het onderhavige geval ten aanzien van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht een hoger bedrag op te leggen dan ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is toegewezen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 44.733,76 (bestaande uit € 36.733,76 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, proceskosten van € 87,00, de kosten van tenuitvoerlegging en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.733,76 (bestaande uit € 35.733,76 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, de proceskosten en de kosten van tenuitvoerlegging en voorts met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is door de rechtbank tot een bedrag van € 1.000,00 (inzake diefstal van geld) afgewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] te kennen gegeven dat de verzekeraar het bedrag aan weggenomen sieraden volledig heeft vergoed en dat de vordering ter zake van materiële schade wordt verminderd met € 5.000,00. In zoverre wordt de vordering niet gehandhaafd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 34.733,76 (bestaande uit € 29.733,76 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade). Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de schadeopgave van de benadeelde partij ter zake van het weggenomen geldbedrag en acht de vaststelling van de omvang van de materiële schade bovendien niet te ingewikkeld. Evenals de rechtbank zal het hof wel € 1.000,00 van de post “diefstal geld” afwijzen, nu dit geldbedrag in de woning is teruggevonden en aldus ten onrechte is gevorderd. Het hof begroot de omvang van deze schadepost overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 1] tegenover de politie op € 28.000,00. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 34.733,76 toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling vereisen. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen en dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weteneen personenauto Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (goednummer 773360). Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.733,00 (dertienduizend zevenhonderddrieëndertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader(s), hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 13.773,00 (dertienduizend zevenhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 96 (zesennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover (een) mededader(
- s)heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat indien en voor zover de mededader(
- s)van de verdachte voormeld bedrag heeft/hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.252,00 (zesduizend tweehonderdtweeënvijftig euro) bestaande uit € 1.252,00 (duizend tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.252,00 (zesduizend tweehonderdtweeënvijftig euro) bestaande uit € 1.252,00 (duizend tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-865080-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 34.733,76 (vierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 29.733,76 (negenentwintigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schade af. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-865080-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 34.733,76 (vierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 29.733,76 (negenentwintigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 208 (tweehonderdacht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat. Aldus gewezen door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos en mr. C. Karsdorp, griffiers, en op 10 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, nummer 21DRA15008 (onderzoek Baudour), gesloten d.d. 29 juli 2015 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 1591). Alle te noemen processen-verbaal zijn in wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.