GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Kenmerk: 16/00063-GHK Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad - van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland van 31 januari 2013, nummer AWB 12/1653, in het geding tussen belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de Ontvanger, betreffende de aan belanghebbende opgelegde beschikking aansprakelijkstelling voor door [A] BV niet betaalde omzetbelasting. 1Procesverloop 1.1. In de onderhavige procedure is na beroep (zie ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1891) en hoger beroep (niet gepubliceerd) beroep in cassatie ingesteld door belanghebbende. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 januari 2016, nr. 14/02925, ECLI:NL:HR:2016:39 (hierna: het verwijzingsarrest), het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad het geding verwezen naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. 1.2. De Ontvanger heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 1 maart 2016 een conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest ingediend. Deze conclusie is in afschrift aan belanghebbende verstrekt. 1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 11 maart 2016 een verzoek tot vereenvoudigde afdoening ingevolge artikel 8:54 van de Awb bij het Hof ingediend, wegens het (door belanghebbende veronderstelde) ontbreken van belang aan de zijde van de Ontvanger. 1.4. De Ontvanger heeft bij brief van 31 maart 2016 afwijzend op dit verzoek van belanghebbende gereageerd. 1.5. Belanghebbende is vervolgens door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de Ontvanger, hetgeen belanghebbende heeft gedaan bij conclusie van 2 mei 2016. In de begeleidende brief bij deze conclusie heeft belanghebbende opgemerkt dat hij productie 19 (het FIOD-dossier) van de Ontvanger (nog) niet in afschrift heeft ontvangen (van het Hof). De conclusie en de brief van belanghebbende zijn in afschrift aan de Ontvanger verstrekt. 1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 een aanvulling op zijn conclusie ingediend bij het Hof, welke aanvulling eveneens in afschrift aan de Ontvanger is verstrekt. 1.7. Uit de brieven van belanghebbende van 2 en 17 mei 2016 heeft het Hof geconcludeerd dat belanghebbende de beschikking wil krijgen over het ontbrekende FIOD-dossier (productie 19) en, zoals belanghebbende heeft vermeld, over de onderliggende stukken bij productie 20 en 21 bij de conclusie van de Ontvanger van 1 maart 2016 (‘verzoeken, besprekingen en brieven aan derden, die voor belanghebbende onbekend zijn’). Tevens heeft belanghebbende verzocht de beschikking te krijgen over de stukken betrekking hebbend op ‘het invorderingsonderzoek, diverse derden-onderzoeken, constateringen in de administratie van de BV, diverse bescheiden (o.a. leasecontracten), afgelegde verklaringen en een ingesteld strafrechtelijk onderzoek’. Belanghebbende acht zich geschaad in zijn verdediging nu hij (nog) niet de beschikking heeft gekregen over deze stukken. 1.8. Het Hof heeft, na kennisneming van deze verzoeken, de onderhavige procedure in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. De geheimhoudingskamer heeft de Ontvanger verzocht om deze stukken alsnog ongeschoond aan haar te overleggen, zodat zij kan beoordelen of de stukken op de onderhavige zaak betrekking hebben. Indien de Ontvanger zich (voor delen van) stukken op geheimhouding wil beroepen dient hij eveneens een geschoonde versie daarvan te overleggen en aan te geven welke gewichtige redenen (deze) geheimhouding rechtvaardigen. 1.9. De Ontvanger heeft gereageerd bij brief van 9 november 2016. In zijn reactie heeft de Ontvanger aangegeven dat het volledige FIOD-dossier (productie 19) reeds aan het Hof is verstrekt en dat dit ook het geval is voor een deel van productie 20 en geheel productie 21. De Ontvanger heeft (geheel) productie 20 en 21 voor de volledigheid als bijlage bij zijn brief van 9 november 2016 gevoegd. Verder heeft de Ontvanger als volgt vermeld in zijn brief van 9 november 2016: ‘Naar aanleiding van een melding betalingsonmacht is er een invorderingsonderzoek opgestart, zie bijlage G1. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport wordt verwezen naar een apart intern verslag (memo 9 april 2009) die ik onder bijlage G2 bijsluit. In zijn slotopmerking van het rapport meldt de controlemedewerker dat er later onderzoek is ingesteld voor de omzetbelasting. Verslaglegging van dit onderzoek “beoordelen lease-contracten + verzoek OB” sluit ik bij onder bijlage G3. Verder sluit ik bij een verslag “aansluiting OB”, zie bijlage G4. In dit verslag wordt het zinvol geacht om onderzoek te verrichten bij de leasemaatschappijen. De controle medewerkers hebben kopieën gemaakt van elle creditnota’s en andere stuken. De creditnota’s en andere stukken zijn reeds ingebracht bij het verweerschrift van de ontvanger in eerste aanleg bij de rechtbank Arnhem onder productie 14 ( [AA] en [B] ). Voormelde stukken zijn eveneens in het fioddossier opgenomen. In ordner 2 onder AH-002 van het fioddossier staat de herkomst van alle facturen beschreven. Bij het verweerschrift van de ontvanger in eerste aanleg bij de rechtbank Arnhem onder productie 15 zijn de huurovereenkomsten bijgesloten. Het fiscaal belang en het feit dat er sprake was van recidive (door één van de bestuurders) vormde aanleiding deze casus voor te dragen bij de fiod. In bijlage G5 verstrek ik u een pre-weegdocument. Dit document is gebruikt voor de aanmelding c.q. voordracht van een fiodonderzoek en bevat de casusbeschrijving. Daarin werd reeds het fiscale nadeel vermeld welke overeenkomst met het bedrag van de opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting. Tot een strafrechtelijke veroordeling is het niet gekomen voor de heren [C] en [AA] . Dit is geseponeerd. Met de heer [D] en zijn echtgenote is een schikking getroffen. De producties 20 en 21 kunt u aan de tegenpartij overleggen. Ten aanzien van de bijlagen G1 tot en met G5 beroep ik mij op geheimhouding van artikel 8:29 Awb en zitten in bijgevoegde envelop. Deze bijlagen betreffen namelijk interne stukken die normaliter niet verstrekt worden. Indien u van mening bent dat een beroep op geheimhouding in casu niet slaagt dan kunnen de bijlagen ongeschoond worden overlegd [Hof: overgelegd] aan de tegenpartij.’ 1.10. De stukken G1 tot en met G4 zijn door de Ontvanger als intern aangemerkt. Stuk G5 is door de FIOD-ECD en het Openbaar Ministerie voorzien van het opschrift : ‘- VERTROUWELIJK - Uitsluitend voor intern gebruik en wordt niet aan het [Hof: straf]dossier toegevoegd. Pre-weeg document’ 1.11. De brief van de Ontvanger is met de producties 20 en 21 in afschrift aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij schrijven van 4 januari 2017. In dit schrijven heeft belanghebbende - kort gezegd - geconcludeerd dat de Ontvanger nog steeds niet alle (gevraagde) op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Ten aanzien van de stukken G1 tot en met G5, ten aanzien waarvan de Ontvanger een verzoek om geheimhouding heeft gedaan, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat door de Ontvanger niet toereikend is gemotiveerd waarom deze stukken geheim gehouden moeten worden. De brief van belanghebbende van 4 januari 2017 is in afschrift aan de Ontvanger verstrekt. 1.12. Bij brief van 14 juni 2017 is - alsnog - productie 19 in afschrift aan belanghebbende verstrekt (integraal). 2Het verzoek Het verzoek van de Ontvanger om geheimhouding van de stukken G1 tot en met G5 hangt samen met de beantwoording van de vraag of daarbij sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, alsmede met de beantwoording van de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Ontvanger weigert deze stukken over te leggen aan het Hof en belanghebbende. 3Beoordeling van het verzoek 3.1. Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van het gehele procesdossier. Algemeen juridisch kader 3.2. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Ontvanger op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Ontvanger dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205). 3.3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer (van het Hof) die in de hoofdzaak beslist kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.4. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt: a. Geheimhouding: (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.