GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.191.699/01 arrest van 28 november 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht, tegen Provincie Limburg, zetelend te Maastricht, geïntimeerde, hierna: de Provincie, advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juli 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/202705/HA ZA 15-103 gewezen vonnis van 16 maart 2016. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 18 juli 2017; de akte na tussenarrest van de Provincie van 19 september 2017; de akte na tussenarrest van [appellant] van 3 oktober 2017. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling 6.1.1. In deze zaak gaat het om de vraag of de Provincie aansprakelijk is voor de gevolgen van een [appellant] overkomen bromfietsongeval op [datum] 2011. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de eerste, de tweede en de vijfde grief van [appellant] besproken en verworpen. In het kader van de behandeling van de derde, vierde en zesde grief (is sprake van een gebrekkige opstal dan wel van een onrechtmatige gevaarzetting) heeft het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk geoordeeld. Het doel daarvan is dat duidelijk wordt wat voor de weggebruiker op het fietspad ter plaatse van het ongeval onder vergelijkbare (weers)omstandigheden waarneembaar is. Meer in het bijzonder acht het hof van belang op welke afstand, gemeten vanaf het begin van de plaats waar destijds het beschadigde betonelement in het fietspad lag, op zijn vroegst zichtbaar was dat het fietspad een bocht naar rechts maakt (rov. 3.11.1). 6.1.2. Het hof heeft een aantal voorwaarden omschreven waaronder het deskundigenonderzoek moet worden uitgevoerd (rov. 3.11.2). Het hof heeft verder een aantal aan de deskundige te stellen vragen geformuleerd en vermeld voornemens te zijn de heer ing. N.L. Bosscha van Bosscha Ongevallenanalyse B.V. tot deskundige te benoemen (rov. 3.11.3 en 3.11.4). Partijen kregen vervolgens de gelegenheid om bij gelijktijdige akte zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de vraagstelling. Persoon van de deskundige 6.2.1. Partijen hebben geen bezwaar tegen de persoon van de deskundige. De Provincie heeft daarbij wel vermeld dat de deskundige in het verleden bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Provincie in dienst is geweest. Voor geen van partijen is dat echter een beletsel. Het hof zal dan ook de heer Bosscha voornoemd tot deskundige benoemen. Voorwaarden waaronder het onderzoek dient te worden uitgevoerd 6.2.2. Aan partijen is de gelegenheid geboden zich omtrent de persoon van de deskundige en de vraagstelling uit te laten, niet omtrent de door het hof geformuleerde voorwaarden waaronder het onderzoek dient te worden uitgevoerd. Partijen hebben echter beiden ook op die voorwaarden gereageerd. Het hof zal hierna kort op die reacties ingaan. Beginpunt meting 6.2.3. De Provincie vraagt zich af waarom gemeten zou moeten worden vanaf het begin van het beschadigde betonelement, omdat dat element volgens haar pas na de inzet van de bocht naar rechts is gelegen. De Provincie gaat er van uit dat het punt is gekozen om een herkenningspunt te hebben. In het andere geval stelt de Provincie voor om te meten vanaf de inzet van de bocht naar rechts. [appellant] heeft op dit punt geen reactie gegeven. 6.2.4. Uit de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde situatieschets leidt het hof af dat het begin van het beschadigde betonelement exact gelokaliseerd is. Gelet daarop als ook op de stelling van [appellant] dat zijn bromfiets op enig moment begon te trillen waarna hij naar beneden keek en zag dat het wegdek anders was heeft het hof het begin van het beschadigde betonelement aangewezen als de plek van waaraf de te onderzoeken afstand gemeten moet worden. Type brommer, helm en verlichting 6.2.5. De Provincie stelt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd met een brommer van het zelfde merk en type als de brommer waarop [appellant] destijds reed. Dat is reeds door het hof overwogen in het tussenarrest, rov. 3.11.2 sub i), tweede zin (“…soortgelijke brommer (merk Yamaha, type SA 14)…”). Ervan uitgaande dat een brommer van hetzelfde merk en type beschikbaar is, kan ook worden uitgegaan van hetzelfde vermogen. Naar het oordeel van het hof is het niet nodig dat de brommer ook is opgevoerd tot een maximum snelheid van 79 km/u, zoals de brommer was waarop [appellant] destijds reed. Wel moet de brommer de snelheden van 30, 40 en 50 km/u kunnen halen, omdat de deskundige het onderzoek met die snelheden dient uit te voeren. 6.2.6. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat [appellant] destijds harder heeft gereden dan 50 km/u. De Provincie veronderstelt zulks slechts op grond van het enkele feit dát de brommer was opgevoerd en dat [appellant] eerst verkeerd was gereden en mogelijk de verloren tijd wilde inhalen. Zoals uit de in het tussenarrest aangehaalde VOA-rapportage (prod. 2 cva) blijkt, is de snelheid waarmee [appellant] heeft gereden echter niet komen vast te staan. Weliswaar bewijst de verklaring van [appellant] niet met welke snelheid hij heeft gereden, maar zijn verklaringen op dat punt zijn de enige aanknopingspunten. Dat is de reden om bij het uit te voeren onderzoek uit te gaan van de snelheden die het hof (naar aanleiding van de verklaringen van [appellant] ) heeft genoemd (zie ook hierna rov 6.2.11). Daarom is het naar het oordeel van het hof ook niet nodig dat de voor het onderzoek te gebruiken brommer op dezelfde wijze is opgevoerd als de brommer waarop [appellant] destijds reed. Mocht de deskundige dit aspect niettemin wel relevant achten voor het uit te voeren onderzoek, dan kan hij dat op voorhand aan partijen laten weten en [appellant] instrueren een brommer beschikbaar te stellen die op dezelfde wijze is opgevoerd. Partijen dienen dan de aanwijzing van de deskundige op te volgen. 6.2.7. De Provincie stelt dat de verlichting van de onderzoeksbrommer moet beschikken over de van fabriekswege aanwezige verlichting en niet over de verlichting die de brommer voerde waarop [appellant] reed. Een eventueel verminderde lichtopbrengst moet immers voor risico van [appellant] blijven, aldus de Provincie. Volgens [appellant] was hij niet verplicht om de fabrieksverlichting te voeren en is bovendien niet gebleken dat de door hem gevoerde verlichting niet deugdelijk was. Wat [appellant] betreft heeft de onderzoeksbrommer wel een verlichting gelijk aan de verlichting die hij destijds voerde. 6.2.8. Naar het oordeel van het hof dient de onderzoeksbrommer voorzien te zijn van een soortgelijke verlichting (met gelijke geleverde spanning, 8,3 V) als de verlichting die [appellant] voerde. Er is niet gesteld of gebleken dat die verlichting ondeugdelijk was, noch dat die verlichting een verminderde lichtopbrengst had dan de lichtopbrengst die de van fabriekswege aangebrachte verlichting zou hebben gehad (p. 7 VOA). 6.2.9. De Provincie wenst de gelegenheid te hebben om de onderzoeksbrommer voorafgaand aan het deskundigenonderzoek te onderzoeken op de hiervoor besproken kwalificaties. Het hof zal de deskundige opdragen partijen op voorhand over en weer in de gelegenheid te stellen de onderzoeksbrommer en de situatie ter plaatse (zoveel mogelijk teruggebracht in de situatie ten tijde van het ongeval) te bekijken en eventuele bezwaren aan de deskundige kenbaar te maken. Het is vervolgens aan de deskundige om eventuele aanpassingen te verlangen of om het onderzoek niettemin uit te gaan voeren. 6.2.10. De Provincie stelt dat (ook) gebruik moet worden gemaakt van een helm die voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Teneinde de situatie ten tijde van het ongeval zoveel mogelijk na te bootsen heeft het hof geoordeeld dat de deskundige moet kunnen beschikken over een soortgelijke helm als [appellant] droeg. Er is niet gesteld of gebleken dat die helm niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Snelheid 6.2.11. De Provincie wenst dat het onderzoek ook wordt uitgevoerd met snelheden van 60 km/u en 70 km/u. Het hof acht dat niet nodig, nu bij gebreke van enige concrete aanwijzing niet uitgegaan kan worden van snelheden van 60 of 70 km/u. Dan mist een onderzoek bij die snelheden relevantie. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen het hiervoor in rov. 6.2.5 en 6.2.6 overwoog. Normaal oplettende brommerrijder 6.2.12. [appellant] heeft aangevoerd dat de deskundige niet alleen als een normaal oplettende brommerrijder het onderzoek moet uitvoeren, maar zich ook moet uitlaten hoe de situatie is als niet de normale oplettendheid wordt betracht. 6.2.13. De Provincie heeft hier nog niet op kunnen reageren. Een verwijzing naar de rol voor nadere akte door de Provincie is echter niet nodig, omdat het hof de suggestie van [appellant] niet zal volgen. Bij de toepassing van, kort gezegd, de Kelderluik-criteria wordt getoetst of sprake is van een situatie die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid (die niet per se de “normale” oplettendheid hoeft te zijn) gevaarlijk is. In dit geval is (nog) niet te zeggen wat die vereiste oplettendheid is. Mede daarom wordt de deskundige verzocht zoveel mogelijk te rijden als een normaal oplettende brommerrijder. Een instructie om ook onderzoek te doen “indien niet de normale oplettendheid wordt betracht” is te weinig concreet en moeilijk uitvoerbaar. Verder kan de deskundige altijd aanvullende opmerkingen op dit vlak maken indien hij dat relevant acht, bijvoorbeeld over wat de vereiste oplettendheid is onder de voorgeschreven omstandigheden. Wegsituatie ter plaatse 6.2.14. Volgens [appellant] is de opdracht van het hof om de situatie ter plaatse aan te passen aan de situatie ten tijde van het ongeval onvolledig. [appellant] noemt een hekwerk rechts naast het fietspad, nieuwe borden en anders geplaatste hectometerpaaltjes. Verder wil [appellant] dat het ten tijde van het ongeval aanwezige, aangetaste wegdek wordt gereconstrueerd en dat de reconstructie wordt uitgevoerd met een bijrijder. 6.2.15. Ook hier heeft de Provincie nog niet op kunnen reageren, maar ook hier acht het hof een nadere aktewisseling niet nodig. Het hof heeft in rov. 3.11.2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.