GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.198.663/01 arrest van 14 februari 2017 gewezen in de incidenten ex artikel 223 Rv en 843a Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. G.A. Diebels te Tilburg, tegen [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. P.M. Klinckhamers te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 juni 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde – [de vennootschap] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4600347 CV EXPL 15-8865) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende incidentele vorderingen met grieven en producties; de antwoordmemorie in het incident van [de vennootschap] ; akte in incident ex artikel 223 Rv van [appellant] ; antwoordakte in de incidenten ex artikelen 223 Rv en 843a Rv van [de vennootschap] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie: - het relatiebeding tussen partijen vernietigd zoals in de brief van 28 oktober 2010 omschreven door de reikwijdte daarvan te beperken tot relaties van de [Groep] Groep alsmede werknemers van de [Groep] Groep en verstaan dat de duur van het beding 36 maanden bedraagt na beëindiging van de dienstbetrekking; - de proceskosten tussen partijen gecompenseerd; en - de vordering voor het overige afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter [appellant] verplicht om alle (afschriften van) correspondentie (aan-)tekeningen en overige bedrijfsbescheiden over de bedrijfsvoering en klanten van [de vennootschap] (informatie op elektronische informatiedragers daaronder begrepen), waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat deze informatie vertrouwelijk is, volledig en onherstelbaar te vernietigen, zodanig dat hij op geen enkele manier meer kan beschikken over welke vertrouwelijke informatie over bedrijfsvoering en/of klanten van [de vennootschap] dan ook, en hem te verbieden (delen van) deze informatie op enigerlei wijze aan derden ter beschikking te stellen, onder verbeurte van een dwangsom; Tevens is [appellant] in reconventie de proceskosten veroordeeld. De veroordelingen zijn grotendeels uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.2. [appellant] vordert - uitvoerbaar bij voorraad- in het incident om: - [de vennootschap] ex artikel 223 Rv voor de duur van het geding te gebieden tot het aan [appellant] toestaan klanten van de [Groep] Groep te benaderen (actief) of door hen te worden benaderd (passief), direct of indirect, met de bedoeling verzekeringen over te sluiten, met uitzondering van bedrijfsmatige klanten waarmee hij de laatste drie jaar voor 1 juni 2015 uit hoofde van zijn functie zakelijke contacten heeft onderhouden; - [de vennootschap] ex artikel 843a Rv te gebieden aan [appellant] een volledige lijst van namen en woon-/vestigingsplaatsen van diegenen die op 1 juni 2015 relatie van de [Groep] Groep waren en waarop het relatiebeding ziet te overleggen, binnen zeven dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte aan [appellant] van een dwangsom van € 250,- per dag, voor elke dag, gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [de vennootschap] in gebreke blijft te voldoen aan dit gebod. Incident ex artikel 223 Rv 3.3. [appellant] stelt met betrekking tot de gevraagde voorlopige voorziening dat deze verband houdt met het relatiebeding en daarmee met de hoofdvordering. De lange looptijd van het relatiebeding die volgt uit het bestreden vonnis, het belemmerende karakter daarvan alsook de redelijkerwijs te verwachten duur van een zaak in appel bij dit hof maken dat er een zodanig belang bestaat dat niet van hem kan worden gevergd de afloop van de bodemzaak af te wachten, aldus [appellant] . 3.4. [de vennootschap] voert gemotiveerd verweer. 3.5. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv). Het karakter van de voorziening brengt voorts met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval (waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico), worden betrokken. 3.6. Ter onderbouwing van zijn belang bij toewijzing van de incidentele vordering heeft [appellant] in het incident niet meer aangevoerd dan dat de looptijd van het relatiebeding lang is en hierdoor een belemmerend karakter heeft en dat de procedure in hoger beroep lang(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.