GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 16 februari 2017 Zaaknummer : 200.199.018/01 Zaaknummer eerste aanleg : 5033157 AZ VERZ 16-86 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. F.E.J. Janzing te Wijchen, tegen [beheer] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna aan te duiden als [beheer] , advocaat: mr. C.P. van den Eijnden te Tilburg, 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 13 juni 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2016; het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2016; een fax namens mr. Janzing d.d. 4 januari 2017 met als bijlage een afschrift van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; - de op 6 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Janzing; - namens [beheer] de heer [medewerker van beheer] , bijgestaan door mr. Van den Eijnden. de ter zitting door mr. Janzing overgelegde pleitaantekeningen met daaraan gehecht de bestreden uitspraak zoals gepubliceerd in JAR 2016/233 (met noot Verhulp); de ter zitting door mr. Van den Eijnden overgelegde pleitaantekeningen. Er is door partijen geen proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg overgelegd. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Op 11 februari 2016 is [appellant] in dienst getreden van [beheer] in de functie van Recruitment Consultant tegen een loon van € 2.400,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag. In de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende vermeld:“Artikel 1. Functie, duur, arbeidstijd en arbeidsplaats1.1 Werknemer treedt met ingang van 11 februari 2016 in dienst voor bepaalde tijd v van 6 maanden bij werkgever in de functie van Recruitment Consultant. De arbeidsovereenkomst eindigt derhalve van rechtswege, zonder dat opzegging is vereist, op 11 augustus 2016.(…)Artikel 2. Proeftijd2.1 De eerste maand na aanvang van deze overeenkomst geldt als proeftijd in de zin der wet.2.2 Gedurende de proeftijd heeft ieder der partijen het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.” Op 10 maart 2016 heeft [beheer] de arbeidsovereenkomst met [appellant] mondeling met onmiddellijke ingang opgezegd met een beroep op het proeftijdbeding. Bij brief van 12 april 2016 heeft de advocaat van [appellant] aan [beheer] bericht dat de opzegging vernietigbaar is, maar dat [appellant] in plaats daarvan aanspraak maakt op schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 9 BW. 3.2.1. [appellant] heeft in eerste aanleg verzocht [beheer] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 12.960,- in eerste instantie op grond van artikel 7:672 lid 9 BW, met veroordeling van [beheer] in de proceskosten. Bij brief van 27 mei 2016 heeft [appellant] de grondslag van zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij zijn verzoek primair heeft gegrond op artikel 7:672 lid 10 BW, subsidiair op artikel 7:677 lid 4 BW en meer subsidiair op artikel 7:681 lid 1 BW. 3.2.2. [beheer] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht [appellant] in de proceskosten te veroordelen. 3.3. In de bestreden beschikking is het verzoek van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 3.4. [appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek tot veroordeling van [beheer] tot betaling van schadevergoeding alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [beheer] in de proceskosten. Naar het hof begrijpt verzoekt [appellant] de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.5. [appellant] verzoekt [beheer] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Volgens [appellant] is het proeftijdbeding niet geldig. De grieven hebben betrekking op de juridische grondslagen die [appellant] aan zijn verzoek tot schadevergoeding ten grondslag heeft gelegd. Deze grieven kunnen alleen tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden indien er sprake is van een onregelmatige opzegging. Nu [beheer] mede als verweer heeft gevoerd dat tussen partijen een rechtsgeldige proeftijd is overeengekomen beding, zal het hof eerst beoordelen of er sprake is van een geldig proeftijdbeding. 3.6. Ingevolge artikel 7:652 lid 4 BW kan er geen proeftijd worden overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor ten hoogste zes maanden. [appellant] stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor de duur van zes maanden. [beheer] betwist deze stelling. Volgens haar is de arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van zes maanden en één dag. 3.7. Partijen hebben hun afspraken over de duur van de arbeidsovereenkomst vastgelegd in artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van de vraag hoe artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg zijn van betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De uitleg dient niet plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen, al is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg wel van groot belang. 3.8. Het hof stelt voorop dat artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk is geformuleerd. In de eerste zin staat dat werknemer in dienst treedt voor bepaalde tijd van zes maanden. In de tweede zin staat er dat de werknemer met ingang van 11 februari 2016 in dienst treedt en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigt op 11 augustus 2016. Daarbij rijst de vraag of met de zinsnede “op 11 augustus 2016” wordt bedoeld dat de arbeidsovereenkomst loopt tot of tot en met 11 augustus 2016. Het hof is van oordeel dat [appellant] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden sec zijn overeengekomen. Daarbij neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking.Gelet op het feit dat in de eerste zin wordt gesproken over een bepaalde tijd van zes maanden en in de tweede zin het woord “derhalve” wordt gebruikt, is het hof van oordeel dat een taalkundige uitleg erop wijst dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen en niet van zes maanden plus één dag. Dat er in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding is opgenomen, is onvoldoende om te concluderen dat partijen een duur van zes maanden en één dag overeen wilden komen. Het hof is van oordeel dat indien [beheer] een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden en één dag overeen had willen komen, met het oogmerk daarmee af te wijken van artikel 7:652 lid 4 BW, van haar verwacht had mogen worden dat zij dit voor of bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst duidelijk met [appellant] zou hebben gecommuniceerd en (aansluitend) duidelijk in de arbeidsovereenkomst zou hebben vermeld. Er is niet gesteld of gebleken dat duidelijk aan [appellant] is gecommuniceerd dat de duur van de arbeidsovereenkomst zes maanden en één dag betrof en waarom dit voor [beheer] van belang was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [medewerker van beheer] van [beheer] desgevraagd door het hof verklaard dat de medewerker die de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft gesloten zich niet kan herinneren of er is gesproken over een duur van zes maanden plus één dag en de heer [medewerker van beheer] verklaarde ook te denken dat daarover ook niets in de e-mail stond waarmee de arbeidsovereenkomst aan [appellant] is toegezonden. 3.9. Gelet op het voorgaande dient artikel 1.1. van de arbeidsovereenkomst zo te worden uitgelegd, dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen. Dat heeft tot gevolg dat het in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding nietig is op grond van artikel 7:652 lid 8 sub f BW. 3.10. Nu het proeftijdbeding nietig is, is er sprake van een onregelmatige opzegging door [beheer] . [beheer] heeft de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds opgezegd, terwijl de arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding bevat. [appellant] verzoekt [beheer] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens deze onregelmatige opzegging, primair op grond van artikel 7:672 lid 10 BW, subsidiair op grond van artikel 7:677 lid 4 BW en meer subsidiair op grond van artikel 7:681 lid 1 BW. 3.11. In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 7:677 lid 4 BW geen grondslag voor zijn vordering biedt omdat in dat artikel is bepaald dat een vergoeding is verschuldigd in het geval een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met lid 1 is opgezegd. De verwijzing naar lid 1 ziet volgens de kantonrechter uitsluitend op een onverwijlde opzegging om een dringende reden. 3.12. Het hof overweegt naar aanleiding van de eerste grief als volgt. Artikel 7:677 lid 4 BW luidt: “De partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met artikel 1 opzegt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter kan de vergoeding, bedoeld in dit lid, matigen indien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar tot niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. De werknemer kan de kantonrechter verzoeken de opzegging te vernietigen.” Lid 1 van artikel 7:677 BW luidt:“Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.” 3.13. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis bij de Wet werk en zekerheid af dat de wetgever in deze wet duidelijkheid heeft willen verschaffen over de vraag of een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding vernietigbaar is. Daarbij heeft de wetgever er voor gekozen de gevolgen van de opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd te regelen in artikel 7:677 lid 4 BW (en niet in artikel 7:672 lid 9 BW, dat met ingang van 1 januari 2016 is vernummerd tot 7:672 lid 10 BW). Het hof verwijst naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:“De regering merkt op dat met artikel 7:677, vierde lid, BW duidelijkheid wordt gecreëerd over wat geldt in geval sprake is van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die niet tussentijds kan worden opgezegd (omdat deze geen tussentijds opzegbeding bevat). Artikel 7:672 (negende lid) BW heeft betrekking op een reguliere opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd en bevat in dat kader onder andere de wettelijke opzegtermijn. Het is juist dat het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW eenzelfde term hanteert als de term die in het nieuwe artikel 7:672, negende lid, BW wordt gehanteerd, doch de regering wijst erop dat die terminologie in het wetsvoorstel bewust niet terugkomt in het nieuwe artikel 7:677, vierde lid, BW. Daar wordt expliciet bepaald wat rechtens is wanneer een partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met het eerste lid van dat artikel opzegt. De regering is dan ook van mening dat – anders dan in het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW het geval is – de tekst van het wetsvoorstel de duidelijkheid verschaft die de regering op dit punt wenselijk acht. Dat hiermee sprake is van een gewenste verduidelijking wordt overigens ook in de literatuur erkend.4 4 D.J.B. de Wolff, De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd volgens het wetsvoorstel Werk en zekerheid, in: TRA 2014, aflevering 3, p. 30, waarin de auteur constateert dat in een nieuw artikel 7:677 lid 4 BW zal worden verduidelijkt welke sanctie staat op opzegging zonder een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging en aangeeft dat de rechter intussen reeds op de nieuwe tekst kunnen anticiperen, nu thans niet (en op grond van het wetsvoorstel wel) duidelijk is of een onbevoegde tussentijdse opzegging door de rechter kan worden vernietigd.” (Kamerstukken I 2013/14, 33838, E, p. 13). 3.14. De wetgever heeft artikel 7:677 lid 4 BW niet willen beperken tot de gevolgen van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet, ondanks de verwijzing naar lid 1. Dit leidt het hof af uit de volgende passages uit de wetsgeschiedenis: “Het vierde lid regelt wanneer er een vergoeding verschuldigd is bij een overeenkomst voor bepaalde tijd die geen tussentijdse opzegmogelijkheid kent. Dat is bijvoorbeeld het geval als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.