GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 30 november 2017 Zaaknummer : 200.221.442/01 Zaaknummers eerste aanleg : 6007924 / AZ VERZ 17-100 6089641 / AZ VERZ 17-120 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, eiser in het incident, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. L.A.M. Plantaz te Heerlen, tegen [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, verweerster in het incident, hierna aan te duiden als [de vennootschap] , advocaat: mr. A.J.A. Tesson te Enschede. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 21 juli 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2017; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 7 september 2017; het verweerschrift met een zelfstandig voorwaardelijk verzoek en producties, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2017; een akte verzoek tot wijziging van eis, ingekomen ter griffie op 23 oktober 2017; het verweerschrift tegen het zelfstandig voorwaardelijk verzoek met een productie, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2017; - de op 8 november 2017 gehouden mondelinge behandeling waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd; bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Plantaz; - [vestigingsmanager bij de vennootschap] namens [de vennootschap] , bijgestaan door mr. Tesson. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1963, is op 1 februari 2001 bij [de vennootschap] in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van medewerker schoonmaakonderhoud industrieel III tegen een loon van € 12,85 bruto per uur voor 38 uur per week exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst was de cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing. 3.1.2. [appellant] was op zondag 26 januari 2017 bij [de bierbrouwerij] te [vestigingsplaats] , een relatie van [de vennootschap] . Voor het bezoek aan [de bierbrouwerij] heeft [appellant] gebruik gemaakt van een bedrijfsauto. Het bezoek aan [de bierbrouwerij] stond niet op de werkplanning van [appellant] bij [de vennootschap] . 3.1.3. Op 28 maart 2017 is [appellant] op staande voet ontslagen. 3.2.1. [appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, verzocht dat de kantonrechter primair het ontslag op staande voet vernietigt, [de vennootschap] verplicht om hem weer toe te laten tot de werkzaamheden op straffe van een dwangsom en [de vennootschap] veroordeelt tot betaling van het loon, en subsidiair, [de vennootschap] veroordeelt tot betaling van de transitievergoeding en de eindafrekening. Daarnaast heeft [appellant] de kantonrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding, die erin bestaat dat [de vennootschap] het loon aan hem doorbetaalt vanaf de datum van het ontslag. 3.2.2. [de vennootschap] heeft een verweerschrift ingediend. Op dezelfde dag heeft zij een verzoekschrift ingediend en, kort gezegd, verzocht dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt voor het geval de arbeidsovereenkomst niet al op 28 maart 2017 is geëindigd door het ontslag op staande voet. Verder heeft zij de kantonrechter verzocht, indien enige voorwaardelijke vergoeding wordt toegekend, te bepalen dat die vergoeding pas opeisbaar is als onherroepelijk is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst niet al op 28 maart 2017 is geëindigd. 3.2.3. De kantonrechter heeft deze verzoeken van beide partijen gevoegd behandeld en bij beschikking van 21 juli 2017, samengevat, het volgende beslist: - het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven; - [appellant] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld; - [appellant] heeft recht op een deugdelijke eindafrekening; - de voorwaarde waaronder ontbinding is gevraagd van de arbeidsovereenkomst doet zich niet voor. De kantonrechter heeft op grond daarvan: - het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet, tot toelating van [appellant] tot de arbeid en tot veroordeling van [de vennootschap] om loon te betalen, afgewezen; - het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding afgewezen; - [de vennootschap] veroordeeld tot het opmaken en uitbetalen van een deugdelijke eindafrekening onder afgifte van een bruto/netto specificatie, met dien verstande dat op de veroordeling in mindering strekt hetgeen reeds aantoonbaar door [de vennootschap] is voldaan; - het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen; - het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding afgewezen; - [appellant] veroordeeld in de proceskosten; - de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3.1. [appellant] heeft na eiswijziging, kort samengevat, verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en verder verzocht: bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding: - [de vennootschap] te veroordelen om het loon aan hem te betalen; - [de vennootschap] te veroordelen om hem in staat te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom; - [de vennootschap] te veroordelen in de proceskosten; in de hoofdzaak voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wordt geacht: - [de vennootschap] te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van 28 maart 2017, althans een door het hof te bepalen datum, onder dezelfde voorwaarden als vóór 28 maart 2017; - [de vennootschap] te verplichten om [appellant] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden op straffe van een dwangsom; - [de vennootschap] te veroordelen om het loon te betalen, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente; - [de vennootschap] te veroordelen in de proceskosten; in de hoofdzaak voor het geval het ontslag op staande voet in stand blijft (hof: bedoeld zal zijn voor het geval het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig wordt geacht): - [de vennootschap] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding; - [de vennootschap] te veroordelen om aan hem te voldoen hetgeen zij volgens de eindafrekening aan hem verschuldigd is, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; - [de vennootschap] te veroordelen om een correcte bruto/netto specificatie te verstrekken op straffe van een dwangsom; - [de vennootschap] te veroordelen in de proceskosten. 3.3.2. Zoals hiervoor is vermeld heeft [appellant] zijn verzoek gewijzigd. Aanvankelijk had hij in de hoofdzaak, voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wordt geacht, verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Dat heeft hij, gelet op het bepaalde in artikel 7:683 lid 3 BW gewijzigd in een verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst. [de vennootschap] heeft tegen deze wijziging geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook geen aanleiding de wijziging van dat verzoek ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op het gewijzigde verzoek. 3.3.3. [de vennootschap] heeft verweer gevoerd en daarbij een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan. Zij heeft, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt hersteld (het hof begrijpt dat zij bedoelt voor het geval zij daartoe wordt veroordeeld), verzocht de overeenkomst per de eerst mogelijke datum te ontbinden en indien wordt ontbonden dat dan de transitievergoeding wordt bepaald op € 19.613,44 bruto, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Dit voorwaardelijk verzoek heeft zij primair gebaseerd op artikel 7:669 lid 3 sub e BW, subsidiair op sub g van die bepaling en meer subsidiair op grond van sub h van die bepaling (de vermelding van de g-grond als meer subsidiaire grondslag in het petitum acht het hof een verschrijving). 3.3.4. [appellant] heeft daartegen een verweerschrift ingediend en voor het geval het hof aan het verzoek toekomt en tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaat, heeft hij verzocht dat de transitievergoeding wordt bepaald op € 20.758,- bruto en dat het hof aan hem een billijke vergoeding toekent van € 25.000,- bruto, dan wel door het hof vast te stellen bedragen, met veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten. ontslag op staande voet 3.4. Zoals hiervoor al is vermeld, is [appellant] op 28 maart 2017 op staande voet ontslagen. [de vennootschap] heeft de redenen voor het ontslag op staande voet in een zeer uitvoerige brief van die datum beschreven. [appellant] heeft in zijn beroepschrift deze redenen zelf als volgt samengevat: 1) het verrichten van vloerenonderhoud bij [de bierbrouwerij] en het daarvoor ontvangen van geld; 2) het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde leaseauto voor privédoeleinden. [appellant] gaat er dus vanuit dat dit de redenen zijn die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd door [de vennootschap] . Uit hetgeen [de vennootschap] naar voren heeft gebracht blijkt dat [de vennootschap] ook ervan uitgaat dat dit de redenen zijn voor het ontslag op staande voet, zij het dat zij heeft benadrukt dat die redenen zowel samen als ook ieder afzonderlijk aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen, en dat het er bij het vloerenonderhoud om gaat dat [appellant] dit voor eigen rekening heeft verricht en daarmee de gedragscode van [de vennootschap] heeft overtreden. Het hof is van oordeel dat deze redenen zowel in samenhang als ieder voor zich het ontslag op staande voet kunnen dragen, mits die redenen komen vast te staan en mits [appellant] voldoende is gewaarschuwd niet zonder toestemming de auto privé te gebruiken (zie hierover nader in 3.15 en 3.16). 3.5. De grieven I en III hebben betrekking op het beweerdelijke vloerenonderhoud bij [de bierbrouwerij] . Grief I is gericht tegen rov. 4.5 van de bestreden beschikking. Deze overweging luidt als volgt: ‘ [de vennootschap] heeft de dringende reden, inhoudende dat [appellant] voor eigen rekening werkzaamheden bij [de bierbrouwerij] heeft verricht, gebaseerd op een mondelinge verklaring van 24 maart 2017 van [manager bij de bierbrouwerij] (manager bij [de bierbrouwerij] ) aan [objectleider bij de vennootschap] (objectleider bij [de vennootschap] ). [objectleider bij de vennootschap] heeft hiervan melding gemaakt aan [vestigingsmanager bij de vennootschap] (vestigingsmanager bij [de vennootschap] ), waarna hij de blackbox in de leaseauto van [appellant] geraadpleegd heeft. Hieruit is gebleken dat [appellant] op 26 februari 2017 tussen 8.04 uur en 12.10 uur aanwezig was bij [de bierbrouwerij] . Vervolgens is [appellant] op non-actief gesteld, teneinde nader onderzoek te verrichten. [vestigingsmanager bij de vennootschap] heeft op 27 maart 2017 telefonisch contact opgenomen met [manager bij de bierbrouwerij] , die zijn eerdere verklaring aan [objectleider bij de vennootschap] nogmaals heeft bevestigd.’. 3.6. Volgens de grief kan niet juist zijn dat [manager bij de bierbrouwerij] zich in de hiervoor vermelde zin heeft uitgelaten en [appellant] heeft dat bij gebrek aan wetenschap betwist. Het hof constateert dat de kantonrechter die betwisting in de beoordeling heeft betrokken. De kantonrechter heeft immers in rov. 4.6 geoordeeld: ‘ [appellant] heeft echter een verklaring van [manager bij de bierbrouwerij] overgelegd waaruit blijkt dat hij op 26 januari 2017 [hof: bedoeld zal zijn 26 februari 2017] geen vloerenonderhoud of andere werkzaamheden bij [de bierbrouwerij] heeft verricht, maar enkel advies heeft gegeven en daar geen geld voor heeft ontvangen. Met betrekking tot de duur van de aanwezigheid heeft [appellant] ter zitting verklaard na het geven van advies nog een rondleiding bij [de bierbrouwerij] gekregen te hebben.’. Verder heeft de kantonrechter in rov. 4.11 overwogen: ‘Gelet op de verschillende verklaringen van [manager bij de bierbrouwerij] is onduidelijk of [appellant] op 26 februari 2017 voor eigen rekening werkzaamheden bij [de bierbrouwerij] heeft verricht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat hierin geen dringende reden voor een ontslag op staande voet kan worden gevonden.’ Grief III is gericht tegen de eerste zin van deze overweging met als toelichting dat [appellant] niet bekend is met verschillende verklaringen. Voor beide grieven geldt dat deze op zichzelf niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden, omdat de kantonrechter rekening heeft gehouden met hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd en tot het oordeel is gekomen dat de onderhavige reden niet is komen vast te staan. Gelet echter op hetgeen het hof hierna overweegt over het privégebruik van de leaseauto, acht het hof het noodzakelijk nader onderzoek te doen naar deze reden (zie 3.15 en 3.16). 3.7. Volgens vaste rechtspraak rust op de werkgever de bewijslast van het bestaan van de dringende reden. [appellant] heeft betwist dat hij op 26 februari 2017 vloerenonderhoud heeft verricht bij [de bierbrouwerij] en hij heeft ook betwist dat hij daarvoor betaling heeft ontvangen. [de vennootschap] heeft hierover onder meer aangevoerd dat [appellant] tijdens het gesprek dat zij met hem hierover op 28 maart 2017 heeft gevoerd, heeft toegegeven dat hij een grote fout heeft gemaakt. Voor zover [de vennootschap] heeft bedoeld te stellen dat [appellant] deze reden voor het ontslag op staande voet heeft erkend, geldt het volgende. [appellant] heeft hierover verklaard dat hij tijdens het gesprek inderdaad heeft gezegd dat hij een fout had gemaakt, maar dat hij daarmee bedoelde dat het fout was dat hij [vestigingsmanager bij de vennootschap] er niet van op de hoogte had gesteld dat hij [de bierbrouwerij] ging bezoek om te adviseren over het reinigen van de vloer. Het hof kan niet uitsluiten dat [vestigingsmanager bij de vennootschap] tijdens het gesprek op 27 maart 2017 de door [appellant] toegegeven ‘fout’ verkeerd heeft opgevat. Maar zelfs als [vestigingsmanager bij de vennootschap] dat wel op juiste wijze heeft opgevat, dan volgt daaruit nog niet zonder meer dat [appellant] de vloeren bij [de bierbrouwerij] tegen betaling heeft gereinigd. Het hof zal [de vennootschap] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat [appellant] op 26 februari 2017 tegen betaling vloerenonderhoud heeft verricht bij [de bierbrouwerij] . 3.8. De grieven II, IV en V hebben betrekking op het privégebruik van de leaseauto. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.9. [appellant] gebruikte een leaseauto. Volgens [de vennootschap] mocht hij die auto niet voor privédoeleinden gebruiken. Wel heeft [de vennootschap] hem dat incidenteel toegestaan, maar daarvoor moest [appellant] uitdrukkelijk toestemming vragen en krijgen, aldus [de vennootschap] . [de vennootschap] heeft in dit verband verwezen naar de volgende documenten: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.